Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-03-06
ECLI:NL:GHSHE:2026:680
Strafrecht
Hoger beroep
8,128 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:680 text/xml public 2026-03-30T13:13:32 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-06 20-001411-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:680 text/html public 2026-03-30T13:12:08 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:680 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-03-2026 / 20-001411-25 Opzetheling. Parketnummer : 20-001411-25 Uitspraak : 6 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-064075-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De politierechter heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzetheling’, en de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De politierechter heeft bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.180,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Gelet op het feit dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep niet heeft gehandhaafd, is deze vordering in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde en het subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Louis Vuitton tas en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Breda, althans in Nederland, een telefoon, althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak primair tenlastegelegde Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 februari 2025 te Breda een telefoon voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. II. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de telefoon voorhanden heeft gehad en evenmin dat hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Op de camerabeelden is een weggooibeweging van de verdachte te zien, maar niet zichtbaar is wat voor voorwerp hij weggooide. Daardoor kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het voorwerp dat de verdachte weggooide de telefoon betrof. Zelfs als de verdachte de telefoon kortstondig in handen zou hebben gehad, is daarmee nog niet bewezen dat hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Het dossier bevat geen verklaring over betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal. De enkele omstandigheid dat een telefoon kort na een diefstal wordt aangetroffen en dat iemand zich daarvan ontdoet bij het zien van de politie, is onvoldoende om het vereiste opzet op de criminele herkomst aan te nemen, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Voorhanden hebben Allereerst ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft gehad. Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof hieromtrent het navolgende vast. Op 28 februari 2025, omstreeks 18:25 uur, werden de verbalisanten verzocht te gaan naar [locatie] te Breda. Aldaar zou een groepje mannen lopen waarvan een man een mes bij zich zou dragen. Op aanwijzingen van de medewerkers van cameratoezicht, gemeente Breda, hebben de verbalisanten twee mannen, waaronder de verdachte, staande gehouden. De verbalisanten hadden van de medewerkers van cameratoezicht vernomen dat de verdachte een zwart voorwerp uit zijn jas had gehaald en in de bosschages had gegooid op het moment dat de politie in beeld kwam. Verbalisant [verbalisant 1] werd door de medewerkers van cameratoezicht naar de bosschages geleid en trof daar een telefoon aan. Uit het dossier blijkt dat de telefoon die is aangetroffen afkomstig is van aangever [benadeelde] . Aangever [benadeelde] heeft op 28 februari 2025 in Breda aangifte gedaan van de diefstal van zijn tas, met daarin zijn telefoon, door een groepje mannen, gepleegd omstreeks 18:15 uur. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niets uit zijn zak haalde, maar dat hij een aansteker vast had. Hij zag zichzelf wel iets weggooien op de beelden, maar gaf aan dat dat geen telefoon was.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2026:680 text/xml public 2026-04-02T10:38:27 2026-03-11 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-03-06 20-001411-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL Breda Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:680 text/html public 2026-03-30T13:12:08 2026-03-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:680 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 06-03-2026 / 20-001411-25 Opzetheling. Parketnummer : 20-001411-25 Uitspraak : 6 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 20 mei 2025, in de strafzaak met parketnummer 02-064075-25 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2007, wonende te [adres] . Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de verdachte vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. De politierechter heeft het subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘opzetheling’, en de verdachte te dien aanzien veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. De politierechter heeft bepaald dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen. Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Omvang van het hoger beroep De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.180,00, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding. Gelet op het feit dat de benadeelde partij de vordering in hoger beroep niet heeft gehandhaafd, is deze vordering in hoger beroep niet aan het oordeel van het hof onderworpen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde en het subsidiair tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken. De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, reeds omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Breda, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een Louis Vuitton tas en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om die/het zich wederrechtelijk toe te eigenen; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 28 februari 2025 te Breda, althans in Nederland, een telefoon, althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Vrijspraak primair tenlastegelegde Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 28 februari 2025 te Breda een telefoon voorhanden heeft gehad terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht. Bewijsoverwegingen I. De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. II. De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte de telefoon voorhanden heeft gehad en evenmin dat hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Op de camerabeelden is een weggooibeweging van de verdachte te zien, maar niet zichtbaar is wat voor voorwerp hij weggooide. Daardoor kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het voorwerp dat de verdachte weggooide de telefoon betrof. Zelfs als de verdachte de telefoon kortstondig in handen zou hebben gehad, is daarmee nog niet bewezen dat hij wist dat deze van misdrijf afkomstig was. Het dossier bevat geen verklaring over betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal. De enkele omstandigheid dat een telefoon kort na een diefstal wordt aangetroffen en dat iemand zich daarvan ontdoet bij het zien van de politie, is onvoldoende om het vereiste opzet op de criminele herkomst aan te nemen, aldus de verdediging. Het hof overweegt als volgt. Voorhanden hebben Allereerst ziet het hof zich gesteld voor de vraag of de verdachte een door misdrijf verkregen goed voorhanden heeft gehad. Op basis van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof hieromtrent het navolgende vast. Op 28 februari 2025, omstreeks 18:25 uur, werden de verbalisanten verzocht te gaan naar [locatie] te Breda. Aldaar zou een groepje mannen lopen waarvan een man een mes bij zich zou dragen. Op aanwijzingen van de medewerkers van cameratoezicht, gemeente Breda, hebben de verbalisanten twee mannen, waaronder de verdachte, staande gehouden. De verbalisanten hadden van de medewerkers van cameratoezicht vernomen dat de verdachte een zwart voorwerp uit zijn jas had gehaald en in de bosschages had gegooid op het moment dat de politie in beeld kwam. Verbalisant [verbalisant 1] werd door de medewerkers van cameratoezicht naar de bosschages geleid en trof daar een telefoon aan. Uit het dossier blijkt dat de telefoon die is aangetroffen afkomstig is van aangever [benadeelde] . Aangever [benadeelde] heeft op 28 februari 2025 in Breda aangifte gedaan van de diefstal van zijn tas, met daarin zijn telefoon, door een groepje mannen, gepleegd omstreeks 18:15 uur. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij niets uit zijn zak haalde, maar dat hij een aansteker vast had. Hij zag zichzelf wel iets weggooien op de beelden, maar gaf aan dat dat geen telefoon was.
