Rechtspraak
Hoge Raad
2025-10-17
ECLI:NL:HR:2025:1570
Civiel recht; Personen- en familierecht
Cassatie
4,952 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 25/00737
Datum 17 oktober 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
hierna: de moeder,
advocaat: Y.E.J. Geradts,
tegen
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: de gecertificeerde instelling,
niet verschenen.
Procesverloop
Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:
a. zijn beschikking in de zaak 23/04104, ECLI:NL:HR:2024:924 van 21 juni 2024;
b. de beschikking in de zaak 200.343.788/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 november 2024.
De moeder heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De gecertificeerde instelling heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot verwerping.
De advocaat van de moeder heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Uit de relatie van de moeder en [de vader] is in november 2007 [de minderjarige] (hierna: de minderjarige) geboren.
(ii) De ouders van de minderjarige wonen niet samen.
(iii) Op 28 oktober 2008 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken. Sinds 20 februari 2009 is de minderjarige met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst.
(iv) De rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 14 augustus 2012 de moeder ontheven van haar ouderlijk gezag over de minderjarige, de stichting bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam tot voogdes benoemd en bepaald dat de voogdij zal worden uitgevoerd door de stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: Leger des Heils).
(v) De rechtbank Rotterdam heeft een verzoek van de moeder om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld bij beschikking van 13 juli 2015 afgewezen. Deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.
(vi) De rechtbank Rotterdam heeft een nieuw verzoek van de moeder om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld bij beschikking van 29 maart 2019 afgewezen. Ook deze beslissing is in hoger beroep bekrachtigd.
(vii) Leger des Heils heeft in 2022 de rechtbank Rotterdam verzocht haar te ontslaan uit de voogdij over de minderjarige en in haar plaats de gecertificeerde instelling te benoemen. De rechtbank Rotterdam heeft het verzoek per 1 september 2024 toegewezen.
2.2
De moeder verzoekt in de onderhavige procedure, voor zover in cassatie van belang, om in het gezag over de minderjarige te worden hersteld. De rechtbank heeft bij beschikking van 23 december 2022 iedere beslissing aangehouden in afwachting van de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek door iMindU en het verloop van de in te zetten hulpverlening vanuit GGZ-instelling de Viersprong.
2.3
Het gerechtshof Den Haag heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep tegen de hiervoor in 2.2 genoemde beschikking. De Hoge Raad heeft deze beslissing vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof).
2.4
Het hof heeft vervolgens de hiervoor in 2.2 genoemde beschikking bekrachtigd en de verzoeken van de moeder afgewezen. Daartoe heeft het hof, samengevat en voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.
De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan de vaststelling dat zij en de minderjarige gedupeerden zijn van de toeslagenaffaire. Voor zover de moeder met deze grief betoogt dat zij reeds vanwege de toeslagenaffaire in het gezag over de minderjarige moet worden hersteld, miskent zij dat de vraag of een ouder in het gezag kan worden hersteld als eerste moet worden beoordeeld naar de maatstaven van art. 1:277 lid 1 BW. De feiten en omstandigheden die in het verleden hebben geleid tot uithuisplaatsing en (vervolgens) ontheffing uit het ouderlijk gezag zijn eerder door de rechter getoetst. De onderhavige procedure kan niet leiden tot een (her)beoordeling van die beslissingen en leent zich niet voor de beantwoording van de vraag of jeugdbeschermingsinstanties bij de uitvoering van hun taken onrechtmatig hebben gehandeld. Daarvoor dient de moeder andere wegen te bewandelen. Recht op herstel voor de moeder als gedupeerde van de toeslagenaffaire houdt niet in dat bij een verzoek tot herstel in het gezag de toetsing aan het wettelijke kader van art. 1:277 BW achterwege dient te blijven. Het hof dient in deze zaak te beoordelen of herstel in het gezag van de moeder thans in het belang van de minderjarige is. Het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van de minderjarige vormt voor het hof het centrale uitgangspunt voor de beoordeling van het verzoek van de moeder. (rov. 4.6)
