Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-04-01
ECLI:NL:GHSHE:2025:918
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep kort geding
6,443 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.344.832/01
arrest van 1 april 2025
in de zaak van
[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna aan te duiden als de vrouw,
advocaat: mr. B. Fresco te Rotterdam,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als de man,
advocaat: mr. D.P. Mandema te Maasdijk,
op het bij exploot van dagvaarding van 7 augustus 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 juli 2024, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen de vrouw als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie en de man als eiser in conventie, verweerder in reconventie.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met producties 9 t/m 13;
de memorie van antwoord met producties 1 t/m 7;
de mondelinge behandeling van 22 januari 2025, waarbij de advocaat van de man een pleitnotitie heeft overgelegd.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten:
a. Partijen zijn op 11 november 2011 met elkaar gehuwd in de wettelijke algehele gemeenschap van goederen.
Het verzoek tot echtscheiding is gedaan op 3 januari 2023.
Bij beschikking van 21 december 2023 van de rechtbank Rotterdam is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 16 februari 2024 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In de huwelijksgemeenschap valt de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: de woning). Met betrekking tot de verdeling van de woning en de daarop rustende hypothecaire geldlening bij Florius is in rechtsoverweging 3.3.13 van de beschikking van 21 december 2023, samengevat, het volgende overwogen:
partijen verzoeken ieder voor zich toedeling van de woning;
partijen zijn het erover eens dat de woning tegen een waarde van € 357.500,-- in de verdeling moet worden betrokken, dat de hypothecaire geldlening per peildatum € 281.400,-- bedroeg en dat zij ieder recht hebben op de helft van de overwaarde;
de woning zal aan de vrouw worden toegedeeld tegen een waarde van € 357.500,--, onder de verplichting binnen drie maanden na de datum van de beschikking de man te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;
indien de vrouw daarin niet tijdig slaagt, wordt de woning tegen genoemde waarde aan de man toegedeeld, eveneens onder de verplichting binnen drie maanden na de datum van de beschikking de vrouw te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening;
indien ook de man daarin niet slaagt, moet de woning worden verkocht.
De vrouw is er niet in geslaagd de man binnen drie maanden na de datum van de beschikking te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening.
Op 18 september 2024 is de overgang van de woning aan de man gerealiseerd.
Procesverloop
3.2.1.
De man heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd:
“(…)bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat de woning tegen een waarde van € 357.500,= aan de man wordt toegedeeld, onder de verplichting binnen een termijnverlenging van drie maanden - meer specifiek tot 21 september 2024 - de vrouw te doen laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening en in dezen de vrouw te bevelen medewerking te verlenen aan alle benodigde (rechts)handelingen om tot overname van voornoemde woning te komen en daarnaast te bepalen dat, voor zover de vrouw niet voldoet aan voormelde (rechts)handelingen, de man wordt gemachtigd tot het verrichten van voormelde (rechts)handelingen en tot slot te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van een onderhandse of notariële akte of een deel daarvan met betrekking tot de woning, als bedoeld in artikel 3:300 BW;
II. indien het de man niet lukt om de onder sub I genoemde overname te financieren en realiseren de vrouw te bevelen, binnen vijf dagen na de dag waarop blijkt dat de man de financiering niet rond krijgt, medewerking te verlenen om tot verkoop en levering van de woning te komen, waarbij:
a. partijen worden geboden een door de rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar de opdracht te verstrekken om de woning te koop te zetten en partijen te veroordelen zowel de opstartkosten van die makelaar als de (resterende) courtage en overige kosten bij helfte te dragen en, indien mogelijk, vanuit de overwaarde te voldoen;
b. partijen worden geboden om voornoemde makelaar een reële, marktconforme verkoopprijs en laatprijs te laten bepalen;
c. partijen worden veroordeeld om als opleverdatum uiterlijk zes maanden na het in deze te wijzen vonnis aan te houden;
d. partijen worden geboden om al het nodige te doen om het verkooptraject goed te laten verlopen en te zullen meewerken aan de afgifte van de sleutels aan de makelaar, het toestaan van bezichtigingen, het bezichtigingswaardig en schoon houden van de woning, de ondertekening van de verkoopovereenkomst, ondertekening van de akte van levering en het verrichten van alle overige handelingen die voor de verkoop noodzakelijk zijn;
e. partijen ieder gerechtigd zijn - na betaling van de onder a genoemde kosten - tot de helft van de overwaarde;
III. te bepalen dat, voor zover de vrouw niet voldoet aan voormelde veroordelingen, de man wordt gemachtigd tot het verrichten van handelingen tot verkoop en levering van de woning en daarnaast te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van een onderhandse of notariële akte of een deel daarvan met betrekking tot de woning, als bedoeld in artikel 3:300 BW;
IV. de vrouw te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 250,= per dag of een gedeelte daarvan, voor zover de vrouw één van de hiervoor genoemde veroordelingen niet nakomt met een maximum van € 50.000,=;
V. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.”
