Rechtspraak
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
2025-06-25
ECLI:NL:OGEAC:2025:207
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,116 tokens
Inleiding
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[EISER],
eiser,
wonend in Curaçao,
en
de Sociale Verzekeringsbank,
verweerder,
gemachtigde: mr. N.S. Dare.
Partijen worden in deze uitspraak hierna [eiser] en de SVB genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van [eiser] tegen de beslissing van de SVB om een deel van de door [eiser] gemaakte kosten voor een dotterbehandeling in Nederland te vergoeden.
1.1
De SVB heeft deze beslissing genomen bij beschikking van 31 mei 2023. Het daartegen door [eiser] gemaakte bezwaar is bij beschikking op bezwaar van 20 november 2023 (de bestreden beschikking) ongegrond verklaard.
1.2
De SVB heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 22 mei 2024 op zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door de heer [A]. De SVB heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en de heer [B], hoofd van de afdeling declaraties bij de SVB.
1.4
Bij email van 28 juni 2024 heeft het Gerecht het onderzoek heropend.
Bij email van 31 juli 2024 heeft het Gerecht een aantal vragen aan de SVB gesteld. De SVB heeft daarop bij akte van 19 augustus 2024 gereageerd. Vervolgens heeft [eiser] bij brief van 16 september 2024 daarop gereageerd.
1.5
Het Gerecht heeft het onderzoek op 17 juni 2025 gesloten.
Beoordeling
2.1
Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
2.2
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van [eiser] ongegrond is. De SVB heeft kunnen volstaan met het vergoeden van een deel van de door [eiser] gemaakte kosten op grond van de richtlijn “Acuut Ziek Buitenland”. Het Land Curaçao moet [eiser] een schadevergoeding betalen van Cg 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van zijn beroep.
2.3
Hierna legt het Gerecht uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1 [
eiser] is geboren op [geboortedatum]. Hij heeft naar eigen zeggen al 38 jaar problemen met zijn hart. Voor die problemen is hij vanuit Curaçao vier keer uitgezonden naar het buitenland, onder meer voor het laten plaatsen van een stent.
3.2
Op 20 juni 2022 is [eiser] in Nederland als hij acuut moet worden gedotterd. Dat gebeurt op die datum in het Elisabeth Tweesteden Ziekenhuis in Tilburg. [eiser] ontvangt voor deze behandeling een factuur van EURO 8.789,26 (Cg 15.795,18).
3.3 [
eiser] heeft de SVB verzocht deze kosten te betalen. In de bestreden besluitvorming komt de SVB tot een vergoeding van Cg 2.916,03. Het restant (Cg 12.879,15) komt voor rekening van [eiser].
Waarom vergoedt de SVB niet meer dan Cg 2.916,03?
4.1
De SVB heeft aan de bestreden besluitvorming ten grondslag gelegd dat [eiser] op 20 juni 2022 acuut ziek is geworden in Nederland. Het uitgangspunt in de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (Lvbz) is dat een verzekerde alleen aanspraak op verstrekkingen kan maken in Curaçao. Als een verzekerde acuut ziek wordt in het buitenland, geldt er de richtlijn "Acuut Ziek Buitenland" die door de SVB is opgesteld en is goedgekeurd door de Minister van Gezondheid, Milieu en Natuur op 20 augustus 2015 (de Richtlijn). Op grond van de Richtlijn vergoedt de SVB de in het buitenland gedane verrichtingen tegen het tarief dat voor die verrichtingen geldt in Curaçao. Als er geen lokaal tarief is voor een bepaalde verrichting, vergoedt de SVB 50% van de kosten.
4.2
In het geval van [eiser] zijn er zes verrichtingen met elk een DBC-code gedaan, die staan vermeld in het excel-overzicht van 2 november 2022. Voor elk van deze verrichtingen is er een lokaal tarief. Dat leidt tot een vergoeding van Cg 2.916,03.
Wat voert [eiser] hiertegen aan?
