Rechtspraak
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
2021-11-29
ECLI:NL:OGEAA:2021:691
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,540 tokens
Inleiding
Parketnummer: P-2020/02095
Zaaknummer: 679 van 2021
Uitspraak: 29 november 2021 Tegenspraak
Vonnis van dit Gerecht
in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1974 in [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats], [adres](volgens eigen opgave ter terechtzitting).
Onderzoek van de zaak
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. De verdachte is, zonder bijstand van een advocaat, ter terechtzitting verschenen.
De officier van justitie, mr. W.E.M. van Erp, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een geldboete van Afl. 10.000,-, subsidiair 85 dagen ver-vangende hechtenis.
De verdachte heeft verweer gevoerd.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
1
dat hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Aruba als schipper van de vissersboot genaamd “[naam vissersboot]” niet binnen zes uur na aankomst van genoemd schip, genoemd schip heeft doen inklaren bij de daartoe door de Inspecteur aangewezen ambtenaar, onder vertoning van de scheepspapieren van alle goederen die zich in het schip bevinden, onverschillig of die goederen al dan niet aan invoerrechten of accijns onderworpen zijn.
(artikel 12 jo artikel 17 Landsverordening in-, uit- en doorvoer Aruba)
2.
dat verdachte op 18 maart 2020 in Aruba een partij kauwtabak (1656 potjes kauwtabak van 18 gram per stuk) niet heeft (laten) aangeven;
(artikel 53 jo artikel 233 van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer)
Formele voorvragen
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
1.
dat hij op of omstreeks 18 maart 2020 te Aruba als schipper van de vissersboot genaamd “[naam vissersboot]” niet binnen zes uur na aankomst van genoemd schip, genoemd schip heeft doen inklaren bij de daartoe door de Inspecteur aangewezen ambtenaar, onder vertoning van de scheepspapieren van alle goederen die zich in het schip bevinden, onverschillig of die goederen al dan niet aan invoerrechten of accijns onderworpen zijn.
2.
dat verdachte op 18 maart 2020 in Aruba een partij kauwtabak (1656 potjes kauwtabak van 18 gram per stuk) niet heeft (laten) aangegeven.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Aruba.
Feiten
1. De verklaring van de verdachte, op 8 november 2021 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:
Op de bewuste dag ging ik vis halen bij een Venezolaanse boot. Ik heb de vissen niet zelf gevangen. De afspraak was dat ik 100 kilo vis voor mezelf zou halen en 200 kilo vis voor een ander. Toen ik bij de Venezolaanse boot aankwam kreeg ik slechts 100 kilo vis. Men zei om dan de doosjes tabak mee te nemen. Ik nam de tabak mee. Ik werd bij [locatie1] aangetroffen, ik kwam net aan.
Ik had de vissen in de boot en eronder lag de tabak. Ik weet dat ik goederen bij binnenkomst moet inklaren. Ik heb de tabak niet ingeklaard. Ik heb geen invoerrechten betaald.
2. Processen-verbaal van bekeuring (in kopie) en aanvulling d.d. 8 mei 2020 respectievelijk 29 januari 2021 (met bijlage), voor zover inhoudende, als relaas van de verbalisant, -zakelijk weergegeven-:
Op 18 maart 2020 werd ik door de Maritieme Politie geïnformeerd dat zij door de Kustwacht op de hoogte werd gesteld dat een boot vanuit Venezolaanse wateren kwam.
De Maritieme Politie kwam met de vissersboot “[naam vissersboot]” aan bij de haven van Barcadera en informeerde mij dat zij de boot tegenkwam in de buurt van [locatie1]. Bij het aanmeren van de boot vroeg ik aan de kapitein, [verdachte], waarom hij niet kwam inklaren, waarbij hij verklaarde dat hij gewoon bij [locatie2] zou aanmeren.
Bij visitatie constateerde ik dat naast een partij vissen, een partij kauwtabak aan boord was, die heimelijk verscholen was onder de partij vissen. De aangetroffen kauwtabak werd vervolgens door mij geïnventariseerd. Bij de inventarisatie bleek de partij kauwtabak te bestaan uit 1656 kunststof potjes van 18 gram elk, met een totaalgewicht van 30 kilogram. De aangetroffen kauwtabak vertegenwoordigt
Afl. 6.345 aan invoerrechten.
Uit het vaarbewijs van de kapitein kon ik het volgende opmaken:
naam en voornamen: [verdachte]
geboortedatum en -plaats: [geboorteplaats], [geboortedatum] 1974
vaarbewijsnummer: [hoofdletters] [cijfers].
Bewijsoverwegingen
Feit 1
De verdachte heeft gesteld -naar het Gerecht begrijpt- dat hij zijn vissersboot niet hoefde in te klaren, omdat hij als Arubaanse visser met een partij vis Aruba binnenkwam en daarom van inklaring was uitgezonderd.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staan voor het Gerecht de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 18 maart 2020 kwam de verdachte met zijn vissersboot “[naam vissersboot]” Aruba binnen. Hij was de schipper van de boot en meerde aan bij [locatie1]. Aan boord had de verdachte een partij vis en een aanzienlijke hoeveelheid potjes kauwtabak, die hij beide in Venezuela van een Venezolaanse boot had verworven. Ter terechtzitting heeft de verdachte erkend de vis niet zelf te hebben gevangen.
