Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-10
ECLI:NL:HR:2026:565
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
1,863 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:565 text/xml public 2026-04-11T00:01:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 25/02831 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2025:1998 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:565 text/html public 2026-04-09T10:08:48 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:565 Hoge Raad , 10-04-2026 / 25/02831 Loonbelasting; artikel 31a, lid 2, letter e en lid 7 (tekst 2019) Wet LB 1964; artikel XIV Belastingplan 2019; artikel 10ec UBLB 1965; artikel 1 EP EVRM; artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM; artikel 26 IVBPR. Proefprocedures. Verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling, ook in gevallen waarin eerder een 30%-beschikking met een langere looptijd is gegeven. Zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02831 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen 1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2025, nrs. 24/3256 tot en met 24/3272 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 22/3477 tot en met HAA 22/3487, HAA 22/5852 en HAA 23/7157 tot en met HAA 23/7161) betreffende de afdracht van loonheffing over de tijdvakken februari 2021 tot en met juni 2022 en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door T. Smit, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek. 2 Beoordeling van de middelen 2.1 De middelen 2 en 3 falen. De Hoge Raad verwijst hiertoe naar wat is overwogen in zijn arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, rechtsoverwegingen 4.1.2 tot en met 4.4. 2.2 De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in middel 1 beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Verzoek om schadevergoeding Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan onder de voorwaarde dat positief op het beroep in cassatie wordt beslist, dan wel de zaak in der minne wordt geschikt. Aangezien die voorwaarde niet is vervuld, zal de Hoge Raad dit verzoek niet in behandeling nemen. 5 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHAMS:2025:1998.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:565 text/xml public 2026-04-11T00:01:50 2026-04-09 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-10 25/02831 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2025:1998 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026041007 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:565 text/html public 2026-04-09T10:08:48 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:565 Hoge Raad , 10-04-2026 / 25/02831 Loonbelasting; artikel 31a, lid 2, letter e en lid 7 (tekst 2019) Wet LB 1964; artikel XIV Belastingplan 2019; artikel 10ec UBLB 1965; artikel 1 EP EVRM; artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM; artikel 26 IVBPR. Proefprocedures. Verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling, ook in gevallen waarin eerder een 30%-beschikking met een langere looptijd is gegeven. Zorgvuldigheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02831 Datum 10 april 2026 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen 1. de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN 2. de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juli 2025, nrs. 24/3256 tot en met 24/3272 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 22/3477 tot en met HAA 22/3487, HAA 22/5852 en HAA 23/7157 tot en met HAA 23/7161) betreffende de afdracht van loonheffing over de tijdvakken februari 2021 tot en met juni 2022 en een verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door T. Smit, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P1], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft schriftelijk gereageerd op het hiervoor bedoelde verzoek. 2 Beoordeling van de middelen 2.1 De middelen 2 en 3 falen. De Hoge Raad verwijst hiertoe naar wat is overwogen in zijn arrest van 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:123, rechtsoverwegingen 4.1.2 tot en met 4.4. 2.2 De Hoge Raad heeft ook de klachten over de uitspraak van het Hof in middel 1 beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Verzoek om schadevergoeding Het verzoek om vergoeding van immateriële schade is gedaan onder de voorwaarde dat positief op het beroep in cassatie wordt beslist, dan wel de zaak in der minne wordt geschikt. Aangezien die voorwaarde niet is vervuld, zal de Hoge Raad dit verzoek niet in behandeling nemen. 5 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 10 april 2026. ECLI:NL:GHAMS:2025:1998.