Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-02-25
ECLI:NL:GHSHE:2025:516
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
7,130 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.338.826/01
arrest van 25 februari 2025
in de zaak van
[appellant]
,
wonende te [woonplaats], [gemeente A],
appellant, hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. J. Wassink te Wijchen,
tegen
Bouw- en Timmerbedrijf [XX] V.O.F.,
gevestigd te [gemeente A], [gemeente B],
geïntimeerde, hierna in mannelijk enkelvoud te noemen: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A. de Rooij te Leusden.
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 april 2024 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 9903000 \ CV EXPL 22-2496 gewezen vonnis van 13 december 2023.
5Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenarrest van 30 april 2024 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 29 mei 2024;
de memorie van grieven met een voorwaardelijke wijziging van eis;
de memorie van antwoord.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
De zaak in het kort en de beslissing van het hof
[geïntimeerde] heeft een begroting opgesteld voor het verrichten van diverse verbouwings-werkzaamheden aan de garage en berging van [appellant] . Partijen hebben daarna een overeenkomst van aanneming van werk op basis van regie met nacalculatie gesloten. Volgens [appellant] geldt de begroting als richtprijs en heeft [geïntimeerde] deze ten onrechte met meer dan 10% overschreden, zodat hij de openstaande facturen niet hoeft te betalen en recht heeft op terugbetaling van het volgens hem teveel betaalde bedrag. Ook vindt [appellant] dat bepaalde werkzaamheden door [geïntimeerde] niet deugdelijk zijn uitgevoerd en vordert hij daarvoor een schadevergoeding.
Het hof komt tot het oordeel dat [geïntimeerde] een redelijke prijs heeft gerekend voor de door hem verrichte werkzaamheden en het begrote bedrag niet met meer dan 10% heeft overschreden, zodat [appellant] de openstaande facturen moet betalen en er geen reden is voor enige terugbetaling. Het hof is daarnaast van oordeel dat [geïntimeerde] niet in verzuim is geraakt, zodat hij geen schadevergoeding is verschuldigd aan [appellant] . Het hof bekrachtigt het vonnis.
6De verdere beoordeling
De voor deze zaak relevante feiten
6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
Partijen zijn met elkaar overeengekomen dat [geïntimeerde] de garage en de berging bij [appellant] zou gaan vervangen.
6.1.2.
In dit kader heeft [geïntimeerde] een begroting opgesteld. [geïntimeerde] heeft deze begroting gebaseerd op het uitgangspunt dat er 807,51 manuren noodzakelijk zouden zijn om het project af te ronden. In de begroting is een bedrag aan totaalkosten inclusief btw van € 114.405,59 opgenomen. Partijen hebben met elkaar afgesproken dat [geïntimeerde] na de aanvang van de werkzaamheden steeds om de twee weken zou factureren.
6.1.3.
Nadat [geïntimeerde] is gestart met de uitvoering van de werkzaamheden, is er op enig moment onvrede over de voortgang hiervan bij [appellant] ontstaan. Naar aanleiding hiervan heeft er op 2 november 2021 een gesprek tussen partijen plaatsgevonden. [appellant] heeft de inhoud van dit gesprek per e-mail aan [geïntimeerde] bevestigd. In deze e-mail schrijft [appellant] onder andere: "Ondergetekende heeft inmiddels alle facturen overgemaakt, op de kleinste na, zoals afgesproken.".
6.1.4.
[geïntimeerde] heeft op 3 november 2021 op deze e-mail gereageerd, door steeds achter
de afzonderlijk door [appellant] genoemde onderdelen op te merken of dit zou worden opgelost
en zo ja, hoe en wanneer.
6.1.5.
Op 16 november 2021 heeft [appellant] per brief opnieuw zijn ongenoegen over de
voortgang van de werkzaamheden aan zijn garage en zijn berging kenbaar gemaakt. In deze
brief schrijft [appellant] , voor zover van belang:
"(...)
In de begroting hebt u 800 uren staan voor de werkzaamheden incl. vloer en tegelwerk. Inmiddels ruim 1200 uur gemaakt, bouw nog lang niet klaar! Hoe verklaart u zoveel extra uren?
