Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
1999-06-01
ECLI:NL:PHR:1999:31
Strafrecht
3,873 tokens
Volledig
ECLI:NL:PHR:1999:31 text/xml public 2026-05-15T10:00:42 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Parket bij de Hoge Raad 1999-06-01 110.814 Conclusie NL Strafrecht Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:1999:ZD1615 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:1999:31 text/html public 2026-05-07T17:15:55 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:PHR:1999:31 Parket bij de Hoge Raad , 01-06-1999 / 110.814 - Nr. 110.814 Zitting:1 juni 1999 Mr Machielse Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College, 1. Bij arrest van 2 april 1998 is verzoeker door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter zake van "het misdrijf, voorzien bij artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en strafbaar gesteld bij artikel 175, eerste lid, aanhef en onder a, juncto tweede lid, aanhef en onder a van die wet" veroordeeld tot tweehonderdveertig uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van een gevangenisstraf van zes maanden, tot een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaar. 2. Namens hem heeft mr A.A. Franken, advocaat Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. 3. Het eerste middel behelst - gesteld in het licht van een ter terechtzitting gevoerd verweer - een aantal met elkaar samenhangende klachten over het onder 5. door het hof tot het bewijs gebezigde proces-verbaal en de mede daarop gebaseerde bewezenverklaring. 3.1. Het hof heeft ten laste van verzoeker bewezenverklaard dat: "hij op 02 juli 1996 te [plaats] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de rijksweg […] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 120 kilometer per uur, te rijden en daarbij tegen de achterzijde van een voor hem - in dezelfde richting- rijdende auto waarin [slachtoffer] was gezeten aan te rijden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer] werd gedood, terwijl hij -verdachte- verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid -onder a- van de Wegenverkeerswet 1994, namelijk bedroeg het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 885 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht". 3.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is aldaar het verweer gevoerd dat in de toelichting op het middel staat aangegeven. 3.2.2. Het bewijsmiddel waarop het middel doelt, betreft een op 10 september 1996 door meergenoemde verbalisant, brigadier, ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van technisch onderzoek van regiopolitie Brabant Zuid- Oost/afd. DAS/Eindhoven. Dit bewijsmiddel houdt het volgende in: Op 2 juli 1996 heb ik, medewerker technische ondersteuning van de Executieve van Afdeling Ondersteuning de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, een onderzoek ingesteld naar de juiste toedracht van een verkeersongeval met dodelijke afloop, dat eerder die dag, omstreeks 21.17 uur binnen de gemeente [plaats] had plaatsgevonden. Het ongeval had plaatsgevonden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Rijksweg […] , ter plaatse gelegen buiten de bebouwde kom, in de gemeente [plaats] . Conclusie: De bestuurders van de Opel personenauto en van de Audi personenauto hebben beide in de richting van [plaats] over de rijksweg […] gereden. De bestuurder van de Opel personenauto heeft in een normale positie op de rechterrijstrook gereden. De bestuurder van de Audi personenauto is met een zeer groot snelheidsverschil tegen de achterzijde van de Opel personenauto gebotst. Na de botsing heeft de Audi de Opel in een nagenoeg rechte lijn voor zich uitgedrukt. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestuurder van de Opel extreem langzaam gereden zou hebben. Uit de beschadiging van de Opel blijkt wel dat het snelheidsverschil tussen de beide voertuigen op het moment van de botsing zeer groot is geweest. 3.2.3. Het hof heeft niet enig onderdeel van het in het middel bedoelde rapport van het Gerechtelijk Laboratorium van het Ministerie van Justitie tot het bewijs gebezigd. 3.3. In hoger beroep is aangevoerd dat het proces-verbaal van brigadier [verbalisant] speculaties zou bevatten. De advocaat heeft zich daartoe gebaseerd op het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium, voorzover dat inhoudt dat de snelheid van de auto van verzoeker hoger was dan de uitloopsnelheid van de auto van het slachtoffer. Ik vermag niet in te zien hoe er een tegenstrijdigheid zou kunnen bestaan tussen de inhoud van het door [verbalisant] opgemaakt proces-verbaal en het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium. Het Gerechtelijk Laboratorium doet proefnemingen ter berekening van de snelheden der betrokken voertuigen en gaat daartoe uit van bepaalde premissen. Brigadier [verbalisant] gaat klaarblijkelijk uit van wat zijn ervaring hem leert als hij een situatie als de onderhavige