Rechtspraak
1999-09-21
ECLI:NL:HR:1999:ZD1615
1,921 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:1999:ZD1615 text/xml public 2026-02-05T13:25:40 2013-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ZD1615 Hoge Raad 1999-09-21 110.814 Uitspraak Cassatie NL Den Haag Strafrecht Wetboek van Strafvordering 344 Wetboek van Strafvordering 359 Wetboek van Strafvordering 359 JOL 1999, 185 NJ 1999, 758 VR 2000, 34
Volledig
ECLI:NL:HR:1999:ZD1615 text/xml public 2026-05-15T10:00:42 2013-04-08 Raad voor de Rechtspraak nl ZD1615 Hoge Raad 1999-09-21 110.814 Uitspraak Cassatie NL Den Haag Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:1999:31 Wetboek van Strafvordering 344 Wetboek van Strafvordering 359 Wetboek van Strafvordering 359 Rechtspraak.nl JOL 1999, 185 NJ 1999, 758 VR 2000, 34 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:1999:ZD1615 text/html public 2026-05-07T17:23:04 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:1999:ZD1615 Hoge Raad , 21-09-1999 / 110.814 - 21 september 1999 Strafkamer nr. 110.814 SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 april 1998 in de strafzaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [plaats] . 1. De bestreden uitspraak 1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 7 januari 1997, waarbij de verdachte tot straffen is veroordeeld ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl degene die schuldig is aan dit feit verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid van die wet". Het Hof heeft de verdachte deswege veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van tweehonderdveertig uren, in plaats van zes maanden gevangenisstraf. 1.2. Het verkorte arrest en de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het eerste middel 3.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Het stelt daartoe in de eerste plaats dat het als bewijsmiddel 5 gebezigde, door de [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal geen opgave behelst van feiten en omstandigheden die door de verbalisant zelf zijn waargenomen of ondervonden, maar is gebaseerd op veronderstellingen en conclusies die niet voor het bewijs bruikbaar zijn. Subsidiair bevat het middel de klacht dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan een dienaangaande in hoger beroep gevoerd verweer. 3.2. De pleitaantekeningen van de raadsvrouwe van de verdachte, gehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, houden - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in: " (. .. ) Immers dient ook de verklaring van de verbalisant geen speculaties te bevatten. En dat is hier juist wel het geval. De verbalisant baseert zijn conclusie dat de Audi de toegestane snelheid ruimschoots moet hebben overschreden op de volgende premissen: a. er zijn geen aanwijzingen dat de Opel extreem langzaam zou hebben gereden (zie procesverbaal technisch onderzoek blz. 45) en b. dat de Audi met een zeer groot snelheidsverschil tegen de achterzijde van de Opel is gebotst, gelet op de beschadiging van de Opel. Wanneer echter de inhoud van het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium naast deze ambtsedige verklaring wordt gelegd, blijkt dat in ieder geval de laatste conclusie die de opsporingsambtenaar trekt niet toelaatbaar is. Immers kan aan de hand van de deformatie van de Opel slechts worden vastgesteld dat de snelheid van de Audi direkt voorafgaande aan de botsing hoger was dan de uitloopsnelheid van de Opel (zie blz. 3 alinea 5 van dat rapport) . Hoe groot het snelheidsverschil was kan volgens het Gerechtelijk Laboratorium slechts worden vastgesteld aan de hand van (betrouwbare) getuigenverklaringen. Een en ander zegt derhalve nog niets over een eventuele overschrijding van de maximumsnelheid door de Audi. De verklaring van [verbalisant] is in dit opzicht ondeugdelijk". 3.3. Het door het Hof (onder 5) gebezigde bewijsmiddel houdt, voorzover hier van belang, in: "Een procesverbaal technisch onderzoek van regiopolitie Brabant Zuid-Oost/afd. DAS/Eindhoven, mutatienummer PL 2203/96-263303, dossierparagraaf 2.2.8., op 10 september 1996 op ambtseed opgemaakt, gesloten en getekend door [verbalisant] , brigadier van politie Brabant Zuid-Oost, welk proces-verbaal onder meer inhoudt - zakelijk weergegeven - als volgt : ( . . . ) Conclusie: ( . . . ) De bestuurder van de Audi personenauto is met een zeer groot snelheidsverschil tegen de achterzijde van de Opel personenauto gebotst. Na de botsing heeft de Audi de Opel in een nagenoeg rechte lijn voor zich uitgedrukt. Er zijn geen aanwijzingen dat de bestuurder van de Opel extreem langzaam gereden zou hebben. Uit de beschadiging van de Opel blijkt wel dat het snelheidsverschil tussen de beide voertuigen op het moment van de botsing zeer groot is geweest". 3.4. Het proces-verbaal houdt in dat [verbalisant] "medewerker technische ondersteuning van de Afdeling Executieve Ondersteuning" is. Voorts houdt het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 maart 1998 in dat genoemde [verbalisant] aldaar is gehoord en behalve de eed als getuige ook die als deskundige heeft afgelegd. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat het als bewijsmiddel 5 gebezigde proces-verbaal voor wat betreft het hiervoor onder 3.3 weergegeven relaas van de [verbalisant] mededelingen van deskundige aard behelst, die [verbalisant] op grond van zijn kennis en ervaring heeft gedaan en dat dat proces-verbaal daarom in zoverre moet worden aangemerkt als een verslag van een deskundige als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder 4°, Sv. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Daarop stuit het eerste onderdeel van het middel af. 3.5. Ook het subsidiaire onderdeel van het middel faalt. Het hiervoor onder 3.2 weergegeven verweer noopte het Hof niet tot nadere motivering van de bewezenverklaring. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is immers voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en behoeft, behoudens bijzondere omstandigheden, geen motivering. Een zodanige bijzondere omstandigheid doet zich hier niet voor. 3.6. Het middel is dus tevergeefs voorgesteld. 4. Beoordeling van het tweede middel Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 5. Slotsom Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen gronden aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 6. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Koster, Aaftink en Orie, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 21 september 1999 .