Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2022-05-11
ECLI:NL:OGHACMB:2022:47
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,729 tokens
Inleiding
AUA2021H00255
Datum uitspraak: 11 mei 2022
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellant], verblijvend in Venezuela,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van
8 december 2021 in zaak nr. AUA202103528, in het geding tussen:
appellant,
en
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, thans de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij beschikking van 6 januari 2021 heeft de minister de uitzetting van [appellant] bevolen en aan hem een periode van niet toelating opgelegd voor de duur van 48 maanden (hierna: het uitzettingsbevel).
Bij beslissing van 8 december 2021 heeft het Gerecht het verzoek van [appellant] tot schorsing van het uitzettingsbevel, afgewezen.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak gevoegd met zaak nr. AUA2021H00195 ter zitting behandeld op 8 april 2022. [Appellant], vertegenwoordigd door M.L. Hassel, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C.L. Geerman, werkzaam bij de Directie Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
Artikel 53a van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: de Lar) luidt:"Tegen een uitspraak van het Gerecht inzake beroep tegen een beschikking op een bezwaarschrift staat hoger beroep open bij het Hof." Artikel 54 van de Lar luidt:"1. Indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, kan de indiener daarvan aan het Gerecht verzoeken de beschikking onderscheidenlijk de beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering te dienen belang.2. Ook kan op zijn verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid."
[Appellant] is geboren op [geboortedatum] 1988 in Venezuela en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Tijdens een controle bij een restaurant in Aruba is hij aangehouden. Bij de ambtshalve genomen beschikking van 6 januari 2021 heeft de minister de uitzetting van [appellant] bevolen en aan hem een periode van niet-toelating opgelegd voor de duur van 48 maanden. Op 15 januari 2021 heeft hij daartegen bezwaar gemaakt. Gelijktijdig met dat bezwaar heeft hij het Gerecht verzocht om het uitzettingsbevel te schorsen omdat er door een nieuwe aanvraag om een vergunning tot tijdelijk verblijf concreet zicht bestaat op legalisering van zijn verblijf. Het Gerecht heeft dat verzoek bij de beslissing van 17 februari 2021 afgewezen omdat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat concreet zicht bestaat op legalisering van zijn verblijf.
2.1.
Op 17 september 2021 heeft [appellant] het Gerecht verzocht een ordemaatregel te treffen zodat hij de procedure over zijn verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf in Aruba mag afwachten. Bij de beslissing van 13 oktober 2021 heeft het Gerecht dat verzoek afgewezen omdat niet aannemelijk is dat [appellant] onmiddellijk zal worden uitgezet. Namens de minister is namelijk toegezegd dat hij niet zal worden uitgezet zolang geen nieuwe beslissing is genomen op zijn verzoek om een vergunning tot tijdelijk verblijf.
2.2.
Op 23 november 2021 is [appellant] uitgezet. Op 26 november 2021 heeft hij het Gerecht verzocht om het uitzettingsbevel te schorsen en de gevolgen van de uitzetting ongedaan te maken door hem naar Aruba terug te halen. Bij de beslissing van 8 december 2021 is dat verzoek onder meer afgewezen omdat de gemachtigde van de minister van Arbeid, Integratie en Energie (voorheen de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie) niet bevoegd was een toezegging over de uitzetting van [appellant] te doen. Daartegen heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
3. [Appellant] betoogt dat er grond is voor doorbreking van het appèlverbod omdat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De directeur van het Bureau Vreemdelingentoezicht heeft bij de zitting van het Gerecht over de ordemaatregel toegezegd dat niet tot uitzetting zou worden overgegaan en daartoe was hij ook bevoegd.
3.1.
De in hoger beroep aangevallen beslissing is een beslissing van het Gerecht op een verzoek als bedoeld in artikel 54 van de Lar. Hiertegen staat, gelet op artikel 53a van de Lar, geen hoger beroep open bij het Hof. Voor doorbreking van een appèlverbod kan aanleiding bestaan als het Gerecht buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. de uitspraak van het Hof van 17 januari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:21). Hetgeen [appellant] tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat daarvan sprake is. [appellant] bestrijdt het rechtmatigheidsoordeel van het Gerecht over het uitzettingsbevel en in dat verband het oordeel over de stelling dat de minister het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Dat de minister volgens [appellant] het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, heeft, anders dan [appellant] stelt, niet tot gevolg dat het Gerecht met het verwerpen van die beroepsgrond ook het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en daarmee een fundamenteel rechtsbeginsel. Het betoog slaagt reeds hierom niet.
4. Het Hof is onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
5. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022.