Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-12-05
ECLI:NL:GHSHE:2025:3507
Strafrecht
Hoger beroep
7,511 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:3507 text/xml public 2026-03-05T19:58:51 2025-12-08 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-12-05 20-000952-25 Uitspraak Hoger beroep Op tegenspraak NL 's-Hertogenbosch Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:3507 text/html public 2026-03-05T19:58:11 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:3507 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 05-12-2025 / 20-000952-25 Vernietiging beroepen vonnis. Het hof spreekt de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling. Niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, laat staan van het bewust aanvaarden van die kans (voorwaardelijk opzet). Het hof acht de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen. Het hof verwerpt het beroep op noodweer, noodweerexces en putatief noodweer. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Parketnummer : 20-000952-25 Uitspraak : 5 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 31 maart 2025, in de strafzaak met parketnummer 01-318873-23 tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987, thans uit anderen hoofde verblijvende in de [detentieadres] . Hoger beroep De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake ‘poging tot zware mishandeling’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk, tot een bedrag van € 1.000,-, toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige is de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk verklaard. Ten slotte is de verdachte veroordeeld in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, begroot op € 612,-. Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen. De raadsman van de verdachte heeft in de eerste plaats vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, alsmede de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Voorts heeft de raadsman bepleit dat de verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging bij een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling vanwege noodweer, noodweerexces, dan wel putatief noodweer; bij een bewezenverklaring van de mishandeling vanwege noodweerexces, dan wel putatief noodweer. Daarnaast heeft de raadsman een strafmaatverweer gevoerd, alsmede een verweer ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Vonnis waarvan beroep Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 9 april 2023 te Vught ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meermalen die [slachtoffer] (met kracht) stompt in/tegen het gezicht waardoor die [slachtoffer] ten val komt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 9 april 2023 te Vught [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen (met kracht) te stompen in/tegen het gezicht ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen. Vrijspraak van het primair tenlastegelegde Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt het hof het volgende. Om tot een bewezenverklaring te komen van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling, dient te worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende bewijs dat de verdachte met vol opzet – dat wil zeggen: willens en wetens – heeft gepoogd het slachtoffer zwaar te mishandelen. De vraag is vervolgens of kan worden bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder een ‘naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ dient te worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid (vgl. o.a. HR 25 maart 2003, ECLI:HR:2003:AE9049/NJ 2003, 552 en HR 29 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:718). Uit het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de verdachte meermalen met een vuist tegen het gezicht van het slachtoffer heeft geslagen, waardoor het slachtoffer ten val is gekomen. Dat het slaan met (enige) kracht is gebeurd, leidt het hof af uit het letsel van het slachtoffer. Daarnaast kan uit de verklaringen van aangever [slachtoffer] en getuige [getuige] worden afgeleid dat de verdachte tijdens het slaan een voorwerp in zijn hand hield. Getuige [getuige] heeft verklaard over een sleutel; de aangever over iets blinkends. Verdachte ontkent iets in zijn hand(en) te hebben gehad tijdens het voorval. Een sleutel is niet bij de verdachte aangetroffen. Nu echter niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat voor soort voorwerp/sleutel de verdachte in zijn hand zou hebben gehad, hoe hij die zou hebben vastgehad en hoe en of hij dat voorwerp heeft gehanteerd om daarmee het slachtoffer ook daadwerkelijk te raken, is het hof, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, van oordeel dat dit gegeven niet van betekenis is voor het bewijs van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Op grond van het dossier kan het hof slechts vaststellen dat de verdachte het slachtoffer meermalen met enige kracht tegen het gezicht heeft geslagen, waardoor hij ten val is gekomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, laat staan het bewust aanvaarden van die kans. Het hof zal de verdachte daarom van het primair tenlastegelegde vrijspreken. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 9 april 2023 te Vught [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen met kracht te stompen tegen het gezicht ten gevolge waarvan die [slachtoffer] ten val is gekomen. Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Bewijsmiddelen Tenzij anders vermeld wordt hierna verwezen naar pagina’s van het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, registratienummer PL2100-2023093980, gesloten d.d.
