Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-15
ECLI:NL:OGHACMB:2023:223
Bestuursrecht
Hoger beroep
1,787 tokens
Inleiding
AUA2023H00105
Datum uitspraak: 15 november 2023
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Aruba,
appellante,
tegen de beslissing van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 26 april 2023 in zaak nr. AUA202203554 in het geding tussen:
appellante
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)
Procesverloop
Bij uitspraak van 6 juli 2022 (zaak nr. AUA202103851) heeft het Gerecht het door [appellante] ingestelde beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door haar gemaakte bezwaar vernietigd en de minister opgedragen om binnen drie maanden een reële beschikking op bezwaar te geven.
Op 14 oktober 2022 heeft [appellante] het Gerecht verzocht om de minister te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak van 6 juli 2022.
Bij beslissing van 26 april 2023 (hierna: aangevallen beslissing) heeft het Gerecht dat verzoek nietontvankelijk verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2023. [appellante] en de minister, vertegenwoordigd door mr. J.J.S. Poeran en mr. Y.F.M. Kaarsbaan, beiden werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
Artikel 53, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (hierna: Lar) luidt:"1. Indien het bestuursorgaan niet binnen de daarvoor gestelde termijn voldoet aan artikel 51, kan de wederpartij bij het Gerecht een verzoek indienen tot toekenning van een vergoeding ten laste van het Land dan wel een verzoek om het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak.2. Bij de beslissing op dit verzoek kan worden bepaald dat het bestuursorgaan aan de wederpartij een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft aan de beslissing te voldoen. De tenuitvoerlegging kan geschieden overeenkomstig Boek 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba." Artikel 53a van de Lar luidt:"Tegen een uitspraak van het Gerecht inzake beroep tegen een beschikking op een bezwaarschrift staat hoger beroep open bij het Hof."
[appellante] heeft op 15 juli 2021 bezwaar gemaakt tegen een door de minister op 23 december 2020 verleende vergunning voor het oprichten van een verbrandingsinstallatie op de locatie Parkietenbos 2. Op 27 december 2021 heeft zij beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op haar bezwaar. Bij de uitspraak van het Gerecht van 6 juli 2022 is de minister opgedragen binnen drie maanden reëel te beschikken. Bij uitspraak van het Hof van 9 augustus 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:146, is de uitspraak van het Gerecht bevestigd. Op 5 maart 2023 heeft de minister op het bezwaar van 15 juli 2021 beschikt en dat bezwaar ongegrond verklaard.
Het Gerecht heeft in de aangevallen beslissing vastgesteld dat de minister op het bezwaar heeft beschikt en daarmee heeft voldaan aan de uitspraak van 6 juli 2022. Het belang bij het verzoek om de minister te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak is daarom komen te vervallen.
[appellante] betoogt in hoger beroep dat er grond is voor doorbreking van het appelverbod omdat het Gerecht haar verzoek om een schadevergoeding buiten bespreking heeft gelaten. Daarmee is een fundamenteel rechtsbeginsel veronachtzaamd, namelijk het recht op een eerlijk proces. Zij verzoekt het Hof om zelf alsnog een schadevergoeding toe te kennen en ook een dwangsom vast te stellen.
4.1.
De aangevallen beslissing is een beslissing van het Gerecht als bedoeld in artikel 53 van de Lar. Hiertegen staat, gelet op artikel 53a van de Lar, geen hoger beroep open bij het Hof. Voor doorbreking van een appelverbod kan aanleiding bestaan als het Gerecht buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, dan wel bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken (vgl. de uitspraak van het Hof van 17 januari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:21). Wat [appellante] tegen de aangevallen beslissing heeft aangevoerd, biedt geen grond voor het oordeel dat in dit geval het appelverbod moet worden doorbroken. Het gegeven dat het Gerecht het verzoek van [appellante] niet heeft besproken , is voor een dergelijk oordeel niet toereikend.
5. Het Hof is onbevoegd om van het hoger beroep, en dus ook het verzoek om zelf een schadevergoeding toe te kennen en een dwangsom vast te stellen, kennis te nemen.
6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
7. Ter voorlichting merkt het Hof nog het volgende op. De bewoordingen "dan wel" in de tekst van artikel 53, eerste lid, van de Lar duiden op een keuzemogelijkheid voor de indiener van een verzoek (zie ook de memorie van toelichting bij de Lar; Staten van Aruba, 1989-1990-102, nr. 3, p. 33). Het Gerecht kan dus òf worden verzocht om toekenning van een vergoeding ten laste van het Land, òf om het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak. Artikel 53, eerste lid, van de Lar biedt niet de mogelijkheid om te verzoeken het bestuursorgaan te verplichten alsnog gevolg te geven aan de uitspraak en daarbovenop te verzoeken om een vergoeding ten laste van het Land. De hier geregelde vergoeding treedt aldus in de plaats van de verplichting alsnog gevolg te geven aan de uitspraak. Anders dan [appellante] betoogt, biedt artikel 53, eerste lid, van de Lar daarom ook geen grondslag voor het Gerecht om in een geval, zoals het voorliggende, waarin het bestuursorgaan alsnog uitvoering geeft aan de uitspraak van het Gerecht, bij de beslissing een (immateriële) schadevergoeding toe te kennen.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023.