Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-27
ECLI:NL:HR:2026:116
Strafrecht
Cassatie
6,027 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:116 text/xml public 2026-03-06T10:03:50 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 25/03473 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1301 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0029 NJB 2026/310 RvdW 2026/287 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:116 text/html public 2026-01-26T16:01:48 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:116 Hoge Raad , 27-01-2026 / 25/03473 Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Mexicaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplegen computervredebreuk, medeplegen oplichting, medeplegen witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocument aan ander. Specialiteitsbeginsel, art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Verweer dat opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten houdt in dat krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op grondgebied van verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor ander feit dan feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens opgeëiste persoon is aangevoerd over dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet oordeelt over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in advies dat hij o.g.v. art. 30.2 Uitleveringswet uitbrengt aan minister. Voorgaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij behandeling van uitleveringsverzoek op zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan risico van flagrante inbreuk op door art. 6.1 EVRM en/of art. 14.1 IVBPR gewaarborgde rechten en na zijn uitlevering voor hem m.b.t. die inbreuk niet rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM resp. art. 2.3.1 IVBPR openstaat (vgl. HR:2000:ZD1791 en HR:2017:463). Verwerping door Rb van verweer getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (mede in aanmerking genomen dat uit wat raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich hiervoor genoemde situatie voordoet) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/03473 U Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2025, nummer UTL-I-2025000795, op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Mexico) op [geboortedatum] 1986, hierna: de opgeëiste persoon. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat, kort gezegd, de opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in het uitleveringsverzoek zijn opgenomen. 2.2.1 De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het Affidavit van 3 februari 2025”. De inhoud van deze Affidavit is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5. 2.2.2 Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsman van de opgeëiste persoon daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “Uit de Request for the Provisonal Arrest van het U.S. Department of Justice van 7 januari 2025 blijkt dat er in Florida een strafrechtelijk onderzoek tegen cliënt loopt terzake van het gezamenlijk plegen van tele-fraude en mail-fraude; het gezamenlijk beschadigen van een beveiligde computer; het gezamenlijk witwassen en het gezamenlijk overdragen van valse identiteitsdocumenten. Er is een onderliggend bevel tot arrestatie van de [rechter] d.d. 7 januari 2025. In genoemd Request wordt de aanhouding verzocht ten behoeve van de uitlevering alsmede de inbeslagname van laptops, telefoons en andere elektronische apparaten die cliënt bij zich zou hebben. Onder cliënt is door het IRC Noord-Holland inderdaad een Iphone, zwarte e-reader en een Apple laptop in beslaggenomen. Hiernaast is door de autoriteiten van de VS verzocht alle mogelijke andere goederen in beslag te nemen die als bewijs gebruikt kunnen worden ten aanzien van de thans verweten feiten alsmede goederen die als bewijs kunnen dienen voor andere strafbare feiten. Deze zijn ook door Justitie in beslag genomen waaronder: kaarten, Visa cards (blauw en zwart), gegevens van Belastingaangiften en een formulier voor tijdelijke verblijfsvergunning. De verdediging stelt reeds hier vast dat het verzoek van de VS een verzoek is dat niet is beperkt tot de thans verweten feiten, maar dat het mogelijk is dat cliënt, bij uitlevering naar de VS, in de VS geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten. In de laatste alinea van pagina 1 van het Request staat immers: ‘The United States makes this evidentiairy request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated. ’ Dit dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van het verzoek tot uitlevering. Immers uw Rechtbank moet weten om welke feiten het gaat en ook welke straffen voor deze feiten opgelegd kunnen worden. Dit weet U nu niet. Ik wijs U er op dat in Florida nog steeds de doodstraf geldt voor bepaalde misdrijven en dat deze middels een zeer inhumane dodelijke injectie wordt uitgevoerd. Het behoort thans tot de mogelijkheden dat cliënt bij uitlevering naar de VS, in de VS pas wordt geconfronteerd met andere feiten die tot een dergelijke vreselijke straf zouden kunnen leiden. Hierover dient minimaal zekerheid te worden verkregen en indien deze zekerheid niet door de VS kan of wil worden gegeven, zal de uitlevering naar de VS ontoelaatbaar moeten worden verklaard.” 2.2.3 De rechtbank heeft dit verweer als volgt verworpen: “Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in de VS mogelijk nog voor andere feiten zal worden vervolgd, waarbij zelfs het opleggen van de doodstraf niet kan worden uitgesloten, wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verdrag waarin het volgende is bepaald: ‘De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.’” 2.3.1 Artikel 15 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdt onder meer in dat de krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor een ander feit dan het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. 2.3.2 De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over de dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die op grond van de Uitleveringswet oordeelt over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan de bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in het advies dat hij op grond van artikel 30 lid 2 van de Uitleveringswet uitbrengt aan de minister van Justitie en Veiligheid.