Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2026-02-27
ECLI:NL:GHSHE:2026:528
Strafrecht
Hoger beroep
2,014 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHSHE:2026:528 text/xml public 2026-02-27T15:00:23 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2026-02-27 20-001868-24 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2024:3002, Niet ontvankelijk Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:528 text/html public 2026-02-26T19:50:20 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2026:528 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 27-02-2026 / 20-001868-24 Het hof heeft in de zaak tegen de verdachte het hoger beroep van het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De verdachte werd eerder door de rechtbank vrijgesproken van: - de doodslag op het slachtoffer (feit 1 primair); - het in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer terwijl dit op dat moment in levensgevaar verkeerde en diens dood erop is gevolgd (feit 2); - het voorhanden hebben van twee vuurwapens (feit 3). De verdachte is door de rechtbank veroordeeld wegens de mishandeling van het slachtoffer (feit 1 subsidiair) en heeft daarvoor een gevangenisstraf van 15 dagen, met aftrek van voorarrest, opgelegd gekregen. Het hof verklaart het door de officier van justitie tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk, nu in de appelschriftuur slechts sprake was van 'strategische' grieven tegen het vonnis, terwijl van de zijde van het Openbaar Ministerie bij de behandeling in hoger beroep ten aanzien van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering geen andere beslissingen zijn gevorderd dan reeds in het vonnis van de rechtbank zijn opgenomen. Het hof vond het vanwege het maatschappelijk belang – gelegen in met name de samenhang tussen de zaken tegen verdachte en medeverdachte en in het belang van de waarheidsvinding die met een inhoudelijke behandeling is gediend – ambtshalve belangrijk dat beide zaken in hoger beroep inhoudelijk behandeld werden maar ziet uiteindelijk (nadat is gebleken dat beide verdachten in hoger beroep opnieuw gebruikmaakten van hun zwijgrecht) geen reden (meer) om af te zien van het niet-ontvankelijk verklaren van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. Parketnummer : 20-001868-24 Uitspraak : 27 februari 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 28 juni 2024, in de strafzaak met parketnummer 01-845318-18 tegen: [verdachte] , geboren te [geboortedag] op [geboortedag] 1995, thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught. Hoger beroep Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van: het onder 1 primair tenlastegelegde (mede)plegen van doodslag op [slachtoffer] , het onder 2 tenlastegelegde achterlaten van deze [slachtoffer] in een hulpeloze toestand, terwijl deze in ogenblikkelijk levensgevaar verkeerde en diens dood is gevolgd, het onder 3 tenlastegelegde voorhanden hebben van een tweetal vuurwapens van categorie III van de Wet wapens en munitie. De rechtbank heeft de verdachte vervolgens ter zake van ‘mishandeling’ ( 1 subsidiair ) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen met aftrek. Voorts heeft de rechtbank de onttrekking aan het verkeer bevolen van twee onder de verdachte in beslag genomen vuurwapens. De officier van justitie heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met aanvulling van de gronden waarop dit berust. De verdediging heeft primair bepleit dat het hof (alsnog) het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren nu het Openbaar Ministerie geen grieven tegen het vonnis heeft opgegeven, geen rechtens te respecteren belang heeft bij het hoger beroep en dit hoger beroep bovendien in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde nu het oneigenlijk wordt gebruikt. De verdediging heeft subsidiair integrale vrijspraak bepleit. Ontvankelijkheid van het hoger beroep Ter zitting d.d. 13 februari 2026 Het hof stelt vast dat hetgeen primair is bepleit, eerder – en op de gronden zoals verwoord in de bijbehorende pleitaantekeningen – als preliminair verweer naar voren is gebracht op de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak d.d. 13 februari 2026. De advocaten-generaal hebben daarop naar voren gebracht dat de verdediging een te beperkte uitleg geeft aan de term ‘grief’ en dat gelet op de onderlinge verwevenheid tussen de onderhavige zaak en de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] sprake is van een grief, er een rechtens te beschermen belang – namelijk waarheidsvinding – is gediend met het hoger beroep en er gelet op het vorenstaande geen sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het hof heeft ter zitting beslist dat het Openbaar Ministerie in het hoger beroep kan worden ontvangen en bijgevolg het preliminaire verweer van de verdediging op dit punt verworpen. Aan die beslissing heeft het hof als motivering ten grondslag gelegd dat: het niet-ontvankelijk verklaren van het hoger beroep op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een discretionaire bevoegdheid betreft van de appelrechter; het hof abstraheert van de vraag of van de zijde van het Openbaar Ministerie een ‘schriftuur houdende grieven’ is ingediend; het hof hoe dan ook een maatschappelijk belang aanwezig acht om de zaak in hoger beroep te behandelen, welk belang met name is gelegen in de onderlinge verwevenheid tussen de onderhavige zaak en de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (onder parketnummer 20-001869-24), alsmede in de waarheidsvinding die gediend kan zijn met een inhoudelijke behandeling. Herhaald verzoek verdediging De verdediging heeft voormeld (aanvankelijk preliminair gevoerde) verweer vervolgens in de kern herhaald bij pleidooi, inhoudende dat – aangezien na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting het belang van de waarheidsvinding geen opgeld meer doet – het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Daarbij is aan de advocaten-generaal verzocht om – mocht het Openbaar Ministerie hier anders over denken – zich bij repliek uit te laten over de vraag welke bezwaren in dat geval van de zijde van het Openbaar Ministerie tegen het vonnis waarvan beroep bestaan. De advocaten-generaal hebben daarop bij repliek te kennen gegeven dat het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep wel degelijk ontvankelijk moet blijven, nu een extra bewijsmiddel is benoemd waarmee de gronden waarop vonnis berust, zouden kunnen worden aangevuld en het hof bovendien het hoger beroep reeds ontvankelijk heeft verklaard. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of er nog steeds reden is om af te zien van het niet-ontvankelijk verklaren van het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt hieromtrent als volgt. De advocaten-generaal hebben gerekwireerd tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met tot gevolg dat alle daarin vermelde beslissingen – in de visie van het Openbaar Ministerie – in stand kunnen blijven. Daarbij zijn geen onderdelen van het vonnis aangeduid die onjuist zouden zijn. De advocaten-generaal hebben bij requisitoir naar voren gebracht dat er ‘eventueel (…) nog een extra bewijsmiddel beschikbaar [is]’, namelijk de resultaten van het DNA-onderzoek aan de polsen van het slachtoffer. Daarbij is echter niet gesteld dat – zonder opneming van dat bewijsmiddel – de bewijsvoering van de rechtbank tekort zou schieten en deze de beslissingen van de rechtbank daardoor niet zou kunnen dragen.