Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:518
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep kort geding
4,181 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.343.937/01
arrest van 25 februari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats] , België,
appellant,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. D.N. Lavain te Stein,
tegen
1 [geïntimeerde sub 1] ,wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. W.G.A. van Hoogstraten te Beuningen,
op het bij exploot van dagvaarding van 19 juni 2024 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 22 mei 2024, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen in kort geding tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden.
Procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven;
de memorie van antwoord;
de op 21 januari 2025 gehouden mondelinge behandeling.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Beoordeling
Inleiding en samenvatting
3.1.1.
[geïntimeerden] huren sinds 2017 een vakantiewoning van [appellant] . De woning staat op een vakantiepark. In de huurovereenkomst is vermeld dat de huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en dat de vakantiewoning uitsluitend mag worden gebruikt als tijdelijke woonruimte. [geïntimeerden] gebruiken deze vakantiewoning om te recreëren. Zij doen dat het hele jaar, maar niet op vaste tijdstippen. Het hangt van het seizoen af hoe vaak en hoe lang zij daar verblijven. Zij wonen in Lelystad.
3.1.2.
[appellant] heeft de huurovereenkomst opgezegd. [geïntimeerden] weigeren echter de vakantiewoning te ontruimen. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de opzegging niet ertoe heeft geleid dat er een einde is gekomen aan de huurovereenkomst. Volgens [geïntimeerden] hebben zij recht op huurbescherming voor huurders van woonruimte. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] opgezegd in strijd met wettelijke bepalingen, waarvan niet mag worden afgeweken in een contract.
3.1.3.
[appellant] heeft in dit kort geding ontruiming gevorderd van de vakantiewoning. De kantonrechter heeft deze vordering afgewezen. Het voorlopige oordeel van de kantonrechter was dat de dwingendrechtelijke wettelijke bepalingen met betrekking tot huur van woonruimte van toepassing zijn en dat deze huurovereenkomst niet valt onder de uitzondering van artikel 7:233 lid 2 BW.
3.1.4.
Ook het hof kan alleen maar een voorlopig oordeel geven over deze zaak. Het hof komt tot hetzelfde oordeel als de kantonrechter. Dat betekent dat [geïntimeerden] de vakantiewoning (voorlopig) niet hoeven te ontruimen dus dat de vordering tot ontruiming wordt afgewezen. Het hof is net als de kantonrechter (voorlopig) van oordeel dat [appellant] de huurovereenkomst niet op rechtsgeldige wijze heeft opgezegd.
Feiten
3.2.
Het hof gaat in dit hoger beroep uit van de volgende feiten.
3.2.1.
[geïntimeerden] hebben op 30 september 2016 een huurovereenkomst gesloten met de rechtsvoorganger van [appellant] met ingang van 1 oktober 2016 voor onbepaalde tijd. Deze huurovereenkomst had betrekking op een vakantiewoning in vakantiepark [XX] in [plaats A]. In de huurovereenkomst is vermeld dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als tijdelijke woonruimte.
3.2.2.
[appellant] is op 1 september 2017 eigenaar geworden van die vakantiewoning. Hij heeft met [geïntimeerden] een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot die vakantiewoning ingaande 1 oktober 2017 voor onbepaalde tijd. Beide partijen hebben een ondertekende huurovereenkomst gedateerd 3 oktober 2017 overgelegd, waarbij in de door [appellant] overgelegde huurovereenkomst is vermeld dat het gehuurde gemeubileerd is, hetgeen niet is vermeld in de door [geïntimeerden] overgelegde huurovereenkomst. In de door [appellant] overgelegde huurovereenkomst is ook opgenomen dat [geïntimeerden] een inboedelverzekering moeten afsluiten, terwijl dat in de door [geïntimeerden] overgelegde huurovereenkomst niet is vermeld. In beide overeenkomsten is opgenomen dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om te worden gebruikt als tijdelijke woonruimte.
3.2.3.
Bij exploot van 27 december 2023 heeft [appellant] een brief gedateerd 22 december 2023 aan [geïntimeerden] betekend, waarin de huur van de vakantiewoning wordt opgezegd tegen 1 april 2024.
De vorderingen
3.3.1.
[appellant] heeft (samengevat) gevorderd dat de kantonrechter [geïntimeerden] (hoofdelijk) veroordeelt:
- om de vakantiewoning te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden;
- om (bij wijze van voorschot) aan hem een gebruiks-/schadevergoeding te betalen vanaf 1 april 2024 tot het moment dat zij de woning hebben verlaten;
- in de proceskosten.
3.3.2.
De kantonrechter heeft alle vorderingen afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.
3.3.3.
[appellant] wil in hoger beroep dat het hof het vonnis vernietigt en al zijn vorderingen alsnog toewijst met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten. Verder wil [appellant] dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om aan hem de proceskosten terug te betalen waartoe hij is veroordeeld door de kantonrechter.
