Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-03-21
ECLI:NL:OGHACMB:2023:41
Civiel recht
Hoger beroep
2,914 tokens
Inleiding
Burgerlijke zaken over 2023
Registratienummers: BON202100449 – BON2021H00049
Uitspraak: 21 maart 2023
GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE
van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
V O N N I S
in kort geding in de zaak van:
[DE WERKNEMER],
wonende op Bonaire,
in eerste aanleg eiseres, thans appellante,
gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,
tegen
de besloten vennootschap
“HOPI BON” PROPERTIES BEHEER B.V.,
handelende onder de naam Bonaire Comfort Rentals,
gevestigd op Bonaire,
in eerste aanleg gedaagde, thans geïntimeerde,
gemachtigde: P. Groenewoud, statutair bestuurder.
Partijen worden hierna [de werknemer] en Hopi Bon genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1
Bij op 17 november 2021 ingekomen akte van appel is [de werknemer] in hoger beroep gekomen van het in kort geding tussen partijen gewezen en op 27 oktober 2021 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, zittingsplaats Bonaire (hierna: het Gerecht).
1.2
Bij op 3 december 2021 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [de werknemer] zes grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en haar vorderingen alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Hopi Bon in de proceskosten in beide instanties.
1.3
Een memorie van antwoord is niet ingekomen.
1.4
Op 13 januari 2023 heeft de gemachtigde van Hopi Bon een pleitnota ingediend, met producties. Op 17 januari 2023 heeft de gemachtigde van [de werknemer] een pleitnota ingediend.
1.5
Vonnis is gevraagd en bepaald op vandaag.
Beoordeling
Kosteloos procederen
2.1
Gelet op het overgelegde besluit van de Raad voor Rechtsbijstand zal het Hof [de werknemer] toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.
Feiten
2.2
Het Hof gaat uit van het volgende.
2.2.1
Met ingang van 22 juli 2019 is [de werknemer] bij Hopi Bon in dienst getreden als rental agent short and mid term. Bij overeenkomst van 22 september 2019 zijn zij nader overeengekomen:
Artikel 2
Duur van de overeenkomst
Deze arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd met een wederzijdse opzegtermijn van 2 maanden.
Laatstelijk bedroeg het maandsalaris van [de werknemer] USD 2.150,- bruto.
2.2.2
Op 23 maart 2020 heeft [de werknemer] zich ziek gemeld. Met ingang van die dag is zij arbeidsongeschikt verklaard. De (gehele of gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid heeft in elk geval voortgeduurd tot 13 oktober 2021.
2.2.3
Bij verzoekschrift van 25 maart 2021 heeft Hopi Bon de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW) verzocht haar toestemming te verlenen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [de werknemer]. Bij beschikking van 7 mei 2021 heeft SZW de verzochte toestemming verleend.
2.2.4
Bij e-mail van 10 mei 2021, met als onderwerp “ontslag bevestiging”, heeft Hopi Bon aan [de werknemer] bericht:
Gerelateerd aan mijn verzoekschrift om per 25/03/2021 onze arbeidsovereenkomst te mogen beëindigen, wil ik je laten weten dat deze toestemming onder beschikking nr. [001] is gehonoreerd.
2.2.5
Hopi Bon heeft bij de Rijksdienst Caribisch Nederland, Unit Sociale Zaken en Werkgelegenheid per e-mail verzocht om nadere uitleg over de opzegtermijn. In reactie daarop heeft een juridisch medewerker van die unit
bij e-mail van 11 mei 2021 aan Hopi Bon bericht:
Als u vandaag opzegt, moet u [de werknemer] tot uiterlijk 11 juni door betalen.
2.2.6
Bij e-mail van 11 juni 2021 heeft Hopi Bon aan [de werknemer] bericht:
Hierbij de bevestiging van definitief einde dienstverband met 10/06/2021, conform beschikking nr. [001].
2.2.7
Op 1 juli 2021 heeft Hopi Bon een bedrag van USD 930,14 aan [de werknemer] betaald, onder vermelding van:
Eindafrekening t/m 10/6.
2.2.8
Bij e-mail van 22 september 2021 aan Hopi Bon heeft [de werknemer] aanspraak gemaakt op loon over de periode 10 juli 2021 tot en met september 2021. Hierop heeft Hopi Bon gereageerd met:
Per 10/6/21 ben je niet meer in dienst met toestemming van SZW, zie mijn eerdere berichtgeving daaromtrent.
Vordering en beslissing van het Gerecht
2.3
In dit kort geding heeft [de werknemer] gevorderd, verkort weergegeven,
a. doorbetaling van loon, althans ziekengeld;
b. verstrekking van een loonspecificatie, op straffe van verbeurte van dwangsommen;
c. betaling van de wettelijke verhoging;
met wettelijke rente, proceskosten en nakosten.
