Rechtspraak Hoge Raad 2026-01-06
ECLI:NL:HR:2026:20
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/02310 U Datum 6 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2025, nummer UTL-I-2025010730, op verzoek van de Republiek Noord-Macedonië tot uitlevering van [de opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de opgeëiste persoon. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat N.F. Christiansen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat een voltooide flagrante schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) heeft plaatsgevonden. 2.2 De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon met als doel de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf toelaatbaar verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen: “8. Gevoerde verweren Standpunt verdediging De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard wegens een reeds voltooide flagrante schending van artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). De rechtszaak tegen de opgeëiste persoon in Noord-Macedonië heeft bijna 19 jaar geduurd, hetgeen een forse overschrijding van de redelijke termijn oplevert. Nu deze forse schending niet is gecompenseerd en de opgeëiste persoon op geen enkele manier nog zijn recht kan halen in een procedure in Noord-Macedonië, is sprake van een voltooide schending. Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat de overschrijding te wijten is aan het handelen van de opgeëiste persoon, dan verzoekt de verdediging de zaak aan te houden, teneinde nadere stukken op te vragen bij de autoriteiten van Noord-Macedonië. (...) Beoordeling Voltooide schending van artikel 6 EVRM Uitgangspunt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, is dat in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten, welke zijn neergelegd in het EVRM, heeft gerespecteerd. Noord-Macedonië is partij bij het EVRM. Indien komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te verklaren. De uitleveringsrechter dient het verweer van de raadsvrouw van overschrijding van de redelijke termijn, waarvoor geen compensatie is geboden, op zijn aannemelijkheid te onderzoeken. In het onherroepelijke vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van [...] van 26 januari 2024 (kenmerk K- 494/23) overweegt die rechtbank het volgende: “Bij het vaststellen van de strafmaat heeft de rechtbank alle omstandigheden in aanmerking genomen die volgens de wet op de beslissing van invloed zijn, en gelet op ... de lange tijd die sindsdien is verstreken.” Gelet op deze overweging stelt de rechtbank vast dat bij het opleggen van de gevangenisstraf, waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon ter fine van de executie van die straf is verzocht, rekening is gehouden met het feit dat lange tijd is verstreken sinds het plegen van het bewezenverklaarde feit. Blijkens het arrest van het Gerechtshof Skopje van 26 september 2024 (kenmerk KZ-379/24) is bij de toetsing van de straf in hoger beroep kennelijk evenzo het tijdsverloop betrokken. De rechtbank is op grond van deze overwegingen in combinatie met het voornoemde vertrouwensbeginsel van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat geen enkele compensatie voor de overschrijding van de redelijke termijn is geboden. Van een (voltooide) flagrante schending van het recht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, zoals aangevoerd door de raadsvrouw, is geen sprake. De rechtbank verwerpt dit verweer.” 2.3.1 Uitgangspunt in uitleveringszaken is dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) zal respecteren. Gelet op het systeem van de Uitleveringswet, zoals daarvan blijkt uit artikel 8 en 10, en de geschiedenis van de totstandkoming van die wet, is in uitleveringszaken het oordeel over de vraag of de verzochte uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een dreigende inbreuk op zijn fundamentele rechten als bedoeld in onder meer artikel 3 EVRM voorbehouden aan de minister van Justitie en Veiligheid en zal hij bij een bevestigend antwoord het verzoek tot uitlevering moeten afwijzen. Als echter komt vast te staan dat in de zaak waarvoor de uitlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd, sprake is van een voltooide inbreuk op zijn fundamentele rechten, is het de uitleveringsrechter die de verzochte uitlevering ontoelaatbaar moet verklaren. 2.3.2 Als het gaat om een verzoek tot uitlevering voor de tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling en wordt aangevoerd dat in de zaak die tot die veroordeling heeft geleid, een flagrante inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM, is het aan de uitleveringsrechter te beslissen over de vraag of enig in die verdragsbepaling gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon is geschonden. Dit is niet anders als het gaat om een beroep op een flagrante inbreuk op artikel 14 lid 1 IVBPR. Het gaat hier dus om een beroep op een voltooide flagrante schending van deze verdragsbepaling(en).(Vgl. HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, rechtsoverweging 3.5 en 3.6, onder A.) 2.3.3 Mede onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) van 17 januari 2012, nr. 8139/09 (Othman/ Verenigd Koninkrijk) heeft de Grote Kamer van het EHRM in de uitspraak van 15 juni 2017, nr. 71537/14 (Harkins/Verenigd Koninkrijk) de gevallen waarin sprake is van een ‘flagrant denial of justice’, als volgt omschreven: “62. (...) the Court recalls that the right to a fair trial in criminal proceedings, as embodied in Article 6 of the Convention, holds a prominent place in a democratic society. Consequently, it has not excluded that an issue might exceptionally be raised under Article 6 by an extradition decision in circumstances where the fugitive has suffered or risks suffering a flagrant denial of a fair trial in the requesting country (see Soering v. the United Kingdom, 7 July 1989, § 113, Series A no. 161). However, in the Court’s case-law the term “flagrant denial of justice” has been synonymous with a trial which is manifestly contrary to the provisions of Article 6 or the principles embodied therein (see Sejdovic v. Italy [GC], no. 56581/00, § 84, ECHR 2006–II). 63. Although it has not yet been required to define the term more precisely, the Court has nonetheless indicated that certain forms of unfairness could amount to a “flagrant denial of justice”. These have included: conviction in absentia with no subsequent possibility of a fresh determination of the merits of the charge (see Einhorn v. France (dec.), no. 71555/01, § 33, ECHR 2001-XI; Stoichkov v. Bulgaria, no. 9808/02, § 56, 24 March 2005; and Sejdovic, cited above § 84); a trial which is summary in nature and conducted with a total disregard for the rights of the defence (see Bader and Kanbor v. Sweden, no. 13284/04, § 47, ECHR 2005-XI); detention without any access to an independent and impartial tribunal to have the legality of the detention reviewed (see Al-Moayad v.