Rechtspraak
Parket bij de Hoge Raad
2014-05-16
ECLI:NL:PHR:2014:644
Civiel recht; Insolventierecht
2,166 tokens
Conclusie
[verzoeker],
verzoeker tot cassatie
Feiten
1.1
De rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Amersfoort heeft bij beschikking van 3 april 2012 de aan verzoeker tot cassatie (“[verzoeker]”) (toekomstig) toebehorende goederen op verzoek van [verzoeker] onder bewind gesteld ex art. 1:431 lid 1 BW (ter bescherming van zijn vermogensrechtelijke belangen). Daarbij heeft de kantonrechter tevens een (beschermings)bewindvoerder benoemd.
1.2
Ten aanzien van [verzoeker] heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht bij vonnis van 19 september 2013 (“het toelatingsvonnis”) de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard.
1.3
De rechtbank heeft [verzoeker] tot de schuldsaneringsregeling toegelaten door middel van toepassing van de hardheidsclausule van art. 288 lid 3 Fw. Hoewel zijn fraudeschuld aan de gemeente Veenendaal (ten bedrage van EUR 6.755,75) niet te goeder trouw was ontstaan (in de zin van art. 288 lid 1 sub b Fw), achtte de rechtbank voldoende aannemelijk dat [verzoeker] zijn seksverslaving – de voornaamste oorzaak van het ontstaan van zijn schuldenlast – onder controle had gekregen en dat dus sprake was van een ‘keer ten goede’.
1.4
De schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 20 januari 2014. Bij dit vonnis is tevens bepaald dat [verzoeker] van rechtswege in staat van faillissement zal komen te verkeren zodra dit vonnis in kracht van gewijsde zal zijn gegaan.
1.5
De schuldsaneringsregeling is tussentijds beëindigd ex art. 350 lid 3, sub f Fw op de grond dat na de toelating tot de schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, die op het tijdstip van de indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling al bestonden en die, indien zij op dat tijdstip bekend zouden zijn geweest, reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen overeenkomstig art. 288 lid 1 en 2 Fw. Deze feiten en omstandigheden zijn de volgende:
- [verzoeker] heeft een taakstraf gekregen en uitgevoerd wegens verduistering van gelden van de Stichting Bewonerscommissie Schrijverspark;
- [verzoeker] heeft een deel van het verduisterde geld gebruikt voor onder meer zijn seksverslaving.
Indien de verduistering en de daarvoor bestaande beweegredenen bekend zouden zijn geweest, zou de rechtbank tot de conclusie zijn gekomen dat de (financiële) problemen als gevolg van de seksverslaving van [verzoeker] groter waren dan enkel een fraudeschuld bij de gemeente Veenendaal.
1.6
[verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem in hoger beroep gekomen.
1.7
In hoger beroep heeft [verzoeker] betwist dat de rechtbank ten tijde van de toelatingszitting niet van de verduistering op de hoogte was. Voorts heeft hij aangegeven dat hij succesvol een therapie voor zijn seksverslaving heeft ondergaan en dat de verduistering een beperkt bedrag betrof (van EUR 2.463,-), welke schuld wegens opheffing van de Stichting Bewonerscommissie Schrijverspark niet op hem zal worden verhaald.