Volledig
6 juni 2023, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent van politie (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 36). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven. De bewezenverklaring berust op de navolgende bewijsmiddelen. Het proces-verbaal aangifte van [slachtoffer] d.d. 3 mei 2023, pagina’s 5-8, voor zover inhoudende: Ik doe aangifte van mishandeling. Ik ben gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Vught. Op 9 april zat ik met twee personen koffie te drinken. Ik hoorde harde muziek door de geopende deur van het appartement waar ik zat. Deze herrie kwam van de overbuurman van het appartement waar ik zat. Dit is [verdachte] . Ik liep naar het appartement van [verdachte] . Ik zag dat zijn deur voor ongeveer driekwart openstond. Net toen ik om die deur keek, zag ik een vuist op mijn gezicht afkomen. Meteen voelde ik een klap op mijn gezicht. Toen ik weer bijkwam besefte ik dat ik hard was geslagen. Na ongeveer 30 minuten voelde ik een gloeiende pijn op mijn jukbeen/oogkas. Ook voelde ik een drukkende pijn op de linkerzijde van mijn bil net onder/achter mijn heup. Ik moet ongelukkig zijn gevallen nadat [verdachte] mij hard had geslagen. Op 10 april ben ik onderzocht door huisarts [arts] . Ik hoorde dat hij vertelde dat ik vermoedelijk een lichte hersenschudding had. Over de pijn aan mijn heup/bil vertelde hij dat dit spier-/zenuwpijn moest zijn. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 22 mei 2023, pagina 12-14, voor zover inhoudende: Ik ben gedetineerd in PI Vught. Op 9 april 2023 had een Somalische jongen zijn muziek de hele tijd luid staan. [slachtoffer] zag dat hij zijn cel inliep en [slachtoffer] liep naar hem toe. Ik stond op dat moment twee meter van [slachtoffer] verwijderd. Ik hoorde dat [slachtoffer] aan de Somalische jongen vroeg of hij zijn muziek wat later [ het hof begrijpt: zachter ] wilde zetten. Direct daarop zag ik dat de Somalische jongen meerdere keren met beide handen en met gebalde vuisten uithaalde naar het gezicht van [slachtoffer] . Ik zag dat de Somalische jongen [slachtoffer] zeker twee keer in zijn gezicht raakte met zijn gebalde vuist. Door de klappen raakte [slachtoffer] uit evenwicht en viel hij tegen de deurstijl aan. Toen [slachtoffer] trachtte op te staan zag ik dat de Somalische jongen met zijn rechterhand een keer hard uithaalde naar het gezicht van [slachtoffer] ; met gebalde vuist. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 21 november 2025, voor zover inhoudende: Op 9 april 2023 gaf ik [slachtoffer] twee klappen. Toen viel hij buiten mijn cel. Het geschrift, te weten een aanvraagformulier medische informatie met daarin medische informatie, ingevuld op 23 mei 2023 door arts [arts] , pagina 30, voor zover inhoudende: Medische informatie betreffende [slachtoffer] Datum onderzoek: 11 en 20 april [het hof begrijpt: 2023] Uitwendig waargenomen letsel: - Oog rechts: fors hematoom - Voorhoofd ook blauw - Oog links: klein hematoom onder het oog - Heup links: forse zwelling vanwege hematoom Bewijsoverwegingen De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd. Beroep op noodweer Ter terechtzitting heeft de verdediging, overeenkomstig de pleitnota, aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat de verdachte daarom dient te worden vrijgesproken van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. De verdediging heeft gesteld dat de verdachte mocht uitgaan van een redelijke ‘vrees voor lijf’ vanwege de bewoordingen en de standvastigheid van het slachtoffer in combinatie met de schending van verdachtes huisrecht, omdat het slachtoffer zijn cel zou hebben betreden. De verdachte heeft hieraan toegevoegd dat zijn angst mede werd ingegeven door eerdere agressie van het slachtoffer in de richting van medegedetineerden. Het hof stelt het volgende voorop. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet strafbaar hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een "ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding". Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding (vgl. HR 10 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9913; HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.3.-3.5.3. en HR 10 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1420). Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Het slachtoffer riep naar de verdachte dat hij zijn radio zachter moest zetten en liep vervolgens in de richting van de cel van de verdachte. Hierop heeft de verdachte het slachtoffer meermalen met de vuist in het gezicht geslagen. De verdachte heeft verklaard dat hij dit heeft gedaan uit angst dat de verdachte hem iets zou aandoen. Naar het oordeel van het hof kunnen de gedragingen van het slachtoffer – het lopen naar de cel van de verdachte om hem aan te spreken op geluidoverlast – niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. Immers, uit niets blijkt dat het slachtoffer de verdachte heeft aangevallen. Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf. De verdachte heeft niet verklaard dat hij heeft gezien dat het slachtoffer hem iets wilde aandoen. Ook anderszins is hiervan niet gebleken. De verdachte heeft, naar zijn zeggen, enkel de vrees voor zo'n aanranding gehad vanwege dingen die het slachtoffer in het verleden richting andere gedetineerden zou hebben gedaan. Nog daargelaten dat deze laatste bewering volstrekt onvoldoende concreet is onderbouwd, is de enkele vrees dat het slachtoffer hem iets aan zou willen doen onvoldoende om te kunnen spreken van een noodweersituatie (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.4., onder verwijzing naar HR 8 februari 1932, NJ 1932, p. 617 e.v.). De verdachte heeft nog verklaard dat het slachtoffer in zijn cel stond, toen hij hem heeft geslagen, terwijl het slachtoffer heeft verklaard dat hij op de gang stond. Wat het hof betreft maakt dit geen verschil voor de beoordeling van dit noodweer verweer. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van een noodweersituatie waarin de verdachte geweld mocht gebruiken tegen het slachtoffer. Het hof verwerpt dit bewijsverweer. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het subsidiair bewezenverklaarde levert op: mishandeling Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar. Strafbaarheid van de verdachte Beroep op noodweerexces Ter terechtzitting heeft de verdediging, overeenkomstig de pleitnota, aangevoerd dat het handelen van de verdachte – in geval van een bewezenverklaring van mishandeling – moet worden aangemerkt als noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte was getraumatiseerd door zijn verleden en bovendien in paniek was. De eventuele overschrijding van de proportionaliteit zou het gevolg zijn van de gemoedsbeweging veroorzaakt door de aanranding. Op grond van de hiervoor (onder de bewijsoverweging) vermelde feiten en omstandigheden, is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie. Er was immers geen ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en evenmin een onmiddellijk dreigend gevaar hiervoor. Het beroep op noodweerexces slaagt reeds daarom niet. Het hof verwerpt het verweer.
