Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-06-19
ECLI:NL:GHSHE:2025:1734
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,712 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 19 juni 2025
Zaaknummer: 200.352.111/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/330315/ FA RK 24-1652
in de zaak in hoger beroep van:
[de pleegmoeder] ,
wonende op een voor het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers.
tegen
Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
Het hof merkt als belanghebbende aan:
[de pleegvader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegvader.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de raad.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 6 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025, heeft de pleegmoeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de GI tot het verkrijgen van toestemming om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen alsnog wordt afgewezen.
2.2.
Er is geen verweerschrift ontvangen.
2.3.
Het hof heeft betrokkenen bij brief van 15 mei 2025 bericht dat tijdens de mondelinge behandeling alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal zijn, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1895). Omdat het hof de zaak tijdens de mondelinge behandeling niet inhoudelijk zal behandelen, heeft het hof de minderjarige [minderjarige] vooralsnog niet opgeroepen voor een kindgesprek.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de pleegmoeder, bijgestaan door mr. Hoppers;
de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.4.1.
De pleegvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling.
2.5.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het V6-formulier van mr. Hoppers van 7 april 2025 met producties 7 en 8.
Beoordeling
3.1.
[minderjarige] woonde sinds hij ongeveer een halfjaar oud was samen met zijn tweelingzus [tweelingzus] bij de pleegouders. Na de scheiding van de pleegouders in 2018 zijn [tweelingzus] en [minderjarige] bij de pleegmoeder blijven wonen en hebben zij ieder weekend en in de vakanties omgang met de pleegvader. Bij beschikking van 16 maart 2016 is de GI benoemd tot voogdes over [tweelingzus] en [minderjarige] .
3.2.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een 24-uurs accommodatie. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep verblijft [minderjarige] bij de pleegmoeder.
3.3.
De pleegmoeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
3.4.
Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep voert de pleegmoeder – samengevat – aan dat de beslissing op grond van artikel 1:336a van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen voorlopig ordende maatregel is, maar een definitief sluitstuk in de discussie over de (toekomstige) verblijfsplaats van [minderjarige] . [minderjarige] is immers bijna 18 jaar. Het rechtsmiddelenverbod is daarom in dit geval niet houdbaar. De pleegmoeder wijst verder op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en betoogt dat zij eenzelfde bescherming van haar gezinsleven moet krijgen als een pleegouder heeft in het kader van een ondertoezichtstelling. Zij verzoekt het hof te anticiperen op het Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming, waarin is voorgesteld om het appelverbod voor verzoeken op grond van artikel 1:336a BW te schrappen.
3.5.
Het hof overweegt het volgende.
3.5.1.
In artikel 1:336a, eerste lid, van het BW is bepaald dat, indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige kan brengen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor zover deze vereiste toestemmingen niet worden verkregen, zij op verzoek van de voogd door die van de rechtbank kunnen worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
3.5.2.
Niet in geschil is dat de rechtbank terecht het toetsingskader van artikel 1:336a BW heeft toegepast.
3.5.3.
In artikel 807 Rv is beschreven, voor zover hier van belang, dat tegen een beschikking op grond van artikel 1:336a BW geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet (appelverbod).
3.5.4.
Volgens vaste rechtspraak is ondanks een appelverbod hoger beroep mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Indien hier sprake van is, vormt dat een doorbrekingsgrond van het appelverbod.
3.5.5.
Het hof is van oordeel, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 met kenmerk ECLI:NL:HR:2024:1895, dat hetgeen door de pleegmoeder is aangevoerd niet leidt tot een doorbreking van het appelverbod van artikel 807 Rv.
3.5.6.
Het uitsluiten van hoger beroep van de beslissing ex artikel 1:336a BW is een bewuste keuze van de wetgever. De wetgever heeft het instellen van rechtsmiddelen tegen een beschikking ex artikel 1:336a BW niet noodzakelijk geacht. Het blokkaderecht van de pleegouders ex artikel 1:336a BW is volgens de wetgever bedoeld als een ‘ordeningsmaatregel’. Daarbij heeft de wetgever ook gewezen op de ‘tijdelijke aard van de voorziening’. De wetgever heeft het niet wenselijk geacht dat een conflict tussen de voogd en de pleegouders (over de verblijfplaats van de voogdijpupil) zich lang kan voortslepen. Uit de toelichting maakt het hof op dat het motief van de wetgever met de uitsluiting van het hoger beroep was om een versnelling van de procedure teweeg te brengen en een onnodige vertraging van de procedure te voorkomen. Volgens de wetgever ligt het ook in de rede dat het onderwerp van de verblijfplaats van de minderjarige aan bod komt in ‘een meer definitieve voorziening’. De wetgever heeft daarbij, in geval een beslissing ex artikel 1:336a BW wordt toegewezen, gedoeld op een beslissing ex artikel 1:299a BW: pleegouders die met instemming van de voogd een minderjarige in hun gezin – anders dan uit hoofde van een ondertoezichtstelling of een plaatsing onder voorlopige voogdij – ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed, kunnen de kinderrechter verzoeken om hen tot voogd te benoemen. Wijst de kinderrechter dit verzoek af, dan kunnen de pleegouders daartegen hoger beroep instellen; art. 1:299a BW valt niet onder het rechtsmiddelenverbod van art. 807 Rv (zie MvT, Kamerstukken II 1991/92, 22487, 3, p. 13 en MvA, Kamerstukken II 1992/93, 22487, 6, p. 15).