De bevoegdheid van het hof en de toepasselijkheid van Nederlands recht
3.4.
[appellant] woont in België. Het geschil heeft dus internationale aspecten, zodat allereerst moet worden onderzocht of de Nederlandse rechter bevoegd is er kennis van te nemen. Dat is het geval. Op grond van artikel 24 lid 1 van de herschikte EEX-Verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.
Het hof begrijpt uit de standpunten van partijen dat zij het erover eens zijn dat Nederlands recht van toepassing is op hun rechtsverhouding.
Beoordeling
3.5.1.
Het hof stelt voorop dat deze procedure een kort geding betreft. Dat betekent dat het hof alleen maar een voorlopig oordeel kan geven over het geschil. Het hof zal gaan inschatten wat de uitkomst zal zijn van een bodemprocedure.
3.5.2.
Het hof is van oordeel dat [appellant] nog steeds een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde ontruiming. Het hof is het in dat opzicht volledig eens met het oordeel van de kantonrechter. Daarin is geen wijziging gekomen door het verstrijken van de tijd. Ook nu is het (nog steeds) zo dat het erom gaat of [geïntimeerden] onrechtmatig gebruik maken van de woning van [appellant] .
3.5.3.
Zoals hiervoor in de inleiding al is vermeld, gaat het erom of [appellant] de huurovereenkomst kon opzeggen zoals hij dat heeft gedaan volgens de bepalingen in het huurcontract, of dat dit in strijd was met wettelijke bepalingen waarvan niet mag worden afgeweken. Die wettelijke bepalingen waarvan niet mag worden afgeweken staan in afdeling 5 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). In artikel 7:232 lid 2 BW is bepaald wanneer die afdeling niet van toepassing is:
Deze afdeling is niet van toepassing op huur welke een gebruik van woonruimte betreft dat naar zijn aard slechts van korte duur is.
Het gaat erom of deze uitzondering in deze situatie van toepassing is.
Volgens [appellant] is dat het geval. Volgens hem valt de huur van deze vakantiewoning onder de uitzondering, omdat de woning op een vakantiepark staat waar niet gewoond mag worden. Er wordt alleen gerecreëerd en in de huurovereenkomst wordt vermeld dat het ‘tijdelijk’ is. Volgens [geïntimeerden] hebben zij de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten en gaat het niet om ‘naar zijn aard van slechts korte duur’, omdat zij al jaren lang de vakantiewoning huren en deze het hele jaar door met regelmaat gebruiken. Volgens [geïntimeerden] is de uitzondering dus niet aan de orde.
3.5.4.
Het hof stelt voorop dat, zoals de kantonrechter heeft overwogen, volgens vaste rechtspraak geldt dat terughoudendheid past bij het aannemen van de uitzondering (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 januari 1999 (ECLI:NL:HR:1999:AA5088 Oostenrijkse zomerwoningen). Bij de beantwoording van de vraag of de uitzondering van artikel 7:232 lid 2 BW van toepassing is, moet worden gelet op de aard van de woning, de aard van het gebruik en hetgeen partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan.
3.5.5.
Het hof is voorlopig van oordeel dat de uitzondering niet van toepassing is op deze huurovereenkomst. Het hof zal bespreken waarom dat zo is, waarbij de hiervoor genoemde gezichtspunten in de beoordeling worden betrokken.
3.5.5.1. Tussen partijen staat vast dat de woning een vakantiewoning betreft en dus is bedoeld voor recreatie. Dat blijkt ook duidelijk uit het feit dat de vakantiewoning op een vakantiepark staat. [geïntimeerden] gebruiken de woning vaak, maar niet permanent. Zij verblijven er wel regelmatig, maar zij hebben hun hoofdverblijf elders.
3.5.5.2. Partijen zijn overeengekomen dat [geïntimeerden] voor onbepaalde tijd gebruik mogen maken van de vakantiewoning. [geïntimeerden] hebben ter zitting verklaard dat zij met name op zoek waren naar een vakantiewoning waar kon worden getuinierd, omdat zij (destijds) een appartement als hoofdverblijf hadden. Zij hebben verklaard dat zij (in verband met pensioen) de mogelijkheid hadden om te komen en te gaan naar believen en dat dit, samen met de wens om te kunnen tuinieren, de reden was om voor langere tijd de vakantiewoning te gaan huren van de rechtsvoorganger van [appellant] . Daarin is volgens [geïntimeerden] niets gewijzigd toen [appellant] eigenaar werd van de vakantiewoning, terwijl de aankoop voor hem slechts een investering betrof.