aantreft. Dat het snelheidsverschil voor het Gerechtelijk Laboratorium niet is te berekenen wil nog niet zeggen dat een deskundige en op ervaring gestoelde uitlating over dat snelheidsverschil evenmin mogelijk is. De in het middel gewraakte conclusie van [verbalisant] , dat op grond van de beschadiging van het voertuig van het slachtoffer blijkt dat sprake is geweest van een "zeer groot snelheidsverschil" tussen verzoekers voertuig en dat van het slachtoffer, behelst niets wat niet kan worden aangemerkt als een mededeling van feiten en omstandigheden die de verbalisant heeft waargenomen of ondervonden. Zulks gelet op de technische functie van de verbalisant en in aanmerking genomen dat hem (een zekere) deskundigheid terzake niet kan worden ontzegd. Voorzover het middel klaagt over een tegenstrijdigheid tussen de constateringen van [verbalisant] en die van het Gerechtelijk Laboratorium, faalt het dus. Een nadere motivering voor het gebruik voor het bewijs van het betwiste proces-verbaal was dus niet nodig. Van een ongeoorloofde conclusie of gissing door [verbalisant] is al evenmin sprake. 3.3. Het eerste middel faalt dus. 3.4. Ambtshalve en naar aanleiding van het middel laat ik ten overvloede nog mijn licht schijnen over het volgende. In casu heeft het hof zonder nadere motivering het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium voor het bewijs terzijde gesteld en slechts het meergenoemde proces-verbaal van de ter zitting als getuige-deskundige gehoorde [verbalisant] voor het bewijs gebezigd. De gulden cassatieregel dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, datgene tot het bewijs te bezigen wat hem dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht, is een regel die ook geldt voor de keuze van de rechter voor het bewijs uit voor handen zijnde onderling afwijkende verklaringen van meerdere deskundigen welke in rapporten, processen-verbaal e.d. zijn neergelegd. Deze beslissing behoeft evenwel nadere motivering wanneer ter verweer een beroep wordt gedaan op een deskundigenrapport dat de betrouwbaarheid van de andere deskundige of de door deze gebezigde methode betwist. Dat zich in deze zaak deze uitzonderingen niet voordoen hoop ik al duidelijk te hebben gemaakt. Ten overvloede wijs ik in dit verband nog op het volgende. Ter zitting van het hof is op de eerste plaats niet enig deskundige verweer gevoerd dat bij de ook aldaar als medewerker technische gehoorde brigadier [verbalisant] , ondersteuning van de Afdeling Executieve Ondersteuning van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, de deskundigheid zou hebben ontbroken een technisch onderzoek als het onderhavige in te stellen. Noch is het hof aldaar verzocht om (een) nieuwe (derde) deskundigen te benoemen.
Volledig
In appel is immers slechts door verzoekers raadsman de stelling betrokken - in essentie samengevat - dat de conclusie van brigadier [verbalisant] dat uit de beschadiging van de Opel blijkt dat het snelheidsverschil tussen de beide voertuigen op het moment van de botsing zeer groot is geweest, niet spoort met een onderdeel van de in het rapport neergelegde informatie van het Gerechtelijk Laboratorium dat het snelheidsverschil niet kan worden berekend alléén op grond van de desbetreffende beschadiging. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden was het hof naar mijn mening niet genoopt tot enige nadere motivering omtrent het gebruik voor het bewijs van de desbetreffende deskundigenverklaring van [verbalisant] . 4. Het tweede middel klaagt erover dat het hof de strafoplegging, gelet op het uitdrukkelijk voorgedragen strafmaatverweer, onvoldoende met redenen heeft omkleed. 4.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 maart 1998 is - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - namens verzoeker het volgende aangevoerd. [verzoeker] is inmiddels betrokken bij het opzetten van twee nieuwe bedrijven. Hij is per 2 januari j.l. aandeelhouder/adviseur van het im- en exportbedrijf [A] B.V. Dit bedrijf houdt zich bezig met het in Europa inkopen van rollend materieel en de verkoop daarvan op mondiaal niveau. De (potentiële) klanten van dit jonge bedrijf dat bij haar start steunt op het netwerk van [verzoeker] , bevinden zich op -niet met het openbaar vervoer bereikbare- industrieterreinen. Een ander nieuw bedrijf, [B] B.V. gaat een nieuw systeem voor vervoer van goederen per aanhangwagen ontwikkelen en start per 1 april a.s. [verzoeker] is via de moedermaatschappij van dit bedrijf, [C] B.V., statutair directeur bij dit bedrijf ( ... ). In dat kader dienen werkzaamheden per auto verricht te worden door [verzoeker] . Doch ook op het thuisfront dient [verzoeker] over zijn rijbewijs te beschikken. De echtgenote van [verzoeker] lijdt aan multiple sclerose. Zij is voor het grootste gedeelte van haar bewegingsvrijheid afhankelijk van een rolstoel. In een aangepaste auto kan zij korte ritjes maken indien zij haar krukken meeneemt, doch dan