3.5.7.
De Hoge Raad wijst er in voornoemde uitspraak op dat pleegouders de mogelijkheid hebben om de kinderrechter op grond van artikel 1:299a BW te verzoeken tot voogd te worden benoemd. Tegen een voor hen negatief uitgevallen beslissing van de kinderrechter op dit verzoek is hoger beroep mogelijk, zodat pleegouders het in de hand hebben dat de zaak toch door een hogere rechter kan worden bezien. Mocht er geen reële mogelijkheid open staan om ‘een meer definitieve beslissing’ over de verblijfplaats van de minderjarige te verkrijgen, wat in de onderhavige situatie het geval is nu [minderjarige] bijna meerderjarig is, dan is dat naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende grond om te oordelen dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 807 Rv buiten toepassing moet blijven.
3.5.8.
In het Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming is voorgesteld om het appelverbod voor verzoeken op grond van artikel 1:336a BW te schrappen. In voornoemde uitspraak van 20 december 2024 is door de Hoge Raad niet geanticipeerd op het wetsvoorstel. Het betreft een wetsvoorstel en onduidelijk is of het wetsvoorstel in de huidige vorm zal worden aangenomen en wanneer het in werking zal treden. Om die reden ziet het hof onvoldoende aanleiding om te anticiperen op voornoemd wetsvoorstel en past het hof de huidige geldende wet- en regelgeving toe bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek van de pleegmoeder.
3.5.9.
Gelet op het voorgaande slaagt het beroep van de pleegmoeder op doorbreking van het appelverbod van artikel 807 Rv niet. Dit brengt mee dat de pleegmoeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het verzoek in hoger beroep.
Dictum
Het hof:
verklaart de pleegmoeder niet-ontvankelijk in het verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, M.J. van Laarhoven en
F. Dunki Jacobs en is op 19 juni 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Volledig
ECLI:NL:GHSHE:2025:1734 text/xml public 2026-04-03T10:04:46 2025-06-19 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2025-06-19 200.352.111_01 Uitspraak Hoger beroep NL 's-Hertogenbosch Civiel recht; Personen- en familierecht Burgerlijk Wetboek Boek 1 336a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 807 Rechtspraak.nl FJR 2026/28.69 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2025:1734 text/html public 2025-10-17T09:42:25 2025-10-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHSHE:2025:1734 Gerechtshof 's-Hertogenbosch , 19-06-2025 / 200.352.111_01 Artikel 1:336a BW. Toestemming wijziging verblijf. Artikel 807 Rv. Appelverbod. Verwijzing naar de uitspraak van de HR van 20 december 2024: ECLI:NL:HR:2024:1895. Hof anticipeert niet op Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming. GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Team familie- en jeugdrecht Uitspraak: 19 juni 2025 Zaaknummer: 200.352.111/01 Zaaknummer eerste aanleg: C/03/330315/ FA RK 24-1652 in de zaak in hoger beroep van: [de pleegmoeder] , wonende op een voor het hof bekend adres, verzoekster in hoger beroep, hierna te noemen: de pleegmoeder, advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers. tegen Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg , gevestigd te [vestigingsplaats] , verweerster in hoger beroep, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI). Het hof merkt als belanghebbende aan: [de pleegvader] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de pleegvader. Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] . In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming , hierna te noemen: de raad. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond , van 6 december 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. 2 Het geding in hoger beroep 2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 maart 2025, heeft de pleegmoeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het verzoek van de GI tot het verkrijgen van toestemming om het verblijf van [minderjarige] te wijzigen alsnog wordt afgewezen. 2.2. Er is geen verweerschrift ontvangen. 2.3. Het hof heeft betrokkenen bij brief van 15 mei 2025 bericht dat tijdens de mondelinge behandeling alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde zal zijn, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1895). Omdat het hof de zaak tijdens de mondelinge behandeling niet inhoudelijk zal behandelen, heeft het hof de minderjarige [minderjarige] vooralsnog niet opgeroepen voor een kindgesprek. 