Volledig
Beroep op putatief noodweer Ten slotte is door de verdediging, op gronden als weergegeven in de overgelegde pleitnota, een beroep gedaan op putatief noodweer. Daartoe is aangevoerd dat het slachtoffer geïrriteerd was door de harde muziek van de verdachte en dat de verdachte onverwachts met het slachtoffer werd geconfronteerd in zijn cel. Daarnaast heeft de verdachte ter onderbouwing van zijn angst voor het slachtoffer verklaard dat het slachtoffer in het verleden vaker in een boze bui met bestek achter medegedetineerden is aangelopen. Indien door of namens de verdachte een beroep is gedaan op zogenoemde putatieve noodweer, zal de rechter moeten onderzoeken of sprake was van verontschuldigbare dwaling aan de kant van de verdachte, bijvoorbeeld omdat hij niet alleen kon, maar redelijkerwijs ook mocht menen dat hij zich moest verdedigen op de wijze als hij heeft gedaan omdat hij verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld (vgl. HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456, rov. 3.7.2. en HR 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:485). Het hof leidt uit de vastgestelde feiten en omstandigheden af dat er geen objectieve aanleiding bestond voor de verdachte om in de veronderstelling te verkeren dat sprake was van een zodanig ernstige (dreiging van een) ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het slachtoffer dat verdediging door de wijze waarop verdachte heeft gehandeld, geboden was. In dit verband acht het hof met name van belang dat het slachtoffer ongewapend was, geen bedreigingen had geuit en bovendien niet is gebleken van eerdere gewelddadige of agressieve handelingen door het slachtoffer jegens de verdachte. In tegendeel, de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij daarvoor altijd ‘goed was’ met het slachtoffer. Bovendien had de verdachte – naar eigen zeggen – na het aanroepen door het slachtoffer om de muziek zachter te zetten, de muziek al zachter gezet, zodat de (mogelijke) reden voor het slachtoffer om daarover ontstemd te zijn, reeds was vervallen. Ook anderszins ziet het hof in het procesdossier, noch in het verhandelde ter terechtzitting een omstandigheid waardoor de verdachte redelijkerwijs mocht menen dat hij zich met geweld mocht ‘verdedigen’ tegen het slachtoffer. Op grond van het procesdossier, van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd en overigens ter terechtzitting is gebleken, is het hof dan ook van oordeel dat uit feiten en omstandigheden niet aannemelijk is geworden dat de verdachte verontschuldigbaar zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld. Het verweer wordt dan ook verworpen. Overigens Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde. Op te leggen sanctie De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat bij de straftoemeting rekening gehouden zou moeten worden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het tijdsverloop, de context waarin het feit is gepleegd en het feit dat de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte onder meer op grond van deze zaak is afgewezen. Hij heeft verzocht een voorwaardelijke straf op te leggen. Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De verdachte, destijds 35 jaar oud, heeft een 72-jarige medegedetineerde meermalen met kracht met een vuist tegen zijn gezicht geslagen, waardoor het slachtoffer ten val kwam. De reden hiervoor was dat de verdachte door het slachtoffer werd aangesproken op geluidoverlast. Dat de verdachte het, gelet op zijn leeftijd, kwetsbare, althans kwetsbaardere, slachtoffer heeft mishandeld door hem zo hard te slaan dat hij daardoor is komen te vallen en zijn gezicht en heup ‘bont en blauw’ waren, rekent het hof de verdachte zwaar aan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft het slachtoffer verklaard dat hij nog altijd last heeft van zijn heup als hij zwaarder werk verricht. Bij de strafoplegging slaat het hof ook acht op het zogenoemde strafblad van de verdachte (het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 september 2025). Hieruit blijkt onder meer dat de verdachte in 2024 door het gerechtshof Amsterdam voor onder andere poging tot doodslag onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 jaar. Dat de verdachte de mishandeling heeft gepleegd terwijl hij in detentie zat voor deze zaak, weegt het hof mee in zijn nadeel. Ten slotte houdt het hof rekening met het feit dat de verdachte (naar eigen zeggen) door de penitentiaire inrichting disciplinair is gestraft voor de mishandeling van het slachtoffer. Hij zou hiervoor zeven dagen in de isoleercel hebben doorgebracht. Met de afwijzing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte houdt het hof geen rekening, omdat het hof niet kan vaststellen of, en zo ja in hoeverre, deze zaak daarbij een rol heeft gespeeld. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de daarop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Voorts is het hof van oordeel dat de eis van de advocaat-generaal – bevestiging van het vonnis van de politierechter, inhoudende een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voor poging tot zware mishandeling – onvoldoende recht doet aan de ernst van het strafbare feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd. Het hof acht het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 weken passend en geboden. Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Vordering tot schadevergoeding De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.000,00. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven. De raadsman van de verdachte heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist. Hij heeft aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en om die reden dient te worden afgewezen dan wel verminderd. Artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat schade die bestaat in ander nadeel dan vermogensschade, zoals immateriële schade, slechts kan worden vergoed voor zover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek geeft hiervoor een nadere regeling. Deze houdt – voor zover hier relevant – in dat de benadeelde, voor ander nadeel dan vermogensschade, onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien deze lichamelijk letsel heeft opgelopen. Uit het dossier, onder meer de medische informatie en de foto’s van de benadeelde partij, blijkt dat aan de benadeelde partij lichamelijk letsel is toegebracht. Dit betreft rechtstreekse schade door het subsidiair bewezenverklaarde feit. Gelet hierop bestaat ruimte voor het toekennen van een schadevergoeding ter zake van immateriële schade. Het hof zal de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening Voor het overige bedrag van € 2.000,- zal het hof de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij afwijzen. Vordering vergoeding proceskosten Ter terechtzitting heeft de raadsman van de benadeelde partij verzocht de vergoeding voor de kosten raadsman te bepalen op € 3.604,78, dan wel deze kosten te begroten volgens het liquidatietarief.
Volledig
De raadsman van de verdachte heeft verzocht de vordering tot vergoeding van proceskosten af te wijzen. Zoals blijkt uit artikel 532 van het Wetboek van Strafvordering dient de rechter in zijn uitspraak te beslissen over de proceskosten. Een redelijke uitleg van dat artikel brengt met zich dat bij de begroting van de daar bedoelde kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. In civiele procedures wordt doorgaans bij de begroting van de proceskosten het zogenoemde liquidatietarief gehanteerd: het liquidatietarief kanton of het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Het hof zal de proceskosten in deze zaak begroten volgens het liquidatietarief. Ten aanzien van de rechtsgang in eerste aanleg dient aansluiting te worden gezocht bij het liquidatietarief kanton per 1 februari 2024, dat gold ten tijde van het wijzen van het vonnis door de politierechter. Bij een hoofdsom tussen € 2.500,- en € 3.750,- wordt in de regel € 238,- per punt salaris toegekend. De benadeelde partij komt in dit verband drie punten toe: één punt voor het indienen van de vordering tot schadevergoeding en twee punten voor de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg (waar de zaak één keer is aangehouden). Het hof begroot de proceskosten voor de rechtsgang in eerste aanleg dan ook op een bedrag van € 714,-. Voor de rechtsgang in hoger beroep is het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven per 1 februari 2024 van toepassing. Daarbij wordt in geval van ‘principaal appèl/hoger beroep van een uitspraak van de kantonrechter op hof’ in geval van geldswaarde beneden € 10.000,- in hoofdsom, ieder punt gewaardeerd op € 858,-. De benadeelde partij komt één punt toe, te weten voor de aanwezigheid van de advocaat ter terechtzitting in hoger beroep. Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, veroordelen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij aldus begroot op € 1.572,- (€ 714,- + € 858,-). Hiermee gaat het hof voorbij aan het verweer van de raadsman van de verdachte dat de kosten van de raadsman moeten worden afgewezen. Schadevergoedingsmaatregel Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 1.000,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft. Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht: Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken . Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 1.572,- (duizendvijfhonderdtweeënzeventig euro ). Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af. Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening. Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen . Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op. Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt. Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 9 april 2023. Aldus gewezen door: mr. A.R. Hartmann, voorzitter, mr. M.M. Koevoets en mr. W.F. Koolen, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. Goevaerts, griffier, en op 5 december 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.