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:116 text/xml public 2026-04-07T10:10:21 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 25/03473 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1301 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0029 NJB 2026/310 RvdW 2026/287 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:116 text/html public 2026-01-26T16:01:48 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:116 Hoge Raad , 27-01-2026 / 25/03473 Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Mexicaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplegen computervredebreuk, medeplegen oplichting, medeplegen witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocument aan ander. Specialiteitsbeginsel, art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Verweer dat opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten houdt in dat krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op grondgebied van verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor ander feit dan feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens opgeëiste persoon is aangevoerd over dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet oordeelt over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in advies dat hij o.g.v. art. 30.2 Uitleveringswet uitbrengt aan minister. Voorgaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij behandeling van uitleveringsverzoek op zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan risico van flagrante inbreuk op door art. 6.1 EVRM en/of art. 14.1 IVBPR gewaarborgde rechten en na zijn uitlevering voor hem m.b.t. die inbreuk niet rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM resp. art. 2.3.1 IVBPR openstaat (vgl. HR:2000:ZD1791 en HR:2017:463). Verwerping door Rb van verweer getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (mede in aanmerking genomen dat uit wat raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich hiervoor genoemde situatie voordoet) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/03473 U Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2025, nummer UTL-I-2025000795, op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Mexico) op [geboortedatum] 1986, hierna: de opgeëiste persoon. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat, kort gezegd, de opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in het uitleveringsverzoek zijn opgenomen. 2.2.1 De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het Affidavit van 3 februari 2025”. De inhoud van deze Affidavit is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5. 2.2.2 Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsman van de opgeëiste persoon daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “Uit de Request for the Provisonal Arrest van het U.S. Department of Justice van 7 januari 2025 blijkt dat er in Florida een strafrechtelijk onderzoek tegen cliënt loopt terzake van het gezamenlijk plegen van tele-fraude en mail-fraude; het gezamenlijk beschadigen van een beveiligde computer; het gezamenlijk witwassen en het gezamenlijk overdragen van valse identiteitsdocumenten. Er is een onderliggend bevel tot arrestatie van de [rechter] d.d. 7 januari 2025. In genoemd Request wordt de aanhouding verzocht ten behoeve van de uitlevering alsmede de inbeslagname van laptops, telefoons en andere elektronische apparaten die cliënt bij zich zou hebben. Onder cliënt is door het IRC Noord-Holland inderdaad een Iphone, zwarte e-reader en een Apple laptop in beslaggenomen. Hiernaast is door de autoriteiten van de VS verzocht alle mogelijke andere goederen in beslag te nemen die als bewijs gebruikt kunnen worden ten aanzien van de thans verweten feiten alsmede goederen die als bewijs kunnen dienen voor andere strafbare feiten. Deze zijn ook door Justitie in beslag genomen waaronder: kaarten, Visa cards (blauw en zwart), gegevens van Belastingaangiften en een formulier voor tijdelijke verblijfsvergunning. De verdediging stelt reeds hier vast dat het verzoek van de VS een verzoek is dat niet is beperkt tot de thans verweten feiten, maar dat het mogelijk is dat cliënt, bij uitlevering naar de VS, in de VS geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten. In de laatste alinea van pagina 1 van het Request staat immers: ‘The United States makes this evidentiairy request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated. ’ Dit dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van het verzoek tot uitlevering. Immers uw Rechtbank moet weten om welke feiten het gaat en ook welke straffen voor deze feiten opgelegd kunnen worden. Dit weet U nu niet. Ik wijs U er op dat in Florida nog steeds de doodstraf geldt voor bepaalde misdrijven en dat deze middels een zeer inhumane dodelijke injectie wordt uitgevoerd. Het behoort thans tot de mogelijkheden dat cliënt bij uitlevering naar de VS, in de VS pas wordt geconfronteerd met andere feiten die tot een dergelijke vreselijke straf zouden kunnen leiden. Hierover dient minimaal zekerheid te worden verkregen en indien deze zekerheid niet door de VS kan of wil worden gegeven, zal de uitlevering naar de VS ontoelaatbaar moeten worden verklaard.” 2.2.3 De rechtbank heeft dit verweer als volgt verworpen: “Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in de VS mogelijk nog voor andere feiten zal worden vervolgd, waarbij zelfs het opleggen van de doodstraf niet kan worden uitgesloten, wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verdrag waarin het volgende is bepaald: ‘De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.’” 2.3.1 Artikel 15 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdt onder meer in dat de krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor een ander feit dan het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. 2.3.2 De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over de dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die op grond van de Uitleveringswet oordeelt over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan de bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in het advies dat hij op grond van artikel 30 lid 2 van de Uitleveringswet uitbrengt aan de minister van Justitie en Veiligheid.