Rechtspraak
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
2025-10-20
ECLI:NL:OGAACMB:2025:95
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,811 tokens
Inleiding
Uitspraak van 20 oktober 2025
Gaza nr. AUA20250110
HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA
UITSPRAAK
op het bezwaar in de zin van
de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:
[Klager],
wonend in Aruba,
KLAGER,
gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,
tegen:
DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).
INLEIDING
1.1
In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het bezwaar van klager gericht tegen het landsbesluit van 29 januari 2025 no. 15 (het bestreden landsbesluit), waarbij verweerder heeft besloten om klager:
I. met toepassing van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder i, van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma), met ingang van de dag na dagtekening van dit landsbesluit de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen, althans;
II. voor zover de onder I genoemde ontslaggrond komt te vervallen klager met toepassing van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, van de Lma eervol ontslag te verlenen met ingang van dagtekening van dit landsbesluit.
1.2
Klager heeft op 11 april 2025 voornoemd bezwaar ingediend bij het gerecht.
1.3
Verweerder heeft op 28 juli 2025 een contramemorie met stukken ingediend.
1.4
Het gerecht heeft de zaak behandeld ter zitting van 25 augustus 2025. Klager is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd.
1.5
De uitspraak is vervolgens bepaald op vandaag.
Beoordeling
2.1
Het gerecht komt tot het oordeel dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Niettemin acht het gerecht gronden aanwezig om het bezwaar van klager gegrond te verklaren. De subsidiaire ontslaggrond, te weten het ongeschiktheidsontslag, houdt evenmin stand.
2.2
Het gerecht legt hierna dit oordeel uit.
Wat is van belang om te weten?
3.1
Klager is als ambtenaar werkzaam in de functie van assistent keurmeester bij de Directie Volksgezondheid (DVG).
3.2
Bij brief van 5 oktober 2022 heeft het managementteam van de DVG aan het Departamento di Recurso Humano (DRH) bericht dat klager zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim.
3.3
Bij beslissing van 21 oktober 2022 is klager de toegang tot zijn werkplek, dienstlokalen, -gebouwen, en -voertuigen voor de duur van zes weken ontzegd. Deze toegangsontzegging is met ingang van 2 december 2022 met zes weken verlengd.
3.4
Bij landsbesluit van 11 januari 2023, no. 13, is klager geschorst in zijn ambt totdat het bevoegd gezag een beslissing heeft genomen over het opleggen van een disciplinaire straf.
3.5
Bij advies van het DRH van 22 december 2024 is verweerder geadviseerd klager in zijn ambt te schorsen.
3.6
Bij brief van 29 november 2023 heeft verweerder klager bericht dat hij zich vermoedelijk schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim en hem in de gelegenheid gesteld om zich ten aanzien van de verweten gedragingen te verantwoorden.
3.7
Bij brief van 19 december 2023 heeft verzoeker zich ten aanzien van de verweten gedragingen verantwoord.
3.8
Bij advies van het DRH van 20 september 2024 is geadviseerd om aan klager, gelet op de ernst van de gedragingen, de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen, dan wel subsidiair eervol ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn ambt.
3.9
Bij het bestreden landsbesluit heeft verweerder, conform het advies van het DRH, besloten.
Wat wordt klager verweten?
4.1
Aan klager wordt verweten dat hij ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd. In het bestreden landsbesluit wordt klager ervan beschuldigd dat:
1. hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van zijn functie door op onrechtmatige wijze interne documenten te gebruiken of aan derden te verstrekken, mogelijk in ruil voor een gift of een belofte;
2. hij onder werktijd en met dienstgoederen meerdere documenten (vergunningsaanvragen) voor derden heeft opgesteld ten bate van particuliere belangen, mogelijk in ruil voor een gift of belofte;
3. hij interne stukken aan (onbevoegde) derden heeft verstrekt doordat de vergunningsaanvragen tevens kopieën bevatten van interne stukken van de DVG;
4. hij regelmatig zelf navraag heeft gedaan bij het bureau van de minister van Toerisme en Volksgezondheid (de minister) over onder meer vergunningsaanvragen, terwijl dit niet gebruikelijk is en via het hoofd van de dienst behoort te verlopen;
5. hij nevenwerkzaamheden verricht waarvoor hij geen toestemming heeft, en waarbij de betreffende activiteiten de schijn van belangenverstrengeling wekken;
6. hij een verblijfsvergunningsaanvraag (verzoek dispensatie verblijf) voor een derde heeft opgesteld en deze naar het bureau van de minister van Arbeid, Energie en Integratie heeft gestuurd;
7. het voorts erop lijkt dat er een onderonsje is tussen klager, personeel van de Dienst Brandweer en de heer [betrokkene], aangezien men aangaf klager te hebben verwacht voor de inspectie.