5.1 [
eiser] voert in beroep aan dat het verschil tussen wat hij aan het ziekenhuis in Tilburg moet betalen en wat hij van de SVB vergoed krijgt onredelijk groot is. Aanvankelijk dacht hij dat bepaalde verrichtingen niet waren vergoed, maar met het in beroep door de SVB overgelegde excel-overzicht van 2 november 2022 blijkt dat alle verrichtingen door de SVB zijn meegenomen.
5.2
Tijdens en na de zitting heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de besluitvorming van de SVB in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Daartoe betoogt [eiser] in de eerste plaats dat de Richtlijn zelf in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Die gaat uit van lokale tarieven, maar die tarieven zijn al sinds de jaren '80 niet meer geïndexeerd. In de tweede plaats betoogt [eiser] dat de toepassing van de Richtlijn voor hem onevenwichtig uitpakt. Hij is een langdurig bij de SVB verzekerde, die leeft van een ouderdomspensioen van Cg 1.800,- per maand en bij ziekte op Curaçao alle kosten vergoed krijgt, ook als hij naar het buitenland moet worden uitgezonden voor behandeling. Hij kan zich bovendien niet aanvullend verzekeren vanwege zijn al jaren bestaande hartproblematiek.
Wat vindt het Gerecht?
6. De beroepsgronden van [eiser] slagen niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
6.1
Artikel 5.4, eerste lid, van de Landsverordening basisverzekering ziektekosten (Lvbz) bepaalt dat de aanspraak op verstrekking slechts hier te lande tot gelding kan worden gebracht. Dit is een keuze van de wetgever die is vastgelegd in de Lvbz, een wet in formele zin. De wetgever heeft op dit uitgangspunt in de wet twee uitzonderingen genoemd. In de eerste plaats als de zorg hier te lande niet kan worden verleend. Dan kan een medische uitzending volgen als bedoeld in artikel 5.4, derde lid, van de Lvbz. In de tweede plaats de verzekerden die gediagnosticeerd zijn met een chronische ziekte en die reeds hiervoor bij of krachtens de Lbvz in behandeling zijn, die hun nodige medische behandeling gedurende een tijdelijk verblijf in het buitenland voortzetten. In dat geval kan ingevolge artikel 5.5, vijfde lid, van de Lvbz de SVB slechts aangesproken worden voor een bedrag gelijk aan het maximale tarief dat geldt voor verstrekkingen die lokaal worden verricht. In het geval er geen lokaal tarief voorhanden is, wordt maximaal de helft van de buitenlandse nota vergoed, aldus de wetgever in artikel 5.5, vijfde lid, van de Lvbz.
6.2
De wetgever heeft geen uitzondering gemaakt voor verzekerden die in het buitenland zijn en aldaar acuut ziek worden. Naar aanleiding van het vonnis van de civiele rechter in dit Gerecht van 3 november 2014 in zaaknummer 65349/2013 heeft de SVB de Richtlijn opgesteld. In de kern heeft de SVB in de Richtlijn bepaald dat verzekerden die tijdens een tijdelijk verblijf in het buitenland geconfronteerd worden met een spoedgeval en daardoor acute medische zorg hebben, per direct aanspraak maken op verstrekkingen bij of krachtens de Lvbz. In de Richtlijn sluit de SVB aan bij de vergoedingsmaatstaf uit artikel 5.5, vijfde lid, van de Lvbz: een bedrag gelijk aan het maximale tarief dat geldt voor verstrekkingen die lokaal worden verricht en in het geval er geen lokaal tarief voorhanden is, wordt maximaal de helft van de buitenlandse nota vergoed.
6.3
Het Gerecht kwalificeert de Richtlijn als buitenwettelijk beleid. De Richtlijn biedt immers een basis voor beschikkingen van de SVB waarvoor geen grondslag in een wettelijk voorschrift is opgenomen. Nu de Richtlijn begunstigend is, is sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid en kan de Richtlijn als bevoegdheidsgrondslag dienen.