Het is het hof duidelijk geworden dat de situatie van de minderjarige zorgelijk is en dat de minderjarige een verzwaarde opvoedbehoefte heeft. De moeder stelt zich op het standpunt dat dit volledig te wijten is aan de wijze waarop de overheid heeft ingegrepen in de persoonlijke levenssfeer van de minderjarige en haarzelf. Volgens de moeder heeft dat ingrijpen van meet af aan niet voldaan aan de daarvoor geldende maatstaf. Het hof overweegt dat het overheidsingrijpen in de vorm van ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing en (de voortzetting van de) beëindiging van het ouderlijk gezag waarop de moeder, zoals het hof het begrijpt, doelt, telkens zal moeten voldoen aan de daarvoor geldende wettelijke maatstaven. De vraag die het hof in de onderhavige zaak dient te beantwoorden is of, uitgaande van de actuele feiten en omstandigheden, herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is en of de moeder duurzaam in staat is de verantwoordelijkheid voor haar verzorging en opvoeding te dragen. (rov. 4.8)
De moeder heeft ter verdere onderbouwing van haar standpunt dat dit het geval is de multidisciplinaire beslisdiagnostiek van iMindU GGZ van 17 september 2024 in het geding gebracht. Dit rapport zegt niets over de opvoedkwaliteiten van de moeder in relatie tot de specifieke opvoedbehoeften van de minderjarige, dan wel over de interactie tussen de moeder en de minderjarige. De huidige situatie is dat de minderjarige kampt met ernstige problematiek en een verzwaarde opvoedvraag heeft. Voor het hof is het nog altijd niet duidelijk of de moeder over de voor de minderjarige benodigde opvoedcapaciteiten beschikt, het rapport biedt op dit punt geen enkel inzicht. Ook is tot op heden geen zicht gekomen op de interactiepatronen tussen de moeder en de minderjarige, anders dan het negatieve patroon dat het verblijf van de minderjarige bij de moeder telkens weer uitmondt in een escalatie. (rov. 4.8)
Beoordeling
3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 4.6 en rov. 4.8 niet op de juiste wijze toetst aan art. 1:277 BW doordat het de relevante feiten en omstandigheden – zoals het ontstaan van de huidige situatie – niet in zijn oordeel betrekt. Aldus toetst het hof volgens het onderdeel ook niet deugdelijk aan de criteria van art. 8 lid 2 EVRM. Verder klaagt het onderdeel dat het hof, door alleen uit te gaan van de actuele feiten en omstandigheden en het ontstaan daarvan niet in aanmerking te nemen, zijn beslissing ook niet deugdelijk motiveert.
Volgens de toelichting op het onderdeel moet de rechter bij het nemen van beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen alle ter zake dienende omstandigheden in aanmerking nemen en is hij niet gebonden aan eerdere beslissingen over die omstandigheden. De moeder is erkend toeslaggedupeerde en volgens de toelichting had de beslissing tot uithuisplaatsing om die reden nooit genomen mogen worden. Veronderstellenderwijs moet ervan worden uitgegaan, aldus de toelichting, dat de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige te wijten is aan overheidsingrijpen waarbij de moeder gedurende zestien jaren op afstand gehouden werd. Deze verzwaarde opvoedbehoefte mag daarom volgens de toelichting niet worden ingeroepen om het overheidsingrijpen te continueren.
3.2.1
In de klachten over de toepassing van art. 8 lid 2 EVRM ziet de Hoge Raad, mede gelet op uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), waaronder een uitspraak van het EHRM van 15 april 2025 in een zaak tegen Nederland, aanleiding om het volgende op te merken over het bij beslissingen over kinderbeschermingsmaatregelen in acht te nemen recht op eerbiediging van gezinsleven (art. 8 EVRM).
3.2.2
Dictum
3.2.3
Bij alle beslissingen waar het gezinsleven van kinderen in het geding is, komt aan de belangen van het kind groot gewicht toe. Waar het gaat om de verzorging en opvoeding van kinderen en om beperkingen in de omgang, moeten de belangen van het kind volgens het EHRM voor andere overwegingen komen.
3.2.4
Bij het beoordelen van de noodzaak om de zorg over een kind geheel of gedeeltelijk aan een ander dan de ouder of ouders toe te vertrouwen – zoals het geval is als het kind onder toezicht wordt gesteld en uit huis wordt geplaatst (art. 1:255 BW en art. 1:265a BW) – komt in het algemeen aan de nationale rechter een ruime beoordelingsruimte toe. Daarbij is van belang dat het in beginsel gaat om tijdelijke maatregelen die op zichzelf geen volledige ontneming van het gezinsleven inhouden. Louter financiële problemen van een ouder vormen geen voldoende grondslag om de ouder de zorg over een kind te ontnemen.