3.2.2.
De vrouw heeft de vorderingen weersproken. Zij heeft in reconventie gevorderd:
“(…) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. de man te bevelen om per omgaande medewerking te verlenen om tot verkoop van het onroerend goed [adres] te [plaats] te komen, waarbij
a. partijen worden geboden een door uw rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar de opdracht te verstrekken om de woning te koop te zetten en partijen te veroordelen zowel de opstartkosten van die makelaar als de (resterende) courtage en de overige kosten bij helfte te dragen en, indien mogelijk, vanuit de overwaarde te voldoen;
b. partijen worden geboden om voornoemde makelaar een reële en marktconforme verkoopprijs en laatprijs te laten bepalen;
c. partijen worden veroordeeld om als opleverdatum niet eerder dan 15 september 2024, doch uiterlijk zes maanden na het in deze te wijzen vonnis aan te houden;
d. partijen worden geboden om al het nodige te doen om het verkooptraject goed te laten verlopen en te zullen meewerken aan de afgifte van de sleutels aan de makelaar, het toestaan van bezichtigingen, het bezichtigingswaardig en schoon houden van de woning, de ondertekening van de verkoopovereenkomst, de ondertekening van de akte van levering en het verrichten van alle overige handelingen, die voor de verkoop noodzakelijk zijn;
e. partijen ieder gerechtigd zijn - na betaling van de onder a. genoemde kosten - tot de helft van de overwaarde;
2. te bepalen dat, voor zover de man niet voldoet aan voormelde veroordeling(en), de vrouw wordt gemachtigd tot het verrichten van handelingen tot verkoop en levering van de woning en daarnaast te bepalen dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van een onderhandse of notariële akte of een deel daarvan met betrekking tot de woning, als bedoeld in artikel 3:300 B.W.;
3. de man te veroordelen tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 250,= per dag of een gedeelte daarvan, voor zover de man één van de hiervoor genoemde veroordelingen in reconventie niet nakomt, zulks met een maximum van € 50.000,=;
4. de man te veroordelen in de kosten.”
3.2.3.
Dictum
“in conventie en in reconventie
5.1.
beveelt de vrouw haar medewerking te verlenen aan alle benodigde (rechts)handelingen om te komen tot toedeling en overdracht van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) te [plaats] aan de man tegen een waarde van € 357.500,=, met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.8. van dit vonnis is overwogen;
5.2.
machtigt de man – indien de vrouw de onder 5.1 bedoelde medewerking niet verleent – om in plaats van de vrouw alle (rechts)handelingen te verrichten die nodig zijn om de toedeling en overdracht van de woning aan hem te bewerkstelligen en bepaalt – indien de vrouw de onder 5.1 bedoelde medewerking niet verleent – dat dit vonnis in de plaats treedt van de instemmende wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de vrouw die noodzakelijk is om de toedeling en overdracht van de woning aan de man te bewerkstelligen;
5.3.
