Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2022-07-06
ECLI:NL:OGEAA:2022:272
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,619 tokens
Inleiding
Uitspraak van 6 juli 2022
Lar nr. AUA202102730
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het beroep in de zin van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Appellante],
wonend in Aruba,
APPELLANTE,
gemachtigde: drs. M.L. Hassell,
gericht tegen:
de minister belast met vreemdelingen- en integratiebeleid,
zetelend te Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. J. Paula (DIMAS).
Procesverloop
Bij beschikking van 19 maart 2019 heeft verweerder de aanvraag van appellante om een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van gezinshereniging, afgewezen.
Hiertegen heeft appellante op 26 april 2019 bezwaar gemaakt.
Bij beslissing van 13 september 2021 (de bestreden beslissing) heeft verweerder voornoemd bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen de bestreden beslissing heeft appellante op 21 september 2021 beroep ingesteld bij dit gerecht.
Het beroep is behandeld ter zitting van 21 februari 2022. Verweerder is bij voornoemde gemachtigde verschenen. Verzoekster is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. Op verzoek van verweerder is de behandeling toen aangehouden, omdat verweerder nog doende was alsnog zijn eerdere beslissing te heroverwegen.
Op 20 mei 2022 heeft verweerder een kopie van de aan appellante verleende vergunning tot tijdelijk verblijf van 26 april 2022 geldig voor de periode vanaf 31 januari 2019 tot 31 januari 2020, overgelegd.
Bij email van 23 mei 2022 heeft appellante gepersisteerd in haar verzoek tot toekenning van schadevergoeding vanwege termijnoverschrijding.
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
1.1
Het gerecht stelt vast dat verweerder, nu hij aan appellante alsnog een vergunning tot tijdelijk verblijf in het kader van gezinshereniging met haar echtgenote [echtgenote] heeft verleend, de afwijzende beschikking alsnog ten voordele van appellante heeft gewijzigd.
1.2
Gelet hierop heeft zij geen belang meer bij het beoordelen van de beslissing op haar bezwaar van 20 april 2019. Het beroep zal derhalve in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.
1.3
Onder de gegeven omstandigheden bestaat aanleiding te gelasten dat het door appellante betaalde griffierecht wordt teruggegeven (artikel 30, tweede lid, van de Lar).
2.1
Met betrekking tot het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding voor het overschrijden van de redelijke termijn, overweegt het gerecht als volgt.
Overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot een vergoeding van immateriële schade, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Heeft de totale procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep langer dan vier jaar geduurd, dan dient per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij de verschillende instanties in beginsel binnen de volgende termijnen zouden moeten worden afgerond: bezwaar een half jaar, beroep anderhalf jaar en hoger beroep twee jaar, terwijl doorgaans de behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel niet te lang is, als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Hieruit vloeit onder meer voort dat indien bij de rechter in eerste aanleg wordt geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn, die rechter bij de beoordeling daarvan moet uitgaan van een termijn van twee jaar (een half jaar plus anderhalf jaar). Voor het bedrag aan schadevergoeding wordt uitgegaan van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond (vgl. GHvJ 18 januari 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:64).
2.2
In dit geval heeft appellante op 26 april 2019 bezwaar gemaakt tegen de afwijzende beschikking op haar vergunningsaanvraag. Bij beslissing van 13 september 2021 heeft verweerder afwijzend op dit bezwaar beslist, en op 26 april 2022, hangende de beroepsprocedure, alsnog zijn beslissing heroverwogen en de verzochte vergunning aan appellante verleend. Hiermee is een einde gekomen aan de onzekerheid van appellante. De behandeling van het bezwaar en het beroep heeft dan ook drie jaar geduurd.
Het gerecht stelt vast dat daarmee de redelijke termijn met één jaar is overschreden, en dat appellante recht heeft op immateriële schadevergoeding. Voor het bedrag aan schadevergoeding wordt uitgegaan van een tarief van Afl. 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Verweerder zal worden veroordeeld tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade van Afl. 1.000,-.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade ten bedrage van Afl. 1.000,- (duizend florin);
- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,- (vijfentwintig florin) aan griffierecht;
- verklaart het beroep overigens niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en wordt geacht in het openbaar te zijn uitgesproken ter zitting van 6 juli 2022 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,
b. de dag van ondertekening,
c. waartegen u in hoger beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75,- verschuldigd.