De extra uren voor het tussen gedeelte nieuwbouw naar woning heb ik nauwkeurig bijgehouden.
De fouten in de bouw zijn nog niet allemaal hersteld, ook al belooft u dat wel te doen. voor de fouten die u niet kunt herstellen zal een andere regeling getroffen moeten worden.
Ik geef u 14 dagen om nauwkeurig aan te geven wanneer en op welke termijn u alles gaat herstellen!
Indien Bouw- en timmerbedrijf [XX] na het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft deze verplichtingen na te komen, is Bouw- en Timmerbedrijf [XX] juridisch gezegd in verzuim. Met alle mogelijke gevolgen van dien, waaronder begrepen maar niet beperkt tot de mogelijkheid voor A.J.P. [appellant] tot het verkrijgen van schadevergoeding van alle geleden en nog te lijden schade door de wanprestatie van Bouw- en Timmerbedrijf [XX] .
(...)"
6.1.6.
[geïntimeerde] heeft hier op 25 november 2021 als volgt per e-mail op gereageerd:
"Volgens afspraak hebben wij per direct alle puntjes opgelost die je nog opgelost wou zien. Zoals afgesproken met [geïntimeerde] zou jij vanuit jou kant de openstaande facturen meteen overmaken.
De facturen die nu nog open staan zijn:
2100324 11-okt € 2.886,84
2100368 8-nov € 4.796,27
2100383 15-nov € 409,44
2100386 22-nov € -27,85
Totaal € 8.120,40
Graag zouden we zien dat jij je ook aan de gemaakte afspraak houdt en de facturen binnen
5 dagen na heden betaald.”
6.1.7.
[appellant] heeft de nog openstaande facturen onbetaald gelaten. [geïntimeerde] heeft nadien
geen werkzaamheden meer bij [appellant] verricht.
6.1.8.
Hoewel de gemachtigden van [geïntimeerde] en [appellant] een poging hebben gedaan om
een voor beide partijen bevredigende oplossing te vinden, zijn zij hier uiteindelijk niet in
geslaagd.
6.1.9.
[appellant] heeft een deskundige van Bouwkundig Adviesbureau [YY] (hierna: [YY] ) ingeschakeld om de wijze waarop [geïntimeerde] de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd te beoordelen. [geïntimeerde] heeft een contra-expertise uit laten voeren door [bedrijf A] (hierna: [bedrijf A] ). Beide deskundigen hebben onderzoek gedaan en hun bevindingen opgenomen in een deskundigenrapport.
Procesverloop
6.2.
[geïntimeerde] vordert in deze procedure om [appellant] te veroordelen tot betaling van de openstaande facturen voor een totaalbedrag van € 8.120,40 inclusief btw en een bedrag van € 945,03 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente, en de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Hij verzoekt de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.3.
[appellant] heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld. Hij vordert op zijn beurt in deze procedure – samengevat – om:
te bepalen dat [appellant] is bevrijd van zijn verbintenis jegens [geïntimeerde] tot betaling van de openstaande facturen;
[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen (primair) een bedrag van € 25.785,58 voor teveel in rekening gebrachte manuren, ofwel (subsidiair) een bedrag van € 21.135,61 voor teveel in rekening gebrachte totaalkosten;
[geïntimeerde] te veroordelen om aan [appellant] te betalen een schadevergoeding van € 8.179,60 inclusief btw;
[geïntimeerde] te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
[appellant] verzoekt de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.4.
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd. Dit verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna bij de beoordeling aan de orde komen.
6.5.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] en [appellant] een regieovereenkomst zijn aangegaan, waarbij op basis van nacalculatie werd gefactureerd. Om die reden was er geen sprake van meer- of minderwerk. [geïntimeerde] heeft een redelijke prijs gerekend en heeft niet teveel manuren of totaalkosten in rekening gebracht. [appellant] moet de openstaande facturen betalen.