3.2.5
Is de zorg over een kind aan een ander dan de ouder of ouders toevertrouwd, dan heeft de overheid een positieve verplichting tot het treffen van maatregelen om te bevorderen dat het gezin zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk wordt herenigd. Deze verplichting gaat steeds zwaarder wegen, omdat tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de verhoudingen tussen het kind en de ouder van wie het gescheiden is. Wel dient deze verplichting steeds afgewogen te worden tegen de verplichting om rekening te houden met het belang van het kind en het grote gewicht van dat belang. Alle inspanningen moeten erop zijn gericht om persoonlijke banden tussen ouder en kind in stand te houden en, indien en zodra geëigend, het gezinsverband te herstellen (‘family reunification’). Het is derhalve van groot belang dat de wijze waarop de omgang tussen het kind en de ouder of ouders wordt geregeld, daadwerkelijk, maar zonder dat het kind wordt blootgesteld aan onevenredige hardheid (‘undue hardship’), het doel dient van hereniging van kind en ouder of ouders. In het algemeen zullen daarvoor omgangsregelingen waarbij tussen de omgangsmomenten intervallen verstrijken van weken – of zelfs maanden –, niet volstaan.
3.2.6
De conclusie dat, wanneer een aanmerkelijke periode is verstreken nadat het kind oorspronkelijk onder de zorg van de overheid is gekomen, het doel van hereniging van het kind en de ouder of ouders zich niet langer verdraagt met het belang van het kind, mag slechts worden getrokken na zorgvuldige overweging en met in aanmerking nemen van de positieve verplichting van de overheid om hereniging van kind en ouder of ouders te bevorderen.
3.2.7
In het besluitvormingsproces over kinderbeschermingsmaatregelen dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met het belang van de ouder of ouders. De opvattingen en belangen van de ouders moeten naar behoren in aanmerking worden genomen en het beslissingsproces dient zodanig te zijn dat de ouders in staat zijn om tijdig gebruik te maken van beschikbare rechtsmiddelen. De ouders moeten in zodanige mate in het gehele besluitvormingsproces worden betrokken dat hun belangen naar behoren worden beschermd en zij volledig in staat zijn om hun zaak naar voren te brengen. Daarbij moet ertegen gewaakt worden dat door enkel tijdsverloop in het nadeel van ouders wordt beslist. Of de rechter een deskundige dient te raadplegen over de vraag in hoeverre omgang kan plaatsvinden, hangt af van de specifieke omstandigheden van de zaak. Het is aan de rechter om het voorhanden bewijs te waarderen.
3.2.8
Het EHRM beziet bij de beoordeling van klachten over schending van art. 8 EVRM de zaak in haar geheel (‘the case as a whole’) en betrekt daarbij zo nodig in bepaalde mate ook eerdere procedures en beslissingen. Daarbij is het EHRM zich ervan bewust dat deze retrospectieve wijze van beoordeling kan afwijken van die van instellingen van jeugdbescherming en rechters, die beslissingen moeten nemen op basis van de omstandigheden waarin het kind en betrokken gezinsleden verkeren op het moment van de beslissing en met het oog in de eerste plaats gericht op de toekomst.
3.3.1
De hiervoor in 3.1 weergegeven klachten lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.3.2
De rechter kan de ouder wiens gezag over een minderjarige is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien (a) herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en (b) de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat is te dragen (art. 1:277 lid 1 BW). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de door de rechter te maken keuze het belang van het kind uitgangspunt is en dat daarbij het recht van een kind op een gezonde en evenwichtige ontwikkeling en groei naar zelfstandigheid centraal staat. Ook in gevallen dat aan voorwaarde b is voldaan, kan de rechter, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, het verzoek afwijzen om redenen die gelegen zijn in het belang van het kind.