Volledig
Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij vuil uit zijn zak haalde en weggooide. Het hof constateert dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaringen, in het licht van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk zijn geworden. Het hof overweegt dat de medewerkers van cameratoezicht ononderbroken zicht hebben gehad op de bosschages vanaf het moment dat de verdachte daar een zwart voorwerp ingooide tot aan het moment dat de verbalisant op diezelfde plek de telefoon aantrof. Voorts neemt het hof in aanmerking de omstandigheid dat de telefoon kort ervoor van aangever [benadeelde] is ontvreemd; uit de verklaring van aangever [benadeelde] volgt dat dit ontvreemden geschiedde door een groepje mannen en de verdachte heeft verklaard deel te hebben uitgemaakt van een groepje vrienden en ten slotte zagen de medewerkers van cameratoezicht de verdachte een zwart voorwerp in de bosschages werpen en kort erna werd de telefoon in de bosschages aangetroffen. Het hof acht daarbij de impliciete verklaring van de verdachte, inhoudende dat de telefoon al in de bosschages zou hebben gelegen, onaannemelijk vanwege het zeer korte tijdsbestek tussen het wegnemen van de telefoon en het aantreffen van de telefoon in de bosschages. Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dan ook, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, dat boven redelijke twijfel is verheven dat het de verdachte is geweest die een uit misdrijf verkregen goed, namelijk de telefoon van aangever [benadeelde] , voorhanden heeft gehad en, bij het in beeld komen van de politie, in de bosschages heeft gegooid. Wetenschap Voorts is voor een bewezenverklaring ter zake van opzetheling vereist dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het bewuste goed wist dat dit een door misdrijf verkregen goed betrof. Volgens vaste jurisprudentie mag het hof bij de bewijsvoering van de wetenschap van de criminele herkomst van een goed ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed, betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van die criminele herkomst eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van dat goed. Daarbij kan de proceshouding van verdachte een rol spelen (vgl. Hoge Raad 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97/125 en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1034). Het hof overweegt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen. Wel kan het hof in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Het hof stelt allereerst vast dat onvoldoende is gebleken van overtuigend bewijs dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij de diefstal van de telefoon. Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof voorts, met betrekking tot de wetenschap, vast dat op de aangetroffen telefoon, die de verdachte voorhanden had, WhatsApp-berichten in de Nederlandse taal zichtbaar waren, terwijl de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Vervolgens bleek de telefoon van aangever [benadeelde] te zijn nu hij de telefoon kon openen met zijn pincode en zijn telefoonnummer onder zijn eigen naam in de telefoon stond. Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte wist dat de telefoon door misdrijf verkregen was. Van de verdachte mag derhalve verwacht worden dat hij een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring voor het voorhanden hebben van de telefoon geeft. Nu de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de telefoon, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de telefoon wist dat deze telefoon door misdrijf was verkregen. Het hof betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de telefoon eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Resumerend acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzetheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om, bij een bewezenverklaring, aan de verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een telefoon. Heling bevordert diefstal, zorgt voor het verplaatsen van gestolen goederen in een illegaal circuit en levert veel schade op. De reguliere, eerlijke (detail)handel in goederen wordt hierdoor verstoord. Met zijn handelen heeft de verdachte daaraan een bijdrage geleverd. Bovendien blijkt uit verdachtes handelen een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van een ander. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 november 2025 betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, in het bijzonder ook nog op 27 februari 2025, één dag voorafgaand aan onderhavig feit. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Het hof weegt die omstandigheid ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee. Uit voormeld uittreksel volgt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof heeft tevens kennisgenomen van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , proces-verbaalnummer PL2000-2025052417-16, betreffende een overzicht van voorvallen waar de verdachte bij betrokkene is geweest. Ook hieruit blijkt dat de verdachte meermaals met politie en justitie in aanraking is gekomen voor, onder meer, vermogensdelicten. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte sinds 2023 in een asielzoekerscentrum in Nederland verblijft. Hij is nog steeds in afwachting van een verblijfsvergunning en hoopt dat op termijn zijn familie ook naar Nederland kan komen.