De kantonrechter komt verder tot het oordeel dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, doordat een overeengekomen koudebrug ontbreekt en niet meer kan worden hersteld. Hiervoor dient [geïntimeerde] een schadevergoeding aan [appellant] te betalen. Ten aanzien van de gemetselde getoogde bovendorpel is geen sprake van een tekortkoming en is [geïntimeerde] geen schadevergoeding verschuldigd.
6.6.
De kantonrechter heeft in conventie [appellant] veroordeeld tot betaling van de openstaande facturen, de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. In reconventie is [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding van € 1.210,-- en de proceskosten. De kantonrechter heeft het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Procesverloop
6.7.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. Ook heeft hij voorwaardelijk zijn eis vermeerderd. Hij vordert in hoger beroep:
I. dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en de vorderingen van [appellant] alsnog zal toewijzen.Uitsluitend in het geval grief 1 faalt en het hof van oordeel is dat [appellant] geen gerechtvaardigde verwachtingen mocht ontlenen aan de door [geïntimeerde] verstrekte begroting, dan vordert [appellant] dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 62.777,07, vermeerderd met de wettelijke rente;
II. te bepalen dat [geïntimeerde] alles wat door [appellant] op basis van het vonnis aan [geïntimeerde] is voldaan binnen twee weken dient terug te betalen;
III. [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van de procedure zowel in eerste aanleg als
in hoger beroep.
[appellant] verzoekt het hof de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.8.
[geïntimeerde] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep. [geïntimeerde] verzoekt het arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
6.9.
[geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de toewijzing van de schadevergoeding voor het ontbreken van de koudebrug. Deze vordering maakt daarom geen deel uit van dit hoger beroep.
De bespreking van de grieven
6.10.
Met de eerste grief betoogt [appellant] dat hij er op mocht vertrouwen dat [geïntimeerde] niet meer dan 110% van het begrote aantal manuren zou factureren, of in ieder geval niet meer dan 110% van het begrote totaalbedrag. De grief is erop gericht dat [appellant] de openstaande facturen niet hoeft te betalen en het volgens hem teveel betaalde bedrag terug krijgt. Met de tweede grief beoogt [appellant] dat de door hem gevorderde schadevergoeding voor het ontbreken van de gemetselde getoogde bovendorpel alsnog wordt toegewezen.
De overschrijding van de begroting (grief 1)
6.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat zij een overeenkomst van aanneming van werk op basis van regie met nacalculatie hebben gesloten. Voorafgaand aan het sluiten van de aannemingsovereenkomst heeft [geïntimeerde] voor het project een begroting opgesteld. De begroting was gebaseerd op 807,51 manuren en sloot op een totaalbedrag van € 114.405,59 inclusief btw. Omdat [appellant] de vrijheid wilde hebben om bepaalde werkzaamheden zelf uit te voeren of door een derde te laten uitvoeren, zijn partijen vervolgens geen vaste aanneemsom overeengekomen voor de uitvoering van het werk, maar hebben zij afgesproken dat [geïntimeerde] elke twee weken een factuur zou sturen voor de over de afgelopen periode verrichte werkzaamheden, tegen een uurtarief van € 47,50 exclusief btw.
6.12.
Nu partijen geen vaste prijs zijn overeengekomen, dient [appellant] voor het verrichte werk een redelijke prijs te betalen (artikel 7:752 lid 1 BW, eerste volzin). Het is aan [geïntimeerde] om gemotiveerd te stellen dat hij een redelijke prijs in rekening heeft gebracht. [geïntimeerde] heeft daartoe verwezen naar het rapport van [bedrijf A] . De deskundige van [bedrijf A] schrijft in zijn rapport:
"
3. Wat is volgens u een redelijke en marktconforme prijs voor de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden?
Antwoord:
Conform de facturen van [geïntimeerde] .
Op basis van de handgeschreven urenbriefjes van de medewerkers van [geïntimeerde] is er geen gerede twijfel over de gefactureerde arbeidskosten. Wij hebben hierin geen onaanvaardbare afwijkingen aangetroffen."