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:116 text/xml public 2026-04-07T10:10:21 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 25/03473 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1301 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0029 NJB 2026/310 RvdW 2026/287 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:116 text/html public 2026-01-26T16:01:48 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:116 Hoge Raad , 27-01-2026 / 25/03473 Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Mexicaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplegen computervredebreuk, medeplegen oplichting, medeplegen witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocument aan ander. Specialiteitsbeginsel, art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Verweer dat opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten houdt in dat krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op grondgebied van verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor ander feit dan feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens opgeëiste persoon is aangevoerd over dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet oordeelt over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in advies dat hij o.g.v. art. 30.2 Uitleveringswet uitbrengt aan minister. Voorgaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij behandeling van uitleveringsverzoek op zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan risico van flagrante inbreuk op door art. 6.1 EVRM en/of art. 14.1 IVBPR gewaarborgde rechten en na zijn uitlevering voor hem m.b.t. die inbreuk niet rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM resp. art. 2.3.1 IVBPR openstaat (vgl. HR:2000:ZD1791 en HR:2017:463). Verwerping door Rb van verweer getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (mede in aanmerking genomen dat uit wat raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich hiervoor genoemde situatie voordoet) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/03473 U Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2025, nummer UTL-I-2025000795, op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] (Mexico) op [geboortedatum] 1986, hierna: de opgeëiste persoon. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat, kort gezegd, de opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in het uitleveringsverzoek zijn opgenomen. 2.2.1 De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het Affidavit van 3 februari 2025”. De inhoud van deze Affidavit is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5. 2.2.2 Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsman van de opgeëiste persoon daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in: “Uit de Request for the Provisonal Arrest van het U.S. Department of Justice van 7 januari 2025 blijkt dat er in Florida een strafrechtelijk onderzoek tegen cliënt loopt terzake van het gezamenlijk plegen van tele-fraude en mail-fraude; het gezamenlijk beschadigen van een beveiligde computer; het gezamenlijk witwassen en het gezamenlijk overdragen van valse identiteitsdocumenten. Er is een onderliggend bevel tot arrestatie van de [rechter] d.d. 7 januari 2025. In genoemd Request wordt de aanhouding verzocht ten behoeve van de uitlevering alsmede de inbeslagname van laptops, telefoons en andere elektronische apparaten die cliënt bij zich zou hebben. Onder cliënt is door het IRC Noord-Holland inderdaad een Iphone, zwarte e-reader en een Apple laptop in beslaggenomen. Hiernaast is door de autoriteiten van de VS verzocht alle mogelijke andere goederen in beslag te nemen die als bewijs gebruikt kunnen worden ten aanzien van de thans verweten feiten alsmede goederen die als bewijs kunnen dienen voor andere strafbare feiten. Deze zijn ook door Justitie in beslag genomen waaronder: kaarten, Visa cards (blauw en zwart), gegevens van Belastingaangiften en een formulier voor tijdelijke verblijfsvergunning. De verdediging stelt reeds hier vast dat het verzoek van de VS een verzoek is dat niet is beperkt tot de thans verweten feiten, maar dat het mogelijk is dat cliënt, bij uitlevering naar de VS, in de VS geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten. In de laatste alinea van pagina 1 van het Request staat immers: ‘The United States makes this evidentiairy request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated. ’ Dit dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van het verzoek tot uitlevering. Immers uw Rechtbank moet weten om welke feiten het gaat en ook welke straffen voor deze feiten opgelegd kunnen worden. Dit weet U nu niet. Ik wijs U er op dat in Florida nog steeds de doodstraf geldt voor bepaalde misdrijven en dat deze middels een zeer inhumane dodelijke injectie wordt uitgevoerd. Het behoort thans tot de mogelijkheden dat cliënt bij uitlevering naar de VS, in de VS pas wordt geconfronteerd met andere feiten die tot een dergelijke vreselijke straf zouden kunnen leiden. Hierover dient minimaal zekerheid te worden verkregen en indien deze zekerheid niet door de VS kan of wil worden gegeven, zal de uitlevering naar de VS ontoelaatbaar moeten worden verklaard.” 2.2.3 De rechtbank heeft dit verweer als volgt verworpen: “Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in de VS mogelijk nog voor andere feiten zal worden vervolgd, waarbij zelfs het opleggen van de doodstraf niet kan worden uitgesloten, wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verdrag waarin het volgende is bepaald: ‘De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.’” 2.3.1 Artikel 15 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdt onder meer in dat de krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor een ander feit dan het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. 2.3.2 De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over de dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die op grond van de Uitleveringswet oordeelt over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan de bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in het advies dat hij op grond van artikel 30 lid 2 van de Uitleveringswet uitbrengt aan de minister van Justitie en Veiligheid.