1.8
Bij arrest van 31 maart 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
1.9
Het hof heeft daartoe in rov. 3.5 van zijn arrest als volgt overwogen:
“Het hof is van oordeel dat in hoger beroep is komen vast te staan dat [verzoeker] – en hij erkent dat ook – tijdens de toelatingszitting bij de rechtbank de door hem gepleegde verduistering en de daaruit gevolgde strafzaak bewust en opzettelijk heeft verzwegen uit angst dat de rechtbank zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zou afwijzen. [verzoeker] heeft tevens erkend dat de verduistering ook anderszins toen niet aan de orde is gekomen, zodat het hof het ervoor zal houden dat de rechtbank destijds niet op de hoogte was van de verduistering en de strafzaak en dus daarmee bij haar beslissing geen rekening heeft kunnen houden. […]
Indien de rechtbank bekend was geweest met het feit dat er niet alleen een fraudeschuld door de seksverslaving was ontstaan maar dat [verzoeker] daarnaast het misdrijf van verduistering had gepleegd mede om zijn seksverslaving te kunnen bekostigen […], dan zou de rechtbank naar het oordeel van het hof hebben geoordeeld dat er, gelet op de aard en omvang van de fraudeschuld aan de gemeente én de verduisteringsschuld aan de Stichting Bewonerscommissie Schrijverspark, geen aanleiding was op [verzoeker] de hardheidsclausule toe te passen. Dat de Stichting Bewonerscommissie Schrijverspark er kennelijk achteraf geen belang meer bij heeft om de verduisterde gelden op [verzoeker] te verhalen, betekent niet dat haar vordering van € 2.463,- tenietgegaan is.”
1.10
[verzoeker] is van voornoemd arrest bij verzoekschrift, op 7 april 2014 bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
1.11
In het verzoekschrift tot cassatie onder 7 is een voorbehoud gemaakt met betrekking tot een eventuele aanvulling of verbetering van dit verzoekschrift naar aanleiding van het nog te ontvangen proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 24 maart 2014 bij het hof. Na ontvangst hiervan is namens [verzoeker] bij brief van 18 april 2014 aangegeven dat het proces-verbaal geen aanleiding geeft voor aanvulling van het verzoekschrift.
2Bespreking van de cassatiemiddelen
2.1
Het verzoekschrift in cassatie bevat vier middelen, aangeduid als onderdelen a-d.
2.2
In onderdeel a (‘keer ten goede’) klaagt het middel dat het hof heeft miskend althans (naar aanleiding van een essentiële stelling van [verzoeker]) onbesproken heeft gelaten dat “de toelatingsrechtbank” reeds rekening gehouden had met de feiten en omstandigheden die aan de (voordracht tot) tussentijdse beëindiging ten grondslag lagen althans dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende gemotiveerd.
Het middel verwijst ter toelichting op deze klacht onder 22 en 23 naar een arrest van de Hoge Raad van 5 september 2008, waarin de Hoge Raad (naar oud recht en conform art. 350 lid 3, sub f Fw) heeft overwogen dat een tussentijdse beëindiging op grond van feiten en omstandigheden die bij de uitspraak tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aan de rechter bekend waren, niet mogelijk is.
Onder 25 wijst het middel erop dat de toelatingsrechtbank al aan haar beslissing ten grondslag had gelegd de omstandigheid dat [verzoeker] als gevolg van zijn seksverslaving schulden had opgebouwd. Onder 26 klaagt het middel voorts (als ik het middel goed begrijp) dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat de problemen van [verzoeker] groter waren dan door de toelatingsrechtbank in aanmerking genomen, omdat (aldus het middel) [verzoeker] de oorzaak van die grotere problemen onder controle had gebracht.
2.3
Het middel veronderstelt ten onrechte dat de toelatingsrechtbank bekend was met de verduisteringsschuld en dat dus ten tijde van de toelating en ten tijde van de tussentijdse beëindiging dezelfde feiten en omstandigheden bekend waren. Zoals hierboven aangegeven, heeft het hof vastgesteld dat dit nu juist niet het geval was. De klacht mist dan ook feitelijke grondslag.
2.4
In onderdeel b (limitatieve opsomming) klaagt het middel dat het hof heeft miskend dat art. 350 lid 3 Fw een limitatieve opsomming van de beëindigingsgronden bevat, terwijl (aldus het middel) de onderhavige tussentijdse beëindiging hier niet op kan worden gebaseerd althans dat het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is.
2.5
Uit hetgeen het middel onder 30-32 aanvoert, begrijp ik dat het middel betoogt dat gezien het oordeel van de toelatingsrechtbank ex art.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G L. Timmerman
HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3425.
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010 en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021.