Volledig
Ten overstaan van het hof heeft de verdachte verklaard dat hij vuil uit zijn zak haalde en weggooide. Het hof constateert dat de verdachte wisselend heeft verklaard en dat zijn verklaringen, in het licht van voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk zijn geworden. Het hof overweegt dat de medewerkers van cameratoezicht ononderbroken zicht hebben gehad op de bosschages vanaf het moment dat de verdachte daar een zwart voorwerp ingooide tot aan het moment dat de verbalisant op diezelfde plek de telefoon aantrof. Voorts neemt het hof in aanmerking de omstandigheid dat de telefoon kort ervoor van aangever [benadeelde] is ontvreemd; uit de verklaring van aangever [benadeelde] volgt dat dit ontvreemden geschiedde door een groepje mannen en de verdachte heeft verklaard deel te hebben uitgemaakt van een groepje vrienden en ten slotte zagen de medewerkers van cameratoezicht de verdachte een zwart voorwerp in de bosschages werpen en kort erna werd de telefoon in de bosschages aangetroffen. Het hof acht daarbij de impliciete verklaring van de verdachte, inhoudende dat de telefoon al in de bosschages zou hebben gelegen, onaannemelijk vanwege het zeer korte tijdsbestek tussen het wegnemen van de telefoon en het aantreffen van de telefoon in de bosschages. Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dan ook, anders dan de verdediging, maar met de advocaat-generaal, dat boven redelijke twijfel is verheven dat het de verdachte is geweest die een uit misdrijf verkregen goed, namelijk de telefoon van aangever [benadeelde] , voorhanden heeft gehad en, bij het in beeld komen van de politie, in de bosschages heeft gegooid. Wetenschap Voorts is voor een bewezenverklaring ter zake van opzetheling vereist dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van het bewuste goed wist dat dit een door misdrijf verkregen goed betrof. Volgens vaste jurisprudentie mag het hof bij de bewijsvoering van de wetenschap van de criminele herkomst van een goed ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed, betrekken dat aanwijzingen ontbreken dat de wetenschap van die criminele herkomst eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen van dat goed. Daarbij kan de proceshouding van verdachte een rol spelen (vgl. Hoge Raad 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97/125 en HR 13 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1034). Het hof overweegt dat de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf niet tot het bewijs kan bijdragen. Wel kan het hof in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal betrekken dat een verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem ten laste gelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Het hof stelt allereerst vast dat onvoldoende is gebleken van overtuigend bewijs dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij de diefstal van de telefoon. Uit de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof voorts, met betrekking tot de wetenschap, vast dat op de aangetroffen telefoon, die de verdachte voorhanden had, WhatsApp-berichten in de Nederlandse taal zichtbaar waren, terwijl de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is. Vervolgens bleek de telefoon van aangever [benadeelde] te zijn nu hij de telefoon kon openen met zijn pincode en zijn telefoonnummer onder zijn eigen naam in de telefoon stond. Voorgaande feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat de verdachte wist dat de telefoon door misdrijf verkregen was. Van de verdachte mag derhalve verwacht worden dat hij een redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring voor het voorhanden hebben van de telefoon geeft. Nu de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het voorhanden hebben van de telefoon, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de telefoon wist dat deze telefoon door misdrijf was verkregen. Het hof betrekt bij dat oordeel de omstandigheid dat aanwijzingen ontbreken dat wetenschap bij de verdachte van de criminele herkomst van de telefoon eerst is ontstaan na het verwerven of voorhanden krijgen daarvan. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. Resumerend acht het hof het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd: opzetheling. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het hof verzocht om, bij een bewezenverklaring, aan de verdachte een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Het hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van een telefoon. Heling bevordert diefstal, zorgt voor het verplaatsen van gestolen goederen in een illegaal circuit en levert veel schade op. De reguliere, eerlijke (detail)handel in goederen wordt hierdoor verstoord. Met zijn handelen heeft de verdachte daaraan een bijdrage geleverd. Bovendien blijkt uit verdachtes handelen een gebrek aan respect voor het eigendomsrecht van een ander. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard. Het hof heeft bij de strafoplegging tevens acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 25 november 2025 betreffende het justitiële verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten, in het bijzonder ook nog op 27 februari 2025, één dag voorafgaand aan onderhavig feit. Deze eerdere veroordelingen hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te plegen. Het hof weegt die omstandigheid ten nadele van de verdachte bij de strafoplegging mee. Uit voormeld uittreksel volgt voorts dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Het hof heeft tevens kennisgenomen van het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , proces-verbaalnummer PL2000-2025052417-16, betreffende een overzicht van voorvallen waar de verdachte bij betrokkene is geweest. Ook hieruit blijkt dat de verdachte meermaals met politie en justitie in aanraking is gekomen voor, onder meer, vermogensdelicten. Voorts heeft het hof acht geslagen op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het dossier en ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte sinds 2023 in een asielzoekerscentrum in Nederland verblijft. Hij is nog steeds in afwachting van een verblijfsvergunning en hoopt dat op termijn zijn familie ook naar Nederland kan komen.