2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 mei 2025. Bij die gelegenheid zijn gehoord: de pleegmoeder, bijgestaan door mr. Hoppers; de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ; de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] . 2.4.1. De pleegvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling. 2.5. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van: - het V6-formulier van mr. Hoppers van 7 april 2025 met producties 7 en 8. 3 De beoordeling 3.1. [minderjarige] woonde sinds hij ongeveer een halfjaar oud was samen met zijn tweelingzus [tweelingzus] bij de pleegouders. Na de scheiding van de pleegouders in 2018 zijn [tweelingzus] en [minderjarige] bij de pleegmoeder blijven wonen en hebben zij ieder weekend en in de vakanties omgang met de pleegvader. Bij beschikking van 16 maart 2016 is de GI benoemd tot voogdes over [tweelingzus] en [minderjarige] . 3.2. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar een 24-uurs accommodatie. Ten tijde van de mondelinge behandeling in hoger beroep verblijft [minderjarige] bij de pleegmoeder. 3.3. De pleegmoeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. 3.4. Over de ontvankelijkheid van het hoger beroep voert de pleegmoeder – samengevat – aan dat de beslissing op grond van artikel 1:336a van het Burgerlijk Wetboek (BW) geen voorlopig ordende maatregel is, maar een definitief sluitstuk in de discussie over de (toekomstige) verblijfsplaats van [minderjarige] . [minderjarige] is immers bijna 18 jaar. Het rechtsmiddelenverbod is daarom in dit geval niet houdbaar. De pleegmoeder wijst verder op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en betoogt dat zij eenzelfde bescherming van haar gezinsleven moet krijgen als een pleegouder heeft in het kader van een ondertoezichtstelling. Zij verzoekt het hof te anticiperen op het Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming, waarin is voorgesteld om het appelverbod voor verzoeken op grond van artikel 1:336a BW te schrappen. 3.5. Het hof overweegt het volgende. 3.5.1. In artikel 1:336a, eerste lid, van het BW is bepaald dat, indien de minderjarige door een ander of anderen dan zijn voogd, als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed geworden, de voogd niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich hebben genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige kan brengen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor zover deze vereiste toestemmingen niet worden verkregen, zij op verzoek van de voogd door die van de rechtbank kunnen worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt. 3.5.2. Niet in geschil is dat de rechtbank terecht het toetsingskader van artikel 1:336a BW heeft toegepast. 3.5.3. In artikel 807 Rv is beschreven, voor zover hier van belang, dat tegen een beschikking op grond van artikel 1:336a BW geen andere voorziening openstaat dan cassatie in het belang der wet (appelverbod). 3.5.4. Volgens vaste rechtspraak is ondanks een appelverbod hoger beroep mogelijk, indien erover wordt geklaagd dat de eerste rechter met zijn beslissing buiten het toepassingsgebied van het desbetreffende artikel is getreden, het artikel ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of bij het nemen van zijn beslissing zodanig essentiële vormen niet in acht heeft genomen dat niet meer kan worden gesproken van eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Indien hier sprake van is, vormt dat een doorbrekingsgrond van het appelverbod. 3.5.5. Het hof is van oordeel, onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 20 december 2024 met kenmerk ECLI:NL:HR:2024:1895, dat hetgeen door de pleegmoeder is aangevoerd niet leidt tot een doorbreking van het appelverbod van artikel 807 Rv. 3.5.6. Het uitsluiten van hoger beroep van de beslissing ex artikel 1:336a BW is een bewuste keuze van de wetgever. De wetgever heeft het instellen van rechtsmiddelen tegen een beschikking ex artikel 1:336a BW niet noodzakelijk geacht. Het blokkaderecht van de pleegouders ex artikel 1:336a BW is volgens de wetgever bedoeld als een ‘ordeningsmaatregel’. Daarbij heeft de wetgever ook gewezen op de ‘tijdelijke aard van de voorziening’. De wetgever heeft het niet wenselijk geacht dat een conflict tussen de voogd en de pleegouders (over de verblijfplaats van de voogdijpupil) zich lang kan voortslepen. Uit de toelichting maakt het hof op dat het motief van de wetgever met de uitsluiting van het hoger beroep was om een versnelling van de procedure teweeg te brengen en een onnodige vertraging van de procedure te voorkomen. Volgens de wetgever ligt het ook in de rede dat het onderwerp van de verblijfplaats van de minderjarige aan bod komt in ‘een meer definitieve voorziening’.