4.2
Verweerder heeft voorts in het bestreden landsbesluit – samengevat – geconcludeerd dat klager in hoge mate heeft tekortgeschoten in zijn verantwoordelijkheid en verplichtingen als een goed ambtenaar. Ook wordt geconcludeerd dat bij klager de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist, ontbreken. Dit wijst erop dat hij ongeschikt is voor de door hem beklede functie. Vanwege de aard en ernst van het grensoverschrijdend gedrag van klager, in samenhang met de aard van de functie, wordt afgezien van het bieden van een verbeterkans.
Wat is het standpunt van klager?
5. Klager betwist dat sprake is van ernstig plichtsverzuim dat disciplinair ontslag rechtvaardigt. Volgens hem is de opgelegde maatregel disproportioneel in verhouding tot de aard en ernst van zijn gedragingen. Klager stelt dat hij mogelijk de geldende regels niet correct heeft toegepast, maar wijst erop dat hij volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek en in zijn verantwoording uitvoerig op de feiten is ingegaan. De disciplinaire maatregel acht hij daarom onredelijk en onbillijk. Ook het subsidiaire ongeschiktheids-ontslag vindt hij onterecht.
Wat zegt de wet?
6. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel maakt van deze uitspraak.
Is er sprake van plichtsverzuim?
7. Het gerecht dient te beoordelen of verweerder aan klager terecht disciplinair strafontslag wegens plichtsverzuim heeft opgelegd, dan wel hem subsidiair eervol ontslag heeft verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn ambt.
8. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997), waarbij het gerecht aansluit, noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.
9. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat het thans uitsluitend gaat om de verweten gedragingen vermeld onder de punten 1 tot en met 6 (zie overweging 4.1). Het gerecht begrijpt hieruit dat klager niet langer wordt beschuldigd van de in punt 7 omschreven gedraging en zal deze dan ook buiten beschouwing laten bij de beoordeling.
Ten aanzien van de gedragingen omschreven onder de punten 1 en 2 heeft verweerder verklaard dat niet is gebleken dat deze hebben plaatsgevonden in ruil voor een gift of een belofte. Het gerecht gaat er derhalve van uit dat hiervan geen sprake is.
10. Van de in het bestreden landsbesluit verweten gedragingen, is naar het oordeel van het gerecht komen vast te staan dat klager:
zonder toestemming gedurende werktijd en met gebruikmaking van een dienstcomputer, zeventien aanvragen voor een tijdelijke restaurant- en/of slijtvergunning, alsmede één aanvraag voor een verblijfsvergunning, ten behoeve van derden heeft opgesteld. Bij drie van de zeventien aanvragen voor een tijdelijke restaurant- en/of slijtvergunning heeft hij gebruikgemaakt van het dienstvoorblad van DVG en daaraan interne adviezen van de directeur Directie Wetgeving en Juridische Zaken (DWJZ) aan de directeur DVG toegevoegd;
rechtstreeks contact heeft opgenomen met de minister om te informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de ingediende aanvragen voor een restaurant- en of slijtvergunning.
Deze gedragingen blijken afdoende uit de stukken en zijn door klager niet weersproken.
11. Klager stelt zich op het standpunt dat deze gedragingen evenwel geen plichtsverzuim in de zin van de Lma opleveren.
Conclusie
16. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar van klager gegrond dient te worden verklaard.
17. Verweerder zal worden veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van klager, welke worden begroot op een bedrag van Afl. 1.400,-.
Dictum
De rechter in dit gerecht:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- vernietigt het landsbesluit van 29 januari 2025, no. 15;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door klager voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Martijn, ambtenarenrechter, bijgestaan door mr. drs. A.A. Wever, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 oktober 2025, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij de Raad van Beroep in ambtenarenzaken (RvBAz).
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen 30 dagen:
als de indiener van het hoger beroep of zijn gemachtigde bij de uitspraak aanwezig is geweest: binnen 30 dagen na de dag van de uitspraak;
in de andere gevallen: binnen 30 dagen na de dag van de toezending of de terhandstelling van een afschrift van de uitspraak.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment kunnen worden ingediend.
Voor het instellen van hoger beroep is geen griffierecht verschuldigd.
Bijlage bij de uitspraak van 20 oktober 2025 (AUA202501110)
Het wettelijke kader
De Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma)
Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Lma is de ambtenaar gehouden de plichten uit zijn ambt voortvloeiende nauwgezet en ijverig te vervullen en zich te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.
Artikel 49, eerste lid, bepaalt – voor zover hier van belang – dat de ambtenaar verplicht is de gehele voor hem voorgeschreven werktijd aan de zaken van de overheid te wijten. Het tweede lid bepaal dat het de ambtenaar verboden is gedurende de voorgeschreven werktijd zich bezig te houden met de behartiging van particuliere belangen van zichzelf of van derden.