beveelt partijen – voor het geval de man niet uiterlijk 21 september 2024 heeft aangetoond dat de vrouw kan en zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening – binnen vijf dagen na de dag waarop blijkt dat de man de financiering onder genoemde voorwaarde niet rond krijgt, hun medewerking te verlenen aan verkoop en levering van de woning aan een derde, waarbij:
a. partijen aan Makelaars- en Adviesburo [XXX] te [plaats] een verkoopopdracht dienen te verstrekken; partijen dienen alle kosten van de makelaar bij helfte te dragen en, indien mogelijk, vanuit de overwaarde te voldoen;
b. partijen de makelaar een reële marktconforme verkoopprijs en laatprijs laten bepalen;
c. partijen als opleverdatum uiterlijk zes maanden na het in deze te wijzen vonnis aanhouden;
d. partijen al het nodige moeten doen om het verkooptraject goed te laten verlopen, waaronder het meewerken aan de afgifte van de sleutels aan de makelaar, het toestaan van bezichtigingen, het bezichtigingswaardig en schoon houden van de woning, de ondertekening van de verkoopovereenkomst, ondertekening van de akte van levering en het verrichten van alle overige handelingen die voor de verkoop noodzakelijk zijn;
5.4.
bepaalt – voor het geval een van partijen niet aan het onder 5.3 genoemde uitgesproken bevel voldoet – dat de andere partij wordt gemachtigd tot het verrichten van handelingen tot verkoop en levering van de woning en dat dit vonnis in de plaats treedt van de instemmende wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van de weigerachtige partij die noodzakelijk is voor de verkoop en levering van de woning aan een derde;
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.”
Procesverloop
3.2.4.
De vrouw heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Zij heeft als volgt geconcludeerd (voor zover nu nog van belang):
“Dat het uw Gerechtshof moge behagen
a. (...)
b. bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen het vonnis van 15 juli 2024 van de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Zeeland - West-Brabant, (…) en daarbij zo nodig opnieuw rechtdoende, geïntimeerde niet-ontvankelijk te verklaren in diens oorspronkelijke vorderingen, dan wel diens vorderingen af te wijzen, zulks met veroordeling van geïntimeerde in de proceskosten van beide instanties, althans kosten rechtens.”
De vrouw heeft hiertoe vier grieven aangevoerd. Haar grieven keren zich, kort samengevat, tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de man alsnog door de vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om de overname van de woning tegen een bedrag van € 357.500,-- te bewerkstelligen, waarbij hij uiterlijk op 21 september 2024 moet aantonen dat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek kan en zal worden ontslagen, dit in weerwil van de voor beide partijen verstreken en in rechte aangewezen financieringstermijn op 21 juni 2024.
3.2.5.
De man heeft de grieven van de vrouw weersproken. Hij concludeert:
“Dat het uw gerechtshof moge behagen bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, appellante niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel haar vorderingen af te wijzen, althans haar dienen te worden ontzegd, zulks met veroordeling van appellante in de proces- en advocaatkosten van beide instanties, althans kosten rechtens.”
Spoedeisend belang
3.3.
Voordat het hof toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van de grieven in hoger beroep, zal het hof beoordelen of in deze zaak sprake is van een spoedeisend belang. Het hof stelt daarbij voorop dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig is (vgl. HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437).
3.4.
Naar het oordeel van het hof ligt in de stellingen van de vrouw alsmede in de aard van de vorderingen het spoedeisend belang van de vorderingen in hoger beroep voldoende besloten.
De grieven
3.5.
De grieven 1 tot en met 4 keren zich tegen rov. 4.5 tot en met 4.8 van het bestreden vonnis. De voorzieningenrechter heeft daarin het volgende overwogen:
“4.5. In de kern verschillen partijen van mening over de vraag of de in rechtsoverweging 3.3.13 van de beschikking van 21 december 2023 genoemde termijnen strikt moeten worden toegepast. Bij de uitleg van de in deze rechtsoverweging opgenomen beslissing dienen het doel en de strekking van de beslissing tot richtsnoer te worden genomen, in die zin dat de beslissing niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Ten slotte kunnen ook de maatstaven van redelijkheid en billijkheid van belang zijn. Daarnaast geldt dat deelgenoten in hun rechtsbetrekking verplicht zijn zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 3:166 lid 3 in samenhang met artikel 6:2 van het Burgerlijk Wetboek.
4.6.