[appellant] heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. [appellant] heeft niet bestreden dat de door [geïntimeerde] opgevoerde uren en materialen ten behoeve van zijn project zijn gebruikt. De door [appellant] ingeschakelde deskundige [YY] laat zich alleen uit over het gefactureerde aantal manuren in relatie tot het aantal begrote manuren. Uit het rapport van [YY] volgt echter niet dat het gefactureerde aantal manuren niet in verhouding zou staan tot de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden, of dat het uurtarief of de materiaalkosten niet redelijk of marktconform zouden zijn.
Daarmee staat vast dat [geïntimeerde] een redelijke prijs in rekening heeft gebracht voor de door hem verrichte werkzaamheden.
6.13.
[appellant] stelt zich op het standpunt dat de begroting heeft te gelden als een richtprijs in de zin van artikel 7:752 BW. Hij stelt dat [geïntimeerde] met de begroting bij hem de verwachting heeft gewekt dat het aantal in de begroting opgenomen manuren, dan wel het begrote totaalbedrag, niet meer dan 10% overschreden zou worden. Volgens de berekening van [appellant] is het begrote aantal manuren met meer dan 10% overschreden en is daarnaast ook het totaalbedrag met 10% overschreden. Deze overschrijding is volgens [appellant] niet redelijk, zodat hij de openstaande facturen niet hoeft te voldoen en daarnaast recht heeft op terugbetaling van (primair) de teveel betaalde manuren, of (subsidiair) in ieder geval het teveel betaalde totaalbedrag.
6.14.
Een richtprijs in de zin van artikel 7:752 BW is een prijsindicatie in de vorm van een globale of geschatte prijs of een kostenraming. Wanneer de in redelijkheid vastgestelde prijs de oorspronkelijk genoemde richtprijs met meer dan 10% overschrijdt, is de opdrachtgever alleen tot betaling van het meerdere verplicht wanneer de aannemer de opdrachtgever zo tijdig mogelijk voor de waarschijnlijkheid van overschrijding van de oorspronkelijke richtprijs met meer dan 10% heeft gewaarschuwd, om zo de opdrachtgever de gelegenheid te geven het werk alsnog te beperken of te vereenvoudigen.
6.15.
De stelling dat het aantal begrote manuren niet meer dan 10% zou mogen worden overschreden, gaat niet op. Artikel 7:752 BW spreekt expliciet van een richtprijs en de door de aannemer ten aanzien van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. Het doel van een richtprijs is de opdrachtgever inzicht te geven in de verwachte totale kosten voor de door hem gewenste werkzaamheden, zodat hij op dat punt niet voor onaangename verrassingen komt te staan. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] en [geïntimeerde] beoogd hebben specifieke afspraken te maken omtrent (de omvang van) afzonderlijke posten in de begroting, zoals de manuren. [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt dat en waarom voor hem van belang zou zijn het aantal manuren te begrenzen en dat hij dit ook aan [geïntimeerde] kenbaar heeft gemaakt. [appellant] kan dan ook aan de begroting geen verwachtingen ontlenen omtrent het maximaal aantal aan het project te besteden en in rekening te brengen manuren.
6.16.
Ten aanzien van de totaalprijs overweegt het hof het volgende. De begroting sluit op € 114.405,59. [appellant] stelt zich echter op het standpunt dat uitgegaan moet worden van een lagere richtprijs dan genoemd in de begroting. Zijn (partij)deskundige [YY] concludeert dat er ten opzichte van de begroting per saldo minderwerk is verricht en dat niet alle in de begroting meegenomen werkzaamheden al zijn uitgevoerd, zodat de begroting volgens [appellant] naar beneden toe moet worden bijgesteld. Uitgaande van de naar beneden toe bijgestelde begroting heeft [geïntimeerde] het begrote totaalbedrag met meer dan 10% overschreden.
6.17.
Het hof gaat hierin niet mee.
Conclusie
6.29.
De grieven falen. Dit betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] terecht zijn toegewezen en de vorderingen van [appellant] , voor zover onderdeel van dit hoger beroep, terecht zijn afgewezen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.
