Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-19
ECLI:NL:GHSHE:2025:1735
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
3,895 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 19 juni 2025
Zaaknummer : 200.353.728/01
Zaaknummer eerste aanleg : [insolventienummer]
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. T.E. van der Bent te Zeist.
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van 10 april 2025 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ontvangen op 16 april 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de schuldsaneringsregeling voort te zetten, dan wel te bepalen dat zijn schuldsaneringsregeling wordt verlengd met een door het gerechtshof in goede justitie te bepalen periode.
2.2.
Omdat over de goederen die aan [appellant] toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om haar visie op het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling zonder verlening van de schone lei te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021). Van deze gelegenheid heeft zij geen gebruik gemaakt.
2.3.
De mondelinge behandeling stond gepland op 28 mei 2025. Per e-mail en brief van 22 mei 2025 heeft mr. Van der Bent medegedeeld dat hijzelf, [appellant] en mevrouw [de beschermingsbewindvoerder] (de beschermingsbewindvoerder) niet ter zitting zullen verschijnen. Naar aanleiding van deze brief heeft mevrouw [de bewindvoerder] (de bewindvoerder) per brief van 23 mei 2025 aangegeven, met instemming van het hof, ook niet ter zitting te zullen verschijnen. Er heeft daarom geen mondelinge behandeling plaatsgevonden.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 27 maart 2025, ontvangen op 9 mei 2025;
- het V6-formulier van mr. Van der Bent met als bijlage de processtukken in eerste aanleg, ontvangen op 7 mei 2025;
- het Zivver-bericht met bijlagen van de bewindvoerder van 23 mei 2025 aan de griffie met de reactie van de bewindvoerder op het beroepschrift van [appellant] .
Beoordeling
3.1.
Bij vonnis van 4 januari 2023 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.2.
De bewindvoerder heeft op 26 januari 2024 een verzoek ingediend om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen zonder verlening van de schone lei. Hiertoe heeft zij, kort weergegeven, het volgende aangevoerd. [appellant] is ernstig tekort geschoten in de naleving van de inspanningsplicht. Sinds het verhoor dat op 14 november 2024 is gehouden ten overstaan van de rechter-commissaris zijn door hem geen – deugdelijke – bewijsstukken van verrichte sollicitaties overgelegd en ook geen (recente) medische informatie op basis waarvan de bewindvoerder een verzoek zou kunnen doen aan de rechter-commissaris om [appellant] vrijstelling te verlenen van de sollicitatieplicht. Ook de periode daarvoor is [appellant] zijn inspanningsverplichting niet altijd naar behoren nagekomen. Hierdoor zijn de schuldeisers benadeeld.
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 26 januari 2024 tussentijds beëindigd, omdat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspannings- en sollicitatieverplichting. Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeert [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. De rechtbank heeft vervolgens de bewindvoerder benoemd tot curator.
3.4.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.
“2.3. De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat [appellant] in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspannings- en sollicitatieverplichting is tekortgeschoten. Die tekortkoming kan ook aan [appellant] worden toegerekend. Ter zitting heeft [appellant] erkend dat hij beseft dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspannings- en sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen. Vanuit Traject at Work is aan [appellant] de tijd gegund om tot rust te komen en op zoek te gaan naar een baan die, ook op de lange termijn, bij hem past. De rechtbank heeft er begrip voor dat [appellant] een baan zoekt die hij ook op de lange duur kan behouden. Echter in de schuldsaneringsregeling geldt de verplichting dat een schuldenaar fulltime werkt. Indien hij geen fulltime baan heeft dan dient hij hiertoe actief, dat wil zeggen tenminste vier keer per maand, schriftelijk te solliciteren. Bij aanvang van de schuldsaneringsregeling, maar ook tijdens het verhoor, is [appellant] hier door de rechtbank en de rechter-commissaris expliciet op gewezen. Ook de bewindvoerder heeft [appellant] diverse malen op de nakoming en de inhoud van zijn inspannings- en sollicitatieverplichting gewezen. Ondanks herhaald verzoek is onvoldoende aan de inspannings- en sollicitatieverplichting voldaan. Op het moment dat [appellant] wel een baan had heeft hij nagelaten om de stukken zoals een arbeidsovereenkomst en loonstroken op te sturen aan de bewindvoerder. Hierdoor is het voor de bewindvoerder niet mogelijk te controleren waar, voor hoeveel uur [appellant] heeft gewerkt en in hoeverre daarmee aan de inspanningsplicht is voldaan. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij op korte termijn een baan heeft. Uit niets blijkt echter dat dit ook daadwerkelijk het geval is. Uit de dossierstukken maakt de rechtbank op dat [appellant] gedurende de gehele looptijd niet in staat is gebleken om de benodigde bewijsstukken zoals arbeidsovereenkomsten, loonstroken en tijdelijke arbeidsongeschiktheid te overleggen. Ook zou [appellant] gewerkt hebben zonder daarvoor inkomsten te hebben ontvangen. [appellant] heeft niet aangetoond actie te hebben ondernomen om alsnog betaald te worden voor deze werkzaamheden. De rechtbank heeft er gezien het verloop van de schuldsaneringsregeling zoals door de bewindvoerder in haar voordracht van 26 januari 2024 zeer uitvoerig uiteen gezet, dan ook geen vertrouwen in dat [appellant] daadwerkelijk een baan heeft gevonden en dat, indien dit het geval is. hij deze keer wel deze baan weet te behouden. Van een serieuze gedragsverandering is vooralsnog niet gebleken.
2.4.
De rechtbank ziet geen, althans onvoldoende gronden om te bepalen dat de tekortkoming gezien zijn bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven. Het feit dat [appellant] vanuit het Traject at Work de tijd is gegeven om tot rust te komen en op zoek te gaan naar een baan die echt bij hem past, strookt niet met de strenge eisen van de schuldsaneringsregeling. Tijdens het verhoor heeft [appellant] verklaard dat hij sinds de bouwvakvakantie 2024 (22 juli - 9 augustus) deelneemt aan het Traject at Work. Door de rechter-commissaris is destijds duidelijk aangegeven dat deelname aan het Traject at Work hem niet ontslaat van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Tevens is duidelijk aangegeven dat [appellant] de bewindvoerder actief dient te informeren. Ook na het verhoor heeft [appellant] geen sollicitatiebewijzen overgelegd. Ook een bewijsstuk waaruit blijkt dat [appellant] op korte termijn een nieuwe baan heeft is niet ontvangen.
2.5.
De rechtbank vindt het gelet op het voorgaande niet zinvol om de schuldsaneringsregeling voort te zetten en heeft niet het vertrouwen dat [appellant] zich in het vervolg wel zal houden aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.”
3.5.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
[appellant] erkent dat hij niet altijd volledig aan de informatie- en sollicitatieplicht heeft voldaan, maar voert aan dat dit mede het gevolg is van medische beperkingen en zijn zorgtaken voor zijn kinderen. Hij hoopt op korte termijn een baan te hebben. Voor zover gesteld kan worden dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeids- en sollicitatieplicht, wenst [appellant] gezien de ernst en de duur van deze tekortkoming dat de looptijd van de schuldsaneringsregeling wordt verlengd voor de duur dat hij niet aan deze verplichting heeft voldaan.
Een rechter mag bij een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling besluiten om de regeling te verlengen, ook als sprake is van schending van de sollicitatieplicht. De rechtbank heeft geen beslissing genomen op dit verzoek van [appellant] . Een verlenging is niet nadelig voor de schuldeisers, zeker indien dit wordt afgezet tegen de vergaande consequenties van een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling. Volgens [appellant] had de rechtbank moeten beslissen tot verlenging van de duur van de schuldsaneringsregeling in plaats van een beëindiging daarvan.
De rechtbank heeft ten onrechte niet althans onvoldoende meegewogen dat een tussentijdse beëindiging (zonder schone lei) proportioneel dient te zijn. De Hoge Raad heeft bepaald dat bij verwijtbaarheid ook moet worden gekeken naar de mogelijkheid om de schuldenaar een tweede kans te geven, zeker als er uitzicht is op verbetering. Persoonlijke omstandigheden kunnen hierbij ook zwaar wegen.
Beoordeling
[appellant] is van mening dat indien wordt gekeken naar alle omstandigheden van het geval, waaronder de proportionaliteit, een tussentijdse beëindiging zonder schone lei een te zwaar middel is.
