Rechtspraak
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e
2023-11-15
ECLI:NL:OGHACMB:2023:217
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,132 tokens
Inleiding
AUA2023H00103
Datum uitspraak: 15 november 2023
gemeenschappelijk hof van jusTitie
van aruba, CURAÇAO, SINT MAARTEN
EN VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba (hierna: het Gerecht) van 3 mei 2023 in zaak nr. AUA202300094, in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Justitie en Sociale Zaken (hierna: de minister van Justitie)
Procesverloop
Op 19 januari 2022 heeft [appellant] de minister van Justitie verzocht de aan hem opgelegde periode van niet-toelating van 42 maanden op te heffen (hierna: het verzoek).
Op 28 mei 2022 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het verzoek (hierna: fictieve afwijzing).
Bij beschikking van 6 januari 2023 heeft de minister van Justitie het bezwaar nietontvankelijk verklaard (hierna: bestreden beschikking).
Bij uitspraak van 3 mei 2023 heeft het Gerecht het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beschikking vernietigd en de minister van Justitie opgedragen binnen twee maanden opnieuw op het bezwaar te beschikken.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het Hof heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2023. [appellant], vertegenwoordigd door M.L. Hassell, rechtsbijstandsverlener, en de minister van Justitie, vertegenwoordigd door mr. V.M. Emerencia en mr. Y.F.M. Kaarsbaan, beiden werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1996 in Colombia en heeft de Colombiaanse nationaliteit. Op 12 december 2017 is hij als toerist Aruba ingereisd. Na het verstrijken van de toegestane verblijfsduur van 39 dagen heeft hij Aruba niet verlaten. Op 12 januari 2021 is hij werkend aangetroffen. Vervolgens heeft de minister van Justitie bij beschikking van diezelfde dag zijn uitzetting bevolen en daarbij vermeld dat aan hem een periode van niettoelating zal worden opgelegd van 42 maanden.
1.1.
Op 2 december 2021 is [appellant] in Colombia gehuwd met [echtgenote], in het bezit van de Nederlandse nationaliteit en wonend in Aruba. In verband daarmee heeft hij de minister van Justitie met toepassing van artikel 11, derde lid, van het Toelatingsbesluit 2009 (hierna: Tb) verzocht de periode van niet-toelating (tijdelijk) op te heffen. Nadat bezwaar is gemaakt tegen de fictieve afwijzing en beroep is ingesteld tegen de fictieve afwijzende beschikking op bezwaar heeft de minister van Justitie bij de bestreden beschikking reëel op het bezwaar beslist en dit nietontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.
Aangevallen uitspraak
2. Het Gerecht heeft vastgesteld dat het bezwaarschrift van 28 mei 2022 niet was gericht tegen het uitzettingsbevel van 12 januari 2021, maar tegen de fictieve afwijzing van het verzoek van 19 januari 2022. Bij eerdere uitspraak van 7 december 2022 is de fictieve afwijzende beschikking op dit bezwaar vernietigd en is bepaald dat de minister van Justitie binnen drie maanden reëel op het bezwaar moet beschikken. De minister van Justitie heeft het bezwaarschrift daarom op verkeerde gronden nietontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
3. [ [appellant] voert aan dat het Gerecht ambtshalve had moeten vaststellen dat de bestreden beschikking onbevoegdelijk is gegeven. Daarvoor wijst hij op de uitspraak van het Gerecht van 17 mei 2023, ECLI:NL:OGEAA:2023:209. De minister van Justitie is niet bevoegd om te beschikken op verzoeken tot opheffing van een periode van niet-toelating als bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Tb. De minister van Arbeid, Integratie en Energie is de bevoegde minister. Verder voert hij aan dat het Gerecht bij de proceskostenveroordeling ten onrechte een wegingsfactor 0,5 heeft toegepast. Het was een inhoudelijk geschil en dus heeft het Gerecht de zaak niet als 'licht' kunnen aanmerken.
3.1.
Het Hof heeft bij uitspraak van 15 november 2023 in zaak nr. AUA2023H00116 (ECLI:NL:OGHACMB:2023:216) geoordeeld dat vanaf 1 maart 2022 uitsluitend de minister van Arbeid, Integratie en Energie bevoegd is tot het bepalen, verkorten of opheffen van een periode van niettoelating. Een verzoek tot verkorting of opheffing bedoeld in artikel 11, derde lid, van het Tb moet dan ook aan de minister van Arbeid, Integratie en Energie worden gericht. Dat is in dit geval, anders dan in de uitspraak van het Gerecht van 17 mei 2023 die heeft geleid tot de uitspraak van het Hof van 15 november 2023, niet gebeurd. [appellant] heeft zijn verzoek tot opheffing gericht aan de minister van Justitie en heeft vervolgens bij dezelfde minister een bezwaarschrift ingediend tegen de fictieve afwijzing. De minister van Justitie was daarom gehouden op het tegen de fictieve afwijzing ingediende bezwaarschrift te beschikken, zoals hem ook is opgedragen door het Gerecht bij de uitspraak van 7 december 2022. Het betoog slaagt niet.
3.2.
Over de toegepaste wegingsfactor bij de proceskostenvergoeding overweegt het Hof als volgt. Het Gerecht heeft een proceskostenveroordeling van Afl. 700,- uitgesproken. In beroep zijn er twee proceshandelingen verricht die voor vergoeding in aanmerking komen, namelijk het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting. Bij toepassing van wegingsfactor 1 hoort daar een bedrag van Afl. 1.400,- bij. Derhalve heeft het Gerecht wegingsfactor 0,5 toegepast. [appellant] voert onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van 1 december 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:410, terecht aan dat het Gerecht in dit geval een wegingsfactor van 1 had moeten toepassen omdat het geschil betrekking had op de ontvankelijkheid van het bezwaar. Het betoog slaagt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het Gerecht een proceskostenveroordeling van Afl. 700,- in plaats van Afl. 1.400,- heeft uitgesproken. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd.
5. De minister moet de proceskosten in beroep en in hoger beroep vergoeden. De proceskosten in beroep bedragen Afl. 1.400,-. Omdat de toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep uitsluitend voortvloeit uit een te laag toegekende proceskostenvergoeding in beroep, wordt daarbij een wegingsfactor van 0,5 toegepast (vgl. opnieuw de uitspraak van het Hof van 1 december 2021). Het Hof stelt de proceskosten in hoger beroep aldus vast op een bedrag van Afl. 700,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).
Dictum
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba:
I. vernietigt de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba van 3 mei 2023 in zaak nr. AUA202300094 voor zover het Gerecht een proceskostenveroordeling van Afl. 700,- heeft uitgesproken;
II. veroordeelt de minister van Justitie en Sociale Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van Afl. 2.100,-, geheel toe te rekenen aan door een derde verleende rechtsbijstand.
III. gelast dat het Land Aruba aan [appellant] het door hem voor
de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht van
Afl. 75,- vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. T.G.M. Simons en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M.C.S. van der Heide, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Van der Heide
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2023.