Proceskosten
6.30.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen vastgesteld worden op:
griffierechten € 2.175,00
salaris advocaat € 2.213,00 (1 punt x tarief IV)
nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
totaal € 4.566,00
7. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis bestreden vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2023;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep van € 4.566,00, te betalen binnen veertien dagen na heden. Als [appellant] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het arrest daarna wordt betekend, dan moet [appellant] € 92,00 extra betalen vermeerderd met de kosten van betekening;
verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.W.M. van den Heuvel, F.C. Alink-Steinberg en H.A.W. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 februari 2025.
griffier rolraadsheer
Procesverloop
Partijen hebben bij het sluiten van de overeenkomst geen concrete afspraken gemaakt over de te verrichten werkzaamheden, omdat [appellant] de vrijheid wilde behouden bepaalde werkzaamheden te verrichten of door derden te laten verrichten. Bij een regieovereenkomst ontbreekt een concreet en duidelijk afgebakend kader van eisen en wordt de omvang van de werkzaamheden pas concreet tijdens het uitvoeringsproces. Er bestaat in dat geval geen referentiekader waaraan veranderingen in het overeengekomen werk (meer- en/of minderwerk) kunnen worden afgemeten. Meer- en minderwerk is dan ook niet van toepassing in geval van een regieovereenkomst; er wordt afgerekend op basis van de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.
6.18.
[geïntimeerde] heeft in totaal € 118.475,72 gefactureerd. Daarmee is hij binnen de marge van 10% overschrijding van de richtprijs gebleven. Grief 1 faalt.
De gemetselde getoogde bovendorpel (grief 2)
6.19.
[appellant] vordert een schadevergoeding in de vorm van de kosten voor het alsnog aanbrengen van een gemetselde getoogde bovendorpel. [appellant] stelt dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, waardoor hij schade heeft geleden. Afgesproken was dat boven de gevelopening van de werkplaats een getoogde bovendorpel zou worden gemetseld. In plaats daarvan is echter een rechte rollaag aangebracht. [geïntimeerde] stelt dat partijen in onderling overleg samen hebben afgesproken om op dit punt van de tekening af te wijken. [appellant] erkent dat hij hierover heeft overlegd met [geïntimeerde] , maar stelt dat [geïntimeerde] hem pas op het laatste moment hierover heeft geïnformeerd, waardoor hij niet anders kon dan ermee in te stemmen.
6.20.
Als sprake is van een aan [geïntimeerde] toe te rekenen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, is [geïntimeerde] verplicht tot vergoeding van de door [appellant] als gevolg daarvan geleden schade (artikel 6:74 lid 1 BW). Wanneer nakoming van de overeenkomst nog mogelijk is, ontstaat een recht op schadevergoeding echter pas wanneer iemand, na een laatste kans te zijn geboden, de overeenkomst nog steeds niet (correct) nakomt en daardoor in verzuim raakt (artikel 6:74 BW). Verzuim treedt pas in na een ingebrekestelling: een schriftelijke mededeling, waarin wordt aangegeven dat de andere partij een verplichting uit de overeenkomst niet is nagekomen, welke redelijke termijn de ander wordt gesteld om de verplichting alsnog (correct) na te komen en wat de gevolgen zijn wanneer niet alsnog (correct) wordt nagekomen (artikel 6:82 lid 1 BW). De ingebrekestelling moet voldoende duidelijk zijn en mag geen redelijke twijfel laten bestaan omtrent wat, wanneer en op welke grond wordt gevorderd.
6.21.
De bovendorpel is voor het eerst door [YY] in zijn rapport van 9 augustus 2022 als gebrek aangemerkt. Gesteld noch gebleken is dat het ontbreken van de gemetselde getoogde bovendorpel daarvoor tussen partijen onderwerp van gesprek is geweest. De bovendorpel was ook geen onderdeel van de op te lossen zaken waarover door partijen is gesproken in de e-mails van 2 en 3 november 2021.
[appellant] stelt dat hij [geïntimeerde] bij brief van 16 november 2021 in gebreke heeft gesteld.