Artikel 55, eerste lid, bepaalt – voor zover hier van belang – dat de ambtenaar verplicht is zich te gedragen naar hetgeen voor hem is bepaald ten aanzien van het verrichten van nevenwerkzaamheden. Het derde lid bepaalt – voor zover hier van belang – dat aan de ambtenaar in geen geval toestemming zal worden verleend nevenwerkzaamheden te verrichten, indien dit:
a. schadelijk kan zijn voor zijn dienstvervulling;
b. niet in overeenstemming is met het aanzien van zin ambt.
Ingevolge het vierde lid worden de regelen overeenkomstig het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel worden vastgesteld bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen.
Ingevolge artikel 58, eerste lid, is het de ambtenaar verboden overheidsgoederen te gebruiken ten bate van particuliere belangen van zichzelf of van derden.
Artikel 62, eerste lid, bepaalt dat de ambtenaar verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in zijn ambt ter kennis is gekomen, voor zover die verplichting uit de aard der zaak volgt of hem uitdrukkelijk is opgelegd,
Ingevolge artikel 82, eerste lid, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.
Ingevolge het tweede lid omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.
Op grond van artikel 83, eerste lid en onder i, is de disciplinaire straf, welke kan worden toegepast, ontslag.
Ingevolge artikel 98, eerste lid, aanhef en onder f, kan de ambtenaar, buiten de gevallen hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, slechts worden ontslagen op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Ingevolge het tweede lid wordt een ontslag op grond van dit artikel steeds eervol verleend.
Het Landsbesluit nevenbetrekkingen en nevenwerkzaamheden ambtenaren
Artikel 1 bepaalt – voor zover hier van belang – het aan ambtenaren, tenzij daartoe schriftelijke vergunning is verleend, verboden is nevenwerkzaamheden te verrichten.
Beoordeling
Ter motivering van dit standpunt voert hij aan dat:
i) hij zijn geheimhoudingsplicht niet heeft geschonden en evenmin misbruik heeft gemaakt van zijn functie;
ii) het opstellen van de vergunningsaanvragen niet kan worden aangemerkt als nevenwerkzaamheden in de zin van de Lma;
iii) hij geen (procedure)regels heeft geschonden.
Het gerecht overweegt hierover als volgt.
geheimhoudingsplicht/misbruik van functie
11.1
Klager stelt dat de door hem gebruikte dienstvoorbladen en adviezen standaarddocumenten zijn die gebruikelijk worden gevoegd bij aanvragen voor restaurant- en/of slijterijvergunningen. Bovendien zijn de betreffende aanvragen, met inbegrip van de daarbij gevoegde documenten, bij de minister ingediend en – zo begrijpt het gerecht – niet extern verspreid. Van schending van de geheimhoudingsplicht of misbruik van functie kan derhalve geen sprake zijn.
11.2
Verweerder is daarentegen van mening dat klager wél zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden en misbruik heeft gemaakt van zijn functie, nu hij uitsluitend in de uitoefening van die functie over voornoemde interne stukken beschikte en deze vervolgens aan (onbevoegde) derden heeft verstrekt.
11.3
Vaststaat dat klager bij drie van de zeventien aanvragen voor een tijdelijke restaurant- en/of slijtvergunning die hij ten behoeve van derden heeft opgesteld, interne adviezen van de directeur DWJZ aan de directeur DVG heeft gevoegd. Voorts is gebleken dat klager deze aanvragen aan de betreffende derden heeft overhandigd, opdat zij deze zelf bij de minister zouden indienen. Daarmee heeft klager adviezen, waarover hij enkel uit hoofde van zijn functie beschikte, aan derden verstrekt, terwijl deze uitsluitend voor intern gebruik bestemd waren en niet ter kennis van derden mochten worden gebracht. Gelet hierop is sprake van het extern verspreiden van interne stukken. Naar het oordeel van het gerecht heeft klager zich zodoende schuldig gemaakt aan schending van zijn geheimhoudingsplicht en aan misbruik van functie.
nevenwerkzaamheden
11.4
Over het verwijt dat hij zonder toestemming nevenwerkzaamheden heeft verricht voert klager het volgende aan. De procedure tot het verkrijgen van een definitieve restaurant- of slijtvergunning duurt doorgaans zeer lang, waardoor vergunningaanvragers financieel nadeel lijden omdat zij de huur van de betreffende lokaliteit moeten blijven voldoen zonder te kunnen exploiteren. Om die reden heeft klager derden geholpen bij het opstellen van aanvragen voor een tijdelijke vergunning, zodat zij in afwachting van de definitieve vergunning toch konden exploiteren. Klager beschouwt dit als een vorm van dienstverlening en behulpzaamheid, zonder enig eigen belang of voordeel. Bovendien heeft het opstellen van deze aanvragen zijn reguliere werkzaamheden niet belemmerd. Dit alles maakt – aldus klager – dat geen sprake is van nevenwerkzaamheden in de zin van artikel 55 van de Lma.
