Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2022-05-11
ECLI:NL:OGHACMB:2022:43
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,268 tokens
Inleiding
AUA2021H00192
Datum uitspraak: 11 mei 2022
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[Appellant], verblijvend in Aruba,
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 13 september 2021 in zaak nr. AUA202002186, in het geding tussen:
appellant,
en
de minister van Justitie, Veiligheid en Integratie, thans de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister)
Procesverloop
Op 21 april 2020 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op zijn verzoek om vergoeding van schade wegens onrechtmatige bewaring.
Op 8 september 2020 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het door hem gemaakte bezwaar (hierna: de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar).
Bij uitspraak van 13 september 2021 heeft het Gerecht het door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen binnen drie maanden een reële beschikking op bezwaar te geven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 april 2022. [Appellant], vertegenwoordigd door M.L. Hassel, rechtsbijstandverlener, en de minister, vertegenwoordigd door J.M. Harewood, werkzaam bij Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero, zijn verschenen.
Overwegingen
1. [Appellant] is geboren op [geboortedatum] 1976 in Colombia en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Op 29 december 2018 is hij naar Aruba gereisd en op diezelfde dag heeft hij de minister verzocht om internationale bescherming. Bij de ambtshalve gegeven beschikking van 16 februari 2019 heeft de minister de uitzetting van [appellant] bevolen. Bij de beschikking van 25 maart 2019 is het verzoek om internationale bescherming afgewezen. Vervolgens heeft [appellant] de minister op 17 december 2019 verzocht om een schadevergoeding van Afl. 3.040,- wegens onrechtmatige bewaring van 38 dagen omdat het uitzettingsbevel onrechtmatig was. Tegen de fictieve afwijzende beschikking op dat verzoek heeft hij op 21 april 2020 bezwaar gemaakt. Tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar heeft hij beroep ingesteld.
1.1.
Het Gerecht heeft de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar vernietigd en bepaald dat de minister binnen drie maanden een reële beschikking op het bezwaar van 21 april 2020 moet geven. Daarbij heeft het Gerecht een proceskostenvergoeding uitgesproken waarbij een wegingsfactor van 0,25 is gehanteerd.
2. In hoger beroep betoogt [appellant] dat het Gerecht ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Volgens hem moet er, net zoals in Nederland al gebeurt, bij beroepen die gaan over het niet tijdig nemen van een besluit een wegingsfactor van 0,5 worden toegepast.
2.1.
Het Hof overweegt dat het ter beoordeling van het Gerecht is of in verband met de zwaarte van de zaak aanleiding is om een wegingsfactor hoger of lager dan 1 toe te kennen. Daarbij geldt dat de behandeling van een zaak in beroep en hoger beroep in beginsel tot de categorie 'gemiddeld' behoort, tenzij er duidelijke redenen zijn om van dat uitgangspunt af te wijken. Daarvan zal doorgaans sprake zijn als het beroep is gericht tegen het niet tijdig beslissen op een bezwaar (zie de uitspraak van het Hof van 1 december 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:410). In het aangevoerde ziet het Hof dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het Gerecht de zaak ten onrechte als 'zeer licht' heeft aangemerkt en dus een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast. Het betoog slaagt niet.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van het Gerecht moet, voor zover aangevallen, worden bevestigd.
4. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
bevestigt de uitspraak van het Gerecht, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Bel
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022.