[appellant] heeft erop gewezen dat in het huurcontract is vermeld dat het gaat om tijdelijke woonruimte. Hij heeft ter zitting verklaard dat het verblijf tijdelijk was omdat [geïntimeerden] destijds hun hoofdverblijf hadden verkocht en dat zij, ter overbrugging naar andere woonruimte, de vakantiewoning wilden huren (althans zo begrijpt het hof zijn verklaring). [geïntimeerden] hebben bevestigd dat zij enige tijd bij de gemeente [plaats A] ingeschreven hebben gestaan op het adres van de vakantiewoning. Zij hebben verklaard dat dit was omdat zij hun toenmalige hoofdverblijf hadden verkocht en zij een adres nodig hadden om de post te ontvangen. [geïntimeerden] hebben echter betwist dat dit de reden was om de vakantiewoning te huren. Volgens [geïntimeerden] was dat pas aan de orde eind 2017, begin 2018.
Zoals hiervoor al is vermeld, is dit een kort geding en zal het hof een voorlopig oordeel geven op basis van wat het meest aannemelijk is op grond van de processtukken en wat is besproken tijdens de zitting. Het hof zal in dit kort geding alleen maar uitgaan van het meest aannemelijke standpunt en niet nader gaan onderzoeken wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Zo is in dit kort geding geen plaats voor het horen van getuigen.
Het hof acht de stelling van [appellant] onvoldoende aannemelijk, omdat [geïntimeerden] al een jaar de vakantiewoning huurden toen [appellant] eigenaar werd. Ook toen al huurden zij voor onbepaalde tijd. En als al uitgegaan moet worden van het standpunt van [appellant] , dan valt niet in te zien waarom hij niet heeft gevraagd waarom [geïntimeerden] niet uit de vakantiewoning vertrokken toen zij een nieuwe woning hadden gekocht. Dat had wel voor de hand gelegen als hij met hun was overeengekomen dat zij na het vinden van een nieuw hoofdverblijf zouden vertrekken.
3.5.5.3. [appellant] heeft erop gewezen dat in de huurovereenkomst staat dat sprake is van tijdelijke huur. Dat er ‘tijdelijk’ staat in het contract, slaat (naar het voorlopig oordeel van het hof) op ‘niet permanent’, omdat het (in bestuursrechtelijk opzicht) is verboden om permanent op het park te wonen. Het hof acht aannemelijk dat om die reden ‘tijdelijk’ is vermeld in het huurcontract.
3.5.5.4. Voor wat betreft de beoogde duur van het gebruik is hiervoor al vermeld dat de huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en dat dit ook al zo was voordat [appellant] de vakantiewoning in eigendom verkreeg. [geïntimeerden] huurden de vakantiewoning toen al een jaar. Het hof acht in dit verband van belang dat [geïntimeerden] ter zitting hebben verklaard dat zij zeer regelmatig in de vakantiewoning verblijven, gemiddeld ongeveer één week per maand, maar dat dit een gemiddelde is en dat het wisselt afhankelijk van het seizoen. Het hof acht met name van belang dat [geïntimeerden] altijd volledig zelf hebben kunnen bepalen wanneer zij de vakantiewoning bewonen. Weliswaar verblijven [geïntimeerden] niet gedurende één lange aaneengesloten periode in de vakantiewoning, maar zij kunnen wel geheel zelf bepalen wanneer zij erheen gaan. Zij hoeven dat niet tevoren vast te leggen of aan te melden. Het hof begrijpt dat dit precies hun bedoeling was toen zij de vakantiewoning gingen huren. Zij wilden de vrijheid hebben om te komen en te gaan op momenten die zij wilden.
3.5.5.5. Verder acht het hof van belang dat [geïntimeerden] al bij aanvang van de huurovereenkomst in de woning hebben geïnvesteerd. Zij hebben de woning zelf netjes gemaakt, ingericht en zij hebben de tuin aangelegd en onderhouden. In dit verband is ook van belang dat [geïntimeerden] zelf contracten hebben afgesloten met betrekking tot energie, internet en televisie.
In al deze opzichten wijkt hun gebruik sterk af van het huren van een gemeubileerde vakantiewoning die moet worden geboekt in een exact afgesproken periode, waarbij alles is geregeld met betrekking tot nutsvoorzieningen en het juist niet de bedoeling is om iets te wijzigen aan de inrichting of de tuin.
Conclusie
3.6.1.
Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen. Hieruit volgt dat de vordering van [appellant] tot terugbetaling van de proceskosten waartoe hij is veroordeeld door de kantonrechter moet worden afgewezen.
3.6.2.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerden] zullen vastgesteld worden op:
griffierechten € 349,00
salaris advocaat € 2.428,00 (2 punt(en) x tarief II)
nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.955,00
3.6.3.
Het hof zal de veroordeling tot betaling van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals door [geïntimeerden] is verzocht.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep,
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep die het hof heeft begroot op
€ 2.955,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet hij € 92,- extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, M. van Ham en J.J.M. Saelman en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2025.
griffier rolraadsheer