Vooropgesteld moet worden dat de wetgever met de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (hierna: LIUD) naast een heffingenstelsel tevens een stelsel van formaliteiten en toezicht in het leven heeft geroepen met betrekking tot alle het Land Aruba binnenkomende en uitgaande goederen. Middels de uit dit stelsel voortvloeiende bevoegdheden houdt de douane toezicht op goederen en op de vervoermiddelen waarin of waarop zij zich eventueel bevinden. Deze goederen worden via wettelijk voorgeschreven handelingen - zoals het inklaren, het doen van aangifte en het uitklaren - het land in-, uit- of doorgevoerd.
Voorts wordt vooropgesteld dat de wetgever in artikel 11 LIUD drie zeehavens (Paardenbaai, Barcadera en San Nicolaas) en de luchthaven als exclusieve locaties heeft aangewezen via welke goederen Aruba mogen binnenkomen. De voor-schriften van de LIUD zijn ingevolge artikel 2 van deze wet van toepassing op het gebied van het Land Aruba.
Het Gerecht concludeert uit het bovenstaande dat het uit de LIUD voortvloeiende stelsel van formaliteiten en toezicht van toepassing is op eenieder - onder wie de schipper en zijn vaartuig - die Aruba via een van de aangewezen havens binnenkomt. Tegen deze achtergrond dient de schipper zijn vaartuig ingevolge artikel 12, eerste lid LIUD, in te klaren.
De wetgever heeft echter in artikel 17 LIUD schippers van Arubaanse vissersvaartuigen van inklaring uitgezonderd, mits zij aan een aantal voorwaarden voldoen. Zij dienen met hun vaartuig van de visvangst terug te keren en niets anders aan boord te hebben dan vis, zaken die voor de uitoefening van hun vissersbedrijf nodig zijn en voedingsmiddelen bestemd voor de bemanning van hun vaartuigen.
De verdachte heeft zich, naar het oordeel van het Gerecht, met zijn vissersboot begeven naar Venezuela waar hij een partij (niet door hemzelf gevangen) vis is gaan halen, die hij naar Aruba heeft getransporteerd. Daarnaast heeft de verdachte een aanzienlijke hoeveelheid kauwtabak aan boord gehad, welk product naar het oordeel van het Gerecht niet gecategoriseerd kan worden als een door artikel 17 LIUD vereiste zaak benodigd voor de uitoefening van het vissersbedrijf noch als de eveneens vereiste voedingsmiddelen bestemd voor de bemanning van het vaartuig.
Het Gerecht is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de uitzondering van artikel 17 LIUD niet op de verdachte en zijn vaartuig van toepassing is en dat hij en zijn vaartuig onder de werking van artikel 12, eerste lid, LIUD, vallen. De verdachte moest zich dientengevolge met zijn vissersvaartuig bij een van de aangewezen zeehavens vervoegen om het vaartuig in te klaren.
Verdachtes verweer wordt derhalve verworpen.
Verweren ten aanzien van de strafbaarheid
Ter terechtzitting heeft de verdachte aangevoerd dat hij niet wist dat hij invoerrechten op de kauwtabak verschuldigd was.
Voor zover de verdachte heeft bedoeld te stellen dat hem geen schuld treft, omdat hij niet op de hoogte was van de hier te lande geldende regels in verband met de invoer van de kauwtabak, overweegt het Gerecht als volgt.
Voorop wordt gesteld dat voor strafbaarheid van een verdachte geen plaats is, indien de gedraging wordt verontschuldigd door een verkeerd inzicht (onbewustheid) van die verdachte in het verboden zijn - de ongeoorloofdheid - van de hem verweten gedraging naar Arubaans recht. Verontschuldigbare rechtsdwaling veronderstelt het doen van inspanningen om van de geldende normen op de hoogte te zijn.
Ter terechtzitting heeft de verdachte echter blijk gegeven op de hoogte te zijn van de lokale geldende wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende verplichtingen, met name ter zake van de invoer van de kauwtabak. Hij heeft erkend te weten dat goederen bij binnenkomst in Aruba moeten worden ingeklaard alsmede geen invoerrechten op de kauwtabak te hebben betaald. Zelfs indien een erkenning zijnerzijds zou zijn uitgebleven, wordt de verdachte - een lokale visser die dagelijks bij de uitoefening van zijn beroep in contact komt met de douane - verondersteld op de hoogte te zijn van de hier te lande vigerende normen. Bovendien heeft elke op Aruba woonachtige burger een zelfstandige verplichting om zich omtrent de lokale geldende wet- en regelgeving te informeren én om aan die wet- en regelgeving te voldoen. Dat zijn handelen in een verboden gedraging is uitgemond heeft de verdachte aan zichzelf te wijten.
Naar het oordeel van het Gerecht is derhalve geen sprake van een verontschuldigbare rechtsdwaling ter zake van het recht.
Ook dit verweer van de verdachte slaagt niet.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
1.
Dictum
Het Gerecht:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van Afl. 8.000,- (zegge: achtduizend florin), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door honderdzestig (160) dagen hechtenis;
bepaalt dat de geldboete in zestien (16) maandelijkse termijn van elk Afl. 500,- (zegge: vijfhonderd florin) mag worden voldaan.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.M. de Werd, bijgestaan door mw. L.H. Hoogenbergen, (zittingsgriffier), en op 29 november 2021 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.
uitspraakgriffier:
Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften van de Inspectie Invoerrechten en Accijnzen Aruba (Sectie Haven) d.d. [datum1] en [datum2], geregistreerd onder proces-verbaalnummers [nummer1] en [nummer2].
Artikel 11 lid 1 LIUD i.c.m. artikel 1 van het Landsbesluit aanwijzing zeehavens en redegebieden (AB 2014 no. 7)
HR 31 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8322