Uit de beschikking volgt dat doel en strekking van de beslissing is dat partijen in eerste instantie meewerken aan toedeling van de woning aan de vrouw en in tweede instantie, als zij niet in staat is de woning binnen de gestelde termijn onder de genoemde voorwaarde over te nemen, aan toedeling van de woning aan de man. Een redelijke interpretatie van de tekst van de beschikking brengt met zich dat aan overweging 3.3.13 is voldaan zodra vaststaat dat -in dit geval- de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid kan en zal worden ontslagen. De rechtbank heeft niet nader gemotiveerd waarom zij heeft gekozen voor een termijn van drie maanden, maar het komt de voorzieningenrechter voor dat deze termijn is gegeven als stok achter de deur en niet als vervaltermijn. Het gaat erom dat beide partijen zich voldoende dienen in te spannen om dat doel te bereiken, waarbij de rechtbank drie maanden als redelijke termijn heeft geacht. Of en in hoeverre de man strikt gehouden kan worden aan die termijn, is afhankelijk van de mate waarin met name de man, maar ook de vrouw, hebben voldaan aan hun inspanningsverplichtingen.
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man met de overgelegde correspondentie genoegzaam onderbouwd dat hij zich voldoende heeft ingespannen om de financiering voor de overname zo snel als mogelijk geregeld te krijgen. In het midden kan worden gelaten waaraan of aan wie desondanks de termijnoverschrijding te wijten is geweest. Zo heeft de man onweersproken gesteld dat de aanvankelijk terughoudende opstelling van Florius in de bereidwilligheid om financiering te verstrekken een vertragende factor is geweest. Maar ook is de voorzieningenrechter gebleken dat de vrouw niet altijd voortvarend te werk is gegaan, door met betrekking tot elk (herhaald) verzoek van de man (om informatie te verstrekken, dan wel stukken over te leggen of te ondertekenen) vragen te stellen en/of bezwaren op te werpen. Verder neemt de voorzieningenrechter mee dat de vrouw financieel niet in staat was en nog steeds niet in staat is de woning over te nemen, zodat zij bij overname door de man niet wordt benadeeld. De vrouw wordt in geval van overname door de man evenmin financieel benadeeld. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij weliswaar gesteld dat een makelaar haar heeft voorgehouden dat de woning voor een veel hoger bedrag kan worden verkocht dan de waarde waartegen de woning aan de man zou worden toegedeeld, maar zij heeft haar stelling op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien staat vast dat het een recreatiewoning betreft waar in beginsel permanente bewoning niet is toegestaan en waarvoor -zoals door de man onweersproken gesteld- dan
ook moeilijk financiering van de bank voor te krijgen is, hetgeen de waarde van de woning enorm zal drukken. Daarbij komt dat de vrouw, nota bene als eerste, in de gelegenheid is gesteld de woning over te nemen tegen de overeengekomen waarde van € 357.500,= zodat ook de man in de gelegenheid moet worden gesteld de woning tegen die waarde over te nemen. De voorzieningenrechter is in het licht van de omschreven omstandigheden van oordeel dat de opgetreden termijnoverschrijding aan de zijde van de man niet rechtvaardigt dat de kans van de man op overname van de woning is verkeken. Nu bovendien aannemelijk is dat de toedeling van de woning aan hem spoedig geregeld kan zijn is een strikte uitleg van de termijn van drie maanden zoals de vrouw nu voorstaat, niet redelijk.
4.8.
Uit het voorgaande vloeit voort dat de man alsnog door de vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om de overname van de woning tegen een bedrag van € 357.500 = te bewerkstelligen, waarbij de man uiterlijk 21 september 2024 moet aantonen dat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek kan en zal worden ontslagen. Dat betekent dat de vrouw niet langer haar medewerking hoeft te verlenen aan toedeling van de woning aan de man indien de man niet uiterlijk 21 september 2024 heeft aangetoond dat de vrouw kan en zal worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De vorderingen van de man in conventie onder I.
Procesverloop
worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum wordt verwoord.”
3.6.