moet zij de auto wel direkt voor de deur van haar bezoekadres kwijt kunnen. De rolstoel kan [echtgenote verzoeker] niet zelf in- en uitladen. Boodschappen kan zij niet zelfstandig doen. Zij is voor een normaal sociaal leven afhankelijk van het vervoer door [verzoeker] . Daarbij komt nog dat haar gezondheid steeds verder achteruit gaat, zodanig dat zij 's avonds en bij slechte weersomstandigheden in ieder geval zelf niet kan rijden. De dochter van [verzoeker] heeft zware rheuma en is wat betreft haar vervoer ook afhankelijk van het rijbewijs van haar vader. [verzoeker] heeft voor het vervoer van zijn familie speciaal een aangepaste autobus. Ik verwijs nog slechts naar de verklaringen van de huisartsen van de familie [verzoeker] waaruit vorengeschetste omstandigheden blijken". 4.2. Het hof heeft de redengeving van de hiervoor onder 1 genoemde strafoplegging als volgt gemotiveerd: Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Het hof acht oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden op zich genomen passend. In plaats daarvan zal het hof aan de verdachte het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte opleggen voor het hieronder te vermelden aantal uren. De verdachte heeft een daartoe strekkend aanbod gedaan en met de op te leggen straf ingestemd. Ook overigens is aan de wettelijke eisen voldaan. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, maar de strafoplegging anderzijds dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal het hof voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen. De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd en/of ingehouden is geweest, zal op de duur van deze bijkomende straf in mindering worden gebracht. Het verweer dat de verdachte, door een ontzegging van de rijbevoegdheid extra zwaar wordt getroffen, onder andere in verband met de lichamelijke gesteldheid van zijn echtgenote, wordt door het hof verworpen omdat niet aannemelijk is geworden dat tijdens de ontzegging voor het door de verdachte genoemde doel redelijkerwijs geen andere vervoersmogelijkheid ter beschikking staat. 4.3. Aldus heeft het hof de strafoplegging, in het bijzonder ook in het licht van hetgeen namens verzoeker ter terechtzitting in appel is betoogd, naar de eis der wet met redenen omkleed . Immers, het hof heeft in zijn weerlegging van het gevoerde verweer feitelijk vastgesteld dat "niet aannemelijk is geworden dat tijdens de ontzegging voor het door de verdachte genoemde doel redelijkerwijs geen andere vervoersmogelijkheid ter beschikking staat". In deze vaststelling ligt mede als 's hofs vaststelling besloten dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker tijdens de ontzegging - voor het vervoer van zijn (ernstig) zieke vrouw en dochter, alsmede voor het vervoer van verzoeker ten behoeve van zijn werk - redelijkerwijs niet over de mogelijkheid zal kunnen beschikken om voor dat doel een derde in te schakelen die - al dan niet met de speciale door verzoeker aangeschafte autobus - voor hem/hen optreedt als chauffeur. Met deze vaststellingen heeft het hof de feitelijke grondslag aan het aangevoerde ontnomen. Het heeft hof daarmee tegelijkertijd het gevoerde verweer toereikend gemotiveerd verworpen. Het middel dat van een andere opvatting uitgaat faalt dus. 4.4. Voorzover het middel de klacht behelst dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden "met de werkzaamheden van verzoeker en met de gezondheidssituatie van diens dochter", mist het middel gelet op 's hofs hiervoor weergegeven vaststellingen feitelijke grondslag. 4.4.2. De klacht dat 's hofs hiervoor weergegeven vaststelling onbegrijpelijk zou zijn omdat het hof nader had moeten motiveren welke alternatieve vervoersmogelijkheden volgens het hof tot de mogelijkheden behoren, deelt - op gelijke gronden - hetzelfde lot. Immers, het in het middel aangevoerde dat op grond van de fysieke omstandigheden van verzoekers vrouw en dochter een fiets en het openbaar vervoer zouden zijn uit te sluiten en ook het gebruik van een taxi feitelijk onmogelijk zou zijn nu voor hun vervoer een speciale autobus noodzakelijk is, vermag niets af te doen aan de zelfstandige vervoersmogelijkheid waarop het hof ten aanzien van verzoeker het oog heeft gehad. 4.5. Het tweede middel faalt dus eveneens. 5. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Vgl. HR DD 93.465 en 92.003. Vgl.HR 4 december 1990, nr. 88.097 inzake het eerste cassatiemiddel. Gepubliceerd als NJ 1991, 346 maar zonder de hier relevante passages. HR NJ 1998, 318 m nt. Sch .; HR DD.91.368 Vgl. HR NJ 1998, 404 Vgl. HR NJ 1999, 199. Vgl. HR DD 92.044. Vgl. in het bijzonder HR DD 96.052 waarin de Hoge Raad de strafmotivering inzake de ontzegging van de rijbevoegdheid - welke qua duur in hoger beroep werd verdubbeld - toereikend gemotiveerd achtte, ondanks het beroep van de verdachte op de noodzakelijkheid van het rijbewijs ten behoeve van het vervoer van zijn zwaar invalide vriendin.