De bovendorpel komt in de brief echter niet ter sprake. Uit de brief blijkt dan ook niet wat er volgens [appellant] aan de bovendorpel schort, wat hij van [geïntimeerde] op dit punt verlangt en binnen welke termijn. Daarmee voldoet de brief niet aan de vereisten van een deugdelijke ingebrekestelling. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] [geïntimeerde] op een ander moment (op de juiste wijze) met betrekking tot de bovendorpel in gebreke heeft gesteld. [appellant] had [geïntimeerde] een duidelijke (laatste) kans moeten bieden om de bovendorpel aan te passen. Dit heeft hij niet gedaan.
6.22.
Nu [appellant] [geïntimeerde] niet op deugdelijke wijze in gebreke heeft gesteld, is [geïntimeerde] niet in verzuim komen te verkeren. Er is dan ook geen sprake van een tekortkoming in de nakoming, op grond waarvan [appellant] aanspraak kan maken op een schadevergoeding. Grief 2 faalt.
De voorwaardelijke eiswijziging
6.23.
Nu grief 1 faalt, is de voorwaarde waaronder [appellant] zijn eis heeft gewijzigd, ingetreden. Met zijn aldus gewijzigde eis vordert [appellant] dat alle door hem aan [geïntimeerde] vergoede manuren zullen worden terugbetaald. Hij stelt daartoe dat de enkele opgave van het uurtarief door [geïntimeerde] moet worden beschouwd als een onredelijk bezwarend kostenbeding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. [appellant] doet een beroep op vernietiging van dit beding, waardoor [geïntimeerde] volgens hem in het geheel geen recht heeft op loon.
6.24.
In deze zaak is sprake van een consument ( [appellant] ) en een professional ( [geïntimeerde] ) in de zin van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn). Op grond van artikel 3 lid 1 van de Richtlijn is een beding in een consumentenovereenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, oneerlijk wanneer het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
6.25.
De Richtlijn is niet rechtstreeks van toepassing in de Nederlandse rechtsorde. Een richtlijnconforme uitleg van het Nederlandse recht brengt echter mee dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 6:233 BW ambtshalve moet onderzoeken of er tussen [appellant] en [geïntimeerde] sprake is van oneerlijke bedingen in de zin van de Richtlijn. Als een beding oneerlijk blijkt te zijn in de zin van de Richtlijn, moet dit worden vernietigd (ECLI:NL:HR:2013:691).
6.26.
Uit artikel 4 lid 2 van de Richtlijn en artikel 6:231, onder a, BW vloeit voort dat een kernbeding, dat wil zeggen een bepaling die de kern van de prestatie weergeeft, niet op oneerlijkheid wordt getoetst, behalve als het desbetreffende kernbeding niet transparant is, omdat het niet duidelijk en/of niet begrijpelijk is geformuleerd.
6.27.
Het kostenbeding in deze zaak is een kernbeding: het beschrijft de kern van de prestaties aan de zijde van [appellant] , namelijk de te betalen vergoeding voor de door [geïntimeerde] te verrichten diensten. Dit beding is een essentieel onderdeel van de overeenkomst: zonder afspraken over de prijs van de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden, zou de overeenkomst niet zijn gesloten (vgl. ECLI:NL:HR:1997:ZC2435). Het hof komt dus pas toe aan toetsing van het kostenbeding op eventuele oneerlijkheid, als vast komt te staan dat het kostenbeding niet transparant is. Het is niet voldoende dat een beding grammaticaal duidelijk en begrijpelijk is; het beding moet zodanig transparant zijn, dat een normaal geïnformeerde, gemiddelde consument bij het sluiten van de overeenkomst de economische gevolgen daarvan kan inschatten (HvJ EU 12 januari 2023, C-395/21, ECLI:EU:C:2023:14, rov. 36-38).
6.28.
Het hof is van oordeel dat het tussen [appellant] en [geïntimeerde] overeengekomen kostenbeding voldoende transparant is. Anders dan [appellant] betoogt is er geen sprake van de enkele opgave van het uurtarief van [geïntimeerde] zonder nadere specificatie.