Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
2025-05-28
ECLI:NL:GHSHE:2025:1507
Civiel recht; Insolventierecht
Hoger beroep
4,450 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Uitspraak : 28 mei 2025
Zaaknummer : 200.353.288/01
Zaaknummer eerste aanleg : C/03/337820 / FT RK 25/9
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats]
appellant,
hierna te noemen: [appellant] ,
advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon te Heerlen .
Procesverloop
Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 1 april 2025.
Procesverloop
2.1.
Bij beroepschrift met producties 1 t/m 5, ontvangen op 9 april 2025, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek om de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken alsnog toe te wijzen.
2.2.
Omdat over de goederen die aan [appellant] toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld (artikel 1:431 lid 1 BW), is de beschermingsbewindvoerder opgeroepen voor de mondelinge behandeling, om haar visie op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021).
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2025. Bij die gelegenheid is gehoord:
[appellant] , bijgestaan door mr. Jaminon;
mevrouw [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 19 maart 2025;
- het V6-formulier van mr. Jaminon met bijlagen, ontvangen op 22 april 2025;
- het V6-formulier van mr. Jaminon met producties 6 t/m 8, ontvangen op 2 mei 2025.
Beoordeling
3.1.
[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de crediteurenlijst bij het verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 199.304,05. Daaronder bevindt zich een preferente schuld aan de Belastingdienst ter hoogte van € 44.417,65. Uit de verklaring ex artikel 285 lid 1 FW blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat drie crediteuren niet hebben ingestemd met het daarin aangeboden percentage en één crediteur niet heeft gereageerd op het voorstel. De vorderingen van deze vier crediteuren gezamenlijk bedragen 66% van de totale schuldenlast.
3.2.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.
De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
3.3.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.
“2.3. Bij [appellant] is sprake van psychosociale problematiek. Hij is in 2011 gescheiden en sindsdien in conflict met zijn ex-partner en/of Jeugdzorg. Uit de rapportage van [Forensische Zorg] van 4 september 2024 blijkt dat hij jarenlang is behandeld voor agressieregulatieproblemen en dat zijn agressie vooral gericht was tegen Jeugdzorg. De behandeling is gestopt vanwege het ontbreken van behandeldoelen en hulpvraag.
De re-integratieconsulent van de gemeente, mw. [re-integratieconsulent] , heeft in een e-mail van 6 augustus 2024 aan de beschermingsbewindvoerder geschreven dat de problemen van [appellant] op psychisch en fysiek vlak er nog steeds zijn, dat er een voortdurende strijd met zijn ex is, dat er continu rechtszaken lopen, dat verzoeker geen kandidaat is voor werk of een traject en dat [appellant] in februari 2025 zal worden opgeroepen om zijn (on)mogelijkheden te bespreken.
2.4.
Een verklaring van een psycholoog of hulpverlenende instantie als bedoeld onder 2.2 ontbreekt. [appellant] heeft ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt dat zijn situatie voldoende bestendig is om de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, in het bijzonder de arbeidsplicht, naar behoren na te komen. Hij zal moeten werken aan zijn stabiliteit en heeft daarbij zeker hulp nodig. Ook zelfreflectie is nodig, aangezien hij de oorzaak van zijn problemen nog steeds vooral zoekt in zijn echtscheiding (2010) en in de beëindiging van zijn - volgens hem goedlopende - onderneming (2018), terwijl veel van de schulden mede het gevolg zijn van eigen keuzes. [appellant] heeft moeite om dat te erkennen en te accepteren; het gevoel dat hij steeds wordt tegengewerkt, is bovendien slecht voor zijn gezondheid, zo is ook gebleken.
Met het werken op projectbasis voor zijn voormalige bedrijfje heeft [appellant] in elk geval niet bereikt wat hij beoogde. Dat bedrijfje is overgenomen door zijn toenmalige partner. Het kan zijn dat hij niet in dienst kon worden genomen, maar [appellant] heeft ook verder niet in loondienst willen werken, omdat hij geen afstand kon doen van zijn bedrijfje. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij niet van plan was om iets (zijn bedrijfje) op te geven wat goed draaide, alleen omdat instanties (zoals de schuldhulpverlening) een papiertje (lees loonstrook) willen. Dit terwijl het toch die instantie was die hem van de schulden zou moeten afhelpen.
Het rapport van [Forensische Zorg] vermeldt dat [appellant] de wens heeft om te werken, maar dat dit niet mogelijk zou zijn in verband met “regels rondom een uitkering”. In werkelijkheid zijn er geen regels die hem verhinderen te gaan werken, maar tot op heden werkt hij niet. Niet aannemelijk is