De vrouw voert, samengevat, aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft bepaald dat de man alsnog door de vrouw in de gelegenheid moet worden gesteld om de overname van de woning te bewerkstelligen, waarbij de man uiterlijk 21 september 2024 moet aantonen dat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheek kan en zal worden ontslagen. Als gevolg van die beslissing hebben partijen geen gelijke termijn gehad waarbinnen zij de overname van de woning hebben kunnen realiseren terwijl rov. 3.3.13. van de beschikking van 21 december 2023 geen ruimte laat voor enige interpretatie van de termijnregeling. De woning had verkocht moeten worden nu het de man niet is gelukt om haar binnen drie maanden te doen ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Daarbij speelt ook een rol dat door versoepeld beleid van de gemeente ten aanzien van permanent verblijf in recreatiewoningen, de woning thans een waarde vertegenwoordigt van minimaal € 550.000,--. Zij legt hiertoe over een drietal recente waarderingen van de woning (producties 9 t/m 11). Bij de afweging van de wederzijdse belangen heeft de voorzieningenrechter onvoldoende gewicht toegekend aan de noodsituatie waarin de vrouw is komen te verkeren.
3.7.
De man heeft de grieven weersproken. Hij is het eens met de beslissing van de voorzieningenrechter waarbij in redelijkheid aan de man een termijnverlenging is toegekend.
Duidelijk is dat de vrouw financieel gezien niet in staat is om de woning over te nemen en de man wel. Hij liep echter vanaf het begin aan tegen problemen om de (her)financiering rond te krijgen. De daardoor opgelopen vertraging is door de vrouw bewerkstelligd. Hij verwijst daarbij naar hetgeen de voorzieningenrechter hierover heeft overwogen in rov. 4.7 van het bestreden vonnis, in het bijzonder dat de vrouw met betrekking tot elk (herhaald) verzoek van de man (om informatie te verstrekken, dan wel stukken over te leggen of te ondertekenen) vragen stelt en/of bezwaren opwerpt. De vrouw ging zelfs zo ver dat zij in het voor hem cruciale proces van (her)financiering, achter zijn rug om Florius heeft benaderd om hem van alles en nog wat te beschuldigen. Betwist wordt de juistheid van de door de vrouw overgelegde waarderingen van de woning. Zij heeft deze waarderingen in ‘haar voordeel’ doen laten opstellen. Partijen zijn in de echtscheidingsprocedure, aan de hand van een tweetal in die procedure overgelegde taxatierapporten, gezamenlijk tot een waarde gekomen van € 357.500,--. Inmiddels is de vrouw ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening en staat de woning op naam van de man.
3.8.
Het hof oordeelt als volgt.
3.8.1.
In geschil is de vraag of de man in weerwil van de door de rechtbank bij beschikking van 21 december 2023 gestelde termijn van drie maanden (rov. 3.3.13), een extra termijn mag krijgen voor het overnemen van de woning. In het kader van de alomvattende belangenafweging die het hof dient te maken, is het hof met de voorzieningenrechter, en op dezelfde gronden als de voorzieningenrechter die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat dit het geval is. Het hof overweegt in aanvulling daarop nog het volgende.
3.8.2.
De man heeft gesteld dat het voornamelijk aan de vrouw te wijten is dat het hem niet is gelukt om haar binnen de door de rechtbank bij echtscheidingsbeschikking van 21 december 2023 vastgestelde termijn, die op 21 juni 2024 eindigde, te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. De vrouw heeft dit onvoldoende betwist. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de door haar, in haar grief 4, opgeworpen bezwaren zien op de periode nadat de voorzieningenrechter zijn vonnis wees (en dus niet op de periode voorafgaand aan 21 juni 2024). In dat licht bezien, acht het hof het redelijk dat aan de man een extra termijn is gegund om de woning over te nemen. Dat de woning, voor zover al juist, flink in waarde is gestegen, maakt dit niet anders. Voor zover de vrouw voorts heeft bedoeld te betogen dat de redelijkheid en billijkheid in de weg hebben gestaan aan een termijnverlening heeft zij, tegenover de betwisting door de man, daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld.
3.8.3.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven van de vrouw falen.
Proceskosten
3.9.
Partijen hebben over en weer een proceskostenveroordeling gevorderd. Gelet op de onderlinge relatie van partijen (zij zijn voormalige echtgenoten), ziet het hof geen aanleiding om één van partijen te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Het hof zal met toepassing van art. 237 jo. art. 353 Rv de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten van het hoger beroep draagt.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;
compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.J.F. Manders, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 april 2025.
griffier rolraadsheer