6.4
Bij de toetsing van de Richtlijn, die kwalificeert als buitenwettelijk beleid, sluit het Gerecht aan bij de uitspraak van de grote kamer van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:700). Dat betekent dat het Gerecht ook de Richtlijn zal toetsen op rechtmatigheid en daarmee aan hoger geschreven recht, algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Als het gaat om de intensiteit van de exceptieve toetsing van buitenwettelijk beleid is er een verschil met de exceptieve toetsing van binnenwettelijk beleid. Bij buitenwettelijk beleid wordt de beslissingsruimte die het bestuursorgaan heeft om zijn beleid te bepalen, niet ingekaderd door de formulering en de systematiek van wettelijke voorschriften. Die zijn er immers niet. De beslissingsruimte is dus groot, wat in beginsel leidt tot een terughoudender toets dan bij binnenwettelijk beleid.
6.5
De kern van het probleem dat [eiser] heeft met de Richtlijn is de door de SVB gehanteerde vergoedingsmaatstaf. Het doel van de Richtlijn is om verzekerden die acuut ziek worden in het buitenland wel een vergoeding toe te kennen ondanks dat de wet dit niet regelt en tegelijkertijd het financieel beheersbaar houden van het wettelijke stelsel zoals neergelegd in de Lvbz. De gehanteerde vergoedingsmaatstaf is daarvoor ook een geschikt middel.
Conclusie
9. De beroepsgronden van [eiser] tegen de bestreden beschikking slagen niet. Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft. De SVB hoeft niet meer te vergoeden voor de dotterbehandeling van [eiser] in Nederland dan zij tot nu toe heeft vergoed.
10. Het land Curaçao wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [eiser] geleden immateriële schade als gevolg van de door het Gerecht overschreden redelijke termijn voor de behandeling van zijn zaak.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt het land Curaçao (het ministerie van Justitie) tot betaling aan [eiser] van een vergoeding van immateriële schade van Cg. 500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Aldus vastgesteld door mrs. S. Lanshage, voorzitter, J. Sybesma en P. Klik, leden, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025, in tegenwoordigheid van P.N.F. Pereira do Tanque, griffier.
Beoordeling
Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de gehanteerde vergoedingsmaatstaf past het Gerecht meer terughoudendheid, zoals in de overweging 6.4 bedoeld. Naar het oordeel van het Gerecht heeft de SVB bij het opstellen van de Richtlijn voor het bepalen van de vergoedingsmaatstaf kunnen aansluiten bij de vergoedingsmaatstaf die de wetgever heeft gehanteerd in artikel 5.5 van de Lvbz. Immers, de vergoedingsmaatstaf in dat artikel is door de wetgever gehanteerd voor de wettelijke uitzondering die voor chronisch zieken is gemaakt op de hoofdregel dat aanspraak op verstrekkingen slechts hier te lande tot gelding kunnen worden gebracht. De SVB heeft in de Richtlijn een buitenwettelijke uitzondering gemaakt voor verzekerden die acuut ziek worden in het buitenland. Het ligt dan voor de hand om qua vergoedingsmaatstaf aan te sluiten bij de wettelijke uitzondering. Gelet op het voorgaande en de welbewuste keuze van de wetgever voor deze maatstaf bij de uitzondering op de hoofdregel voor de chronisch zieken, ziet het Gerecht in wat eiser aanvoert geen grond voor het oordeel dat de Richtlijn zelf in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dat de lokale tarieven al lange tijd niet geïndexeerd zijn, is van betekenis bij de vraag of de toepassing van de Richtlijn onevenwichtig uitpakt. Het niet-indexeren van de lokale tarieven leidt echter niet tot de conclusie dat de Richtlijn en de daarin gehanteerde vergoedingsmaatstaf in strijd met het evenredigheidsbeginsel zijn.