3.6.
De bewindvoerder heeft in haar reactie van 23 mei 2025 op het beroepsschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
[appellant] heeft ter zitting van 27 maart 2025 verklaard dat hij een nieuwe baan heeft maar dat hij nog geen arbeidsovereenkomst kan overleggen vanwege de wijziging van de ondernemersvorm van de werkgever. Op 9 april 2025 heeft [appellant] laten weten dat hij is opgenomen in het ziekenhuis. Daarna heeft de bewindvoerder niets meer van hem vernomen. Er is nog steeds geen arbeidsovereenkomst overgelegd noch bewijs van door [appellant] verrichte sollicitaties (in ieder geval na zijn herstel).
[appellant] heeft geen stukken aangeleverd waaruit blijkt dat hij per mei 2025 een fulltime dienstverband heeft. Nu uit niets blijkt dat [appellant] gedurende een verlengde periode wel in voldoende mate aan de verplichtingen zal voldoen, is een verlenging van de looptijd niet zinvol.
[appellant] heeft op 14 november 2024 tijdens het verhoor al een tweede kans gekregen om alsnog op juiste wijze invulling te geven aan de verplichtingen. Deze kans heeft hij niet gegrepen. De stelling dat er zicht zou zijn op verbetering is tot heden niet met bewijsstukken onderbouwd.
De bewindvoerder adviseert om het vonnis waarvan beroep te bekrachtigen.
3.7.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.7.1.
Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c Fw, te beoordelen of er bij [appellant] sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
3.7.2.
[appellant] had gedurende het schuldsaneringstraject een sollicitatie- en inspanningsverplichting. Uit de processtukken is het hof gebleken dat [appellant] deze verplichting niet naar behoren is nagekomen, ondanks het feit dat hij tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling meerdere malen hierop is gewezen. Dit erkent [appellant] ook, maar hij voert aan dat dit mede het gevolg is van medische beperkingen en de zorgtaken voor zijn kinderen. [appellant] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit het hof kan afleiden dat [appellant] vanwege zijn medische beperkingen was vrijgesteld van de sollicitatieverplichting. Met betrekking tot de zorgtaken van [appellant] neemt het hof in overweging dat [appellant] al bij het verhoor bij de rechter-commissaris op 14 november 2024 was gewezen op het feit dat de zorg voor zijn kinderen hem niet ontslaat van zijn sollicitatie- en inspanningsverplichting. Stukken waaruit blijkt dat [appellant] sindsdien alsnog voldoende heeft gesolliciteerd of waaruit blijkt dat hij op dit moment een fulltime dienstverband heeft, ontbreken echter eveneens. Het hof is gezien het voorgaande van oordeel dat [appellant] in de nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende inspannings- en sollicitatieverplichting is tekortgeschoten en dat deze tekortkoming hem kan worden toegerekend.
3.7.3.
Het hof ziet geen, althans onvoldoende gronden om te bepalen dat de tekortkoming gezien zijn bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing mag blijven. Het gaat namelijk om een kernverplichting van de schuldsaneringsregeling, waarvan het belang [appellant] bovendien meermaals uitdrukkelijk is duidelijk gemaakt. Desondanks heeft [appellant] zich niet maximaal ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de gezamenlijke schuldeisers te verkrijgen. Hierdoor zijn de schuldeisers benadeeld. Deze tekortkoming is naar het oordeel van het hof voldoende ernstig om tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder verlening van de schone lei te rechtvaardigen.
3.7.4.
Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het niet zinvol is om de schuldsaneringsregeling met een verlenging voort te zetten. [appellant] heeft immers geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zijn situatie inmiddels positief is veranderd. Hierdoor heeft het hof niet het vertrouwen dat [appellant] zich in een verlenging wel aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen zal houden. Het hof wijst het verzoek om de termijn van de schuldsaneringsregeling te verlengen daarom af. Van een disproportionele maatregel is naar het oordeel van het hof geen sprake.
3.7.5.
Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd dient te worden zonder schone lei op grond van artikel 350 lid 3 sub c Fw.
3.8.
Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.
4De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.B. Smits, J.W. van Rijkom en R.L.G. Kraaijvanger en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2025.