11.5
Verweerder heeft hiertegen ingebracht dat voor het aanmerken van werkzaamheden als nevenwerkzaamheden niet is vereist dat klager daar enig persoonlijk voordeel uit heeft genoten. Ook werkzaamheden die op vrijwillige basis worden verricht, kunnen als zodanig worden beschouwd. Daarnaast is het opstellen van vergunningsaanvragen ten behoeve van derden volgens verweerder onverenigbaar met de functie van klager bij DVG en brengt dit een risico op belangenverstrengeling met zich.
11.6
Naar het oordeel van het gerecht is het handelen van klager aan te merken als het verrichten van nevenwerkzaamheden in de zin van artikel 55 Lma.
Het behoort immers niet tot de reguliere taakuitoefening van klager om namens derden aanvragen voor (tijdelijke) vergunningen op te stellen. Door dergelijke handelingen te verrichten heeft klager feitelijk werkzaamheden verricht die buiten de reikwijdte van zijn ambtelijke functie vallen en die bovendien kunnen raken aan belangen die de overheid rechtstreeks aangaan.
Dat klager voor deze werkzaamheden geen (financiële) beloning heeft ontvangen, doet aan het karakter van nevenwerkzaamheden niet af. Artikel 55 Lma stelt immers niet als vereiste dat sprake moet zijn van beloning of winstbejag; ook werkzaamheden die op vrijwillige basis worden verricht, vallen daaronder, mits zij naast de ambtelijke betrekking plaatsvinden en zonder voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag zijn uitgevoerd.
Artikel 55 Lma beoogt te waarborgen dat ambtenaren zich onthouden van nevenactiviteiten die — al dan niet potentieel — kunnen leiden tot belangenverstrengeling of afbreuk aan het vertrouwen in de overheid. Nu klager zonder voorafgaande toestemming van het bevoegd gezag nevenwerkzaamheden heeft verricht, heeft hij gehandeld in strijd met het in artikel 55 Lma.
navraag bij het bureau van de minister
11.7
Klager erkent dat hij rechtstreeks contact heeft opgenomen met de minister om te informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de ingediende vergunningsaanvragen. Hij stelt echter dat de minister reeds op de hoogte was van deze aanvragen, zodat hij geen bezwaar zag in het rechtstreeks benaderen van de minister daaromtrent.
11.8
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat rechtstreeks contact tussen een ambtenaar en de minister niet gebruikelijk is, aangezien de communicatie over vergunningsaanvragen steeds via de directeur DVG behoort te verlopen. Verweerder meent dat klager had behoren te weten dat dit de gebruikelijke procedure is en dat hij zich van dit gedrag had moeten weerhouden.
11.9
Het gerecht overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de gebruikelijke communicatielijn met betrekking tot de stand van zaken rond vergunningsaanvragen niet via de ambtenaar, maar via de directeur DVG en de minister verloopt. Klager was zich hiervan bewust, aangezien hij zelf heeft aangegeven dat dit een omissie van zijn kant was. Door deze werkprocedure niet te volgen, terwijl hij wist dat zijn handelwijze afweek van de gebruikelijke werkwijze, heeft klager de geldende procedureregels geschonden.
12. Alles in overweging nemende komt het gerecht tot het oordeel dat klager, door de in overweging 10 beschreven gedragingen, heeft gehandeld in strijd met de artikelen 47, eerste lid, 49, eerste en tweede lid, 55, eerste lid, 58, eerste lid, en 62, eerste lid, van de Lma. Deze gedragingen leveren, zowel ieder afzonderlijk als in samenhang beschouwd, plichtsverzuim op als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Lma. Nu niet is gesteld of gebleken dat dit plichtsverzuim niet aan klager kan worden toegerekend, was verweerder bevoegd klager ter zake een disciplinaire maatregel op te leggen.
evenredigheid van het disciplinaire strafontslag
13.1
Vervolgens dient te worden beoordeeld of de opgelegde disciplinaire straf van ontslag in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van het plichtsverzuim.Het gerecht beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
13.2
Het strafontslag is aan klager opgelegd wegens de in het bestreden landsbesluit vermelde gedragingen, zoals omschreven in overweging 4.1 onder de punten 1 tot en met 7, alsmede op basis van de veronderstelling dat klager voor zijn werkzaamheden mogelijk een beloning heeft ontvangen. Dit laatste is evenwel niet komen vast te staan, terwijl ook de gedraging onder punt 7 niet aannemelijk is geworden. Verweerder heeft naar het oordeel van het gerecht onvoldoende gemotiveerd waarom de resterende gedragingen, die wél zijn komen vast te staan (zie overweging 10), nog steeds de oplegging van de zwaarste disciplinaire straf kunnen rechtvaardigen.