6.6
Het bestuursorgaan is verplicht te handelen overeenkomstig zijn beleid. Deze verplichting vloeit voort uit het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Tussen partijen is niet in geschil, en ook het Gerecht stelt vast, dat de SVB in dit geval heeft gehandeld conform haar beleid in De Richtlijn. De vraag is dan vervolgens of de voor [eiser] nadelige gevolgen van het toepassen van het beleid onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Die vraag beantwoordt het Gerecht ontkennend. Het is juist dat [eiser] nadelige gevolgen ondervindt van toepassing van het beleid. Het overgrote deel van de kosten van de dotterbehandeling in Nederland komt voor zijn rekening. Dat is een grote last voor hem, gelet op zijn geringe inkomen. Deze nadelige gevolgen zouden verder ook geringer zijn als de lokale tarieven waarop de vergoedingsmaatstaf is gebaseerd in de loop der tijd geïndexeerd zouden zijn. Van onevenredig nadelige gevolgen in verhouding tot de met het beleid te dienen doel, namelijk het financieel beheersbaar houden van het wettelijke stelsel zoals neergelegd in de Lvbz, is echter geen sprake. Dat doel is belangrijk, niet alleen voor [eiser] maar ook voor alle andere verzekerden onder de Lvbz. Het is niet zo dat [eiser] helemaal geen vergoeding heeft gekregen. De Lvbz heeft als hoofdregel dat alleen aanspraak op verstrekkingen in Curaçao bestaat. Als verzekerde onder de Lvbz wist [eiser], of had hij kunnen weten (bijvoorbeeld door hiernaar te informeren bij de SVB), dat hij met het naar het buitenland gaan een bepaald risico loopt. Het ligt op de weg van de verzekerde om dat risico in te schatten en een afweging te maken.
Overschrijding redelijke termijn
7. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:64, voor wat betreft overschrijdingen van de redelijke termijn aansluiting gezocht bij de vaste rechtspraak van de hoogste rechtscolleges in Nederland. Uit die vaste rechtspraak volgt dat het Gerecht of het Hof in beginsel niet ambtshalve gehouden is om te beoordelen of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden wanneer niet over de duur van de procedure wordt geklaagd of een verzoek om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is gedaan. Het Hof en het Gerecht volgen die rechtspraak. Dat betekent dat de bestuursrechter niet gehouden is ambtshalve te beoordelen of er aanleiding is voor toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Dat is slechts anders indien ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de uitspraaktermijn van zes weken bij het Gerecht ook niet te voorzien was. In deze gevallen moet het Gerecht ambtshalve beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en zo nodig ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen. Het Gerecht wijst op de uitspraak van het Hof van 25 september 2024 (ECLI:NL:OGHACMB:2024:178).
8. Dit betekent het volgende voor de situatie van [eiser]. Vaststaat dat hij op 8 juni 2023 bij de SVB bezwaar heeft gemaakt tegen de bestreden beschikking. Het Gerecht heeft aanvankelijk het onderzoek ter zitting op 22 mei 2024 gesloten en daarbij bepaald dat binnen zes weken op 3 juli 2024 uitspraak wordt gedaan. Deze datum ligt binnen de redelijke termijn van twee jaar. Er was ten tijde van de zitting geen overschrijding van de redelijke termijn en deze was gelet op de gegeven uitspraaktermijn van zes weken ook niet te voorzien. De uitspraak is echter pas gedaan op 25 juni 2025. De behandeling van het bezwaar en beroep heeft daarmee iets meer dan twee jaar geduurd. De redelijke termijn is dus met 17 dagen overschreden. Gelet op het tijdsverloop tussen het onderzoek ter zitting op 22 mei 2024 en de uitspraak van 25 juni 2025 is de termijnoverschrijding geheel toe te rekenen aan het Gerecht. Het land Curaçao (het ministerie van Justitie) moet daarom worden veroordeeld tot vergoeding van door [eiser] geleden immateriële schade van Cg. 500,-