3.3.3
Het onderdeel gaat terecht ervan uit dat de rechter bij beslissingen op de voet van art. 1:277 BW alle relevante omstandigheden in aanmerking dient te nemen. Met zijn overweging dat de vraag of een ouder in het gezag kan worden hersteld ‘als eerste’ moet worden beoordeeld naar de maatstaven van art. 1:277 lid 1 BW, heeft het hof dit niet miskend, maar heeft het – terecht – tot uitdrukking gebracht dat toewijzing slechts mogelijk is als dit in het belang van de minderjarige is. Daaraan doet niet af de mogelijkheid dat bij eerdere beslissingen over het gezag van de moeder en de omgang met de minderjarige fouten zijn gemaakt. Ook doet daaraan niet af dat de rechter bij de beoordeling van de voor zijn beslissing relevante omstandigheden op zichzelf niet gebonden is aan oordelen in eerdere beslissingen omtrent die omstandigheden. Dit een en ander brengt immers niet mee dat bij de beoordeling of toewijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige is – een beoordeling op basis van de omstandigheden op het moment van de beslissing en met het oog in de eerste plaats gericht op de toekomst (vgl. hiervoor in 3.2.8) –, voorbijgegaan kan worden aan de zorgelijke situatie van de minderjarige en haar verzwaarde opvoedbehoefte. Het hof heeft overigens onder ogen gezien (rov. 4.6) dat de moeder erkend gedupeerde is van de toeslagenaffaire, dat zij door de Belastingdienst ten onrechte is aangemerkt als fraudeur en dat de schulden die voortkomen uit de toeslagenaffaire een langdurig negatief effect hebben op gezinnen.
3.3.4
De aan het onderdeel ten grondslag liggende opvatting dat waar de verzwaarde opvoedbehoefte van de minderjarige te wijten is aan door de overheid gemaakte fouten, deze niet aan de moeder mag worden tegengeworpen, is kennelijk gebaseerd op een overweging van het EHRM in de zaak M.L./Noorwegen. In die zaak oordeelde het EHRM dat de beslissing om wegens het ontbreken van daadwerkelijke banden (‘real ties’, ‘bonds’) tussen de ouders en het kind over te gaan tot adoptie, tegen de achtergrond van het jarenlang ontbreken van inspanningen om die banden in stand te houden, niet te verenigen viel met de positieve verplichting van de overheid om familiebanden zoveel mogelijk in stand te houden. Daarbij woog het EHRM mee dat voor de ouders door deze adoptie – anders dan bij een zogenoemde open adoptie – een vooruitzicht op omgang met het kind niet was verzekerd.
Dictum
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, S.J. Schaafsma, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 17 oktober 2025.
Rechtbank Rotterdam 28 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:10442.
Rechtbank Rotterdam 23 december 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:11319.
Gerechtshof Den Haag 2 augustus 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1492.
HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:924.
Gerechtshof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3286.
EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland).
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 202-203.
Vgl. EHRM 25 november 2004, nr. 23660/02 (Vitters/Nederland).
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 204; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 78.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208 en 211; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 81 en 89; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 69.
Zie bijvoorbeeld EHRM 18 juni 2013, nr. 28775/12 (R.M.S./Spanje), punt 85; EHRM 16 februari 2016, nr. 72850/14 (Soares de Melo/Portugal) punt 104 e.v.; EHRM 22 juni 2017, nr. 37931/15 (Barnea en Caldabaru/Italië), punt 71 e.v.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 205 en 208; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 69; vgl. HR 22 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:108, rov. 3.2.
EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 78.
EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 68.
EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 79 en 94.
EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94, (K. en T./Finland), punt 155; EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208; EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18 (Van Slooten/Nederland), punt 69; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 93.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 212-213; vgl. HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1895, rov. 3.4.
EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 148 en 203; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 84.
EHRM 10 maart 2020, nr. 14652/16 (Hernehult/Noorwegen), punt 75; EHRM 22 december 2020, nr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 98.
Kamerstukken II 2008/09, 32015, nr. 3, p. 37.
Vgl. HR 27 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3704, rov. 5.4.
EHRM 22 december 2020, zaaknr. 64639/16 (M.L./Noorwegen), punt 97. Zie ook EHRM 10 september 2019, nr. 37283/13 (Strand Lobben/Noorwegen), punt 208; EHRM 10 april 2012, nr. 19554/09 (Pontes/Portugal), punt 99.