2.4
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht Hopi Bon veroordeeld tot betaling van een voorschot van USD 900,-, met wettelijke rente. Hiertoe heeft het Gerecht, verkort weergegeven, als volgt overwogen. Hopi Bon moet ziekengeld doorbetalen tot 29 juli 2021 (4.4) In de omstandigheid dat het een geldvordering in kort geding betreft, ziet het Gerecht aanleiding de toewijzing te beperken tot een voorschot, rekening houdend met de stelling van [de werknemer] dat zij tot 10 juli 2021 salaris of ziekengeld heeft ontvangen (4.5). Nu het een voorschot betreft, ziet het Gerecht geen aanleiding om de vorderingen ter zake van de loonspecificatie en de wettelijke verhoging toe te wijzen (4.6).
Hetgeen [de werknemer] meer of anders gevorderd heeft, heeft het Gerecht afgewezen. Het hoger beroep van [de werknemer] is gericht tegen die afwijzingen. Het Gerecht heeft de proceskosten gecompenseerd. Ook daartegen is het hoger beroep gericht.
De arbeidsovereenkomst is voldoende duidelijk opgezegd
2.5
De volgens vaste rechtspraak geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, geldt niet voor opzeggingen door de werkgever. Er is geen reden een verklaring van de werkgever, strekkende tot opzegging van de arbeidsovereenkomst, anders te beoordelen dan aan de hand van de maatstaf van art. 3:33 en 3:35 BW. Een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werkgever is niet vereist (vergelijk: HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387). Waar het in dit geval dus om gaat, is of [de werknemer] onder de omstandigheden van het geval aan de e-mail van 10 mei 2021 redelijkerwijze een andere zin mocht toekennen dan die van een opzegging.
2.6 [
[de werknemer] wist dat Hopi Bon de ontslagprocedure in gang had gezet. De e-mail noemt een verzoekschrift om de arbeidsovereenkomst te mogen beëindigen en een verkregen toestemming. Verder heeft de e-mail als onderwerp “ontslag bevestiging”. De arbeidsovereenkomst is daarmee voldoende duidelijk opgezegd, ook al bevat de e-mail niet het woord “opzegging” en noemt die geen opzegtermijn. [de werknemer] kon redelijkerwijs niet betwijfelen dat de e-mail bedoeld was als een opzegging. Een andere goede reden om haar op de hoogte te stellen van de verkregen ontslagvergunning heeft [de werknemer] niet genoemd. Hopi Bon mocht redelijkerwijs ervan uitgaan dat [de werknemer] de bedoeling begreep. Mocht [de werknemer] toch twijfel over de bedoeling gehad hebben, dan lag het op haar weg om daar opheldering over te vragen.
De wettelijke opzegtermijn is niet in acht genomen
2.7
Art. 7a:1615i BW BES luidt als volgt:
1. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een dienstbetrekking die op de dag van opzegging:
a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;
b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;
c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;
d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden;
2. De door de arbeider in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één maand.
3. Indien de toestemming als bedoeld in artikel 4 van de Wet beëindiging arbeidsovereenkomsten BES, respectievelijk de beoordeling als bedoeld in artikel 5 van evengenoemde wet, is gegeven, wordt de door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging verkort met de in artikel 4 respectievelijk 5 van de Wet beëindiging arbeidsovereenkomsten BES genoemde termijn, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging ten minste één maand bedraagt. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden overeengekomen dat de resterende termijn van opzegging als bedoeld in de eerste volzin, korter dan één maand bedraagt.
4. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan slechts bij collectieve arbeidsovereenkomst worden verkort. De termijn kan bij schriftelijke overeenkomst worden verlengd.
5. Van de termijn, bedoeld in het tweede lid, kan bij schriftelijke overeenkomst worden afgeweken. De termijn van opzegging door de arbeider mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die van de arbeider. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan worden overeengekomen dat de termijn van opzegging voor de werkgever als bedoeld in de tweede volzin, wordt verkort, mits die termijn niet korter is dan die voor de arbeider.
6. Voor de toepassing van het eerste lid worden dienstbetrekkingen geacht een zelfde niet onderbroken dienstbetrekking te vormen in geval van herstel van de dienstbetrekking ingevolge artikel 1615t.
2.8
Art.
Conclusie
2.14
Het hoger beroep slaagt gedeeltelijk. Nu partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten in beide instanties gecompenseerd.
B E S L I S S I N G
Het Hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
veroordeelt Hopi Bon tot betaling van een voorschot van USD 2.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van het vonnis van het Gerecht waarvan beroep tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in beide instanties aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, E.M. van der Bunt en G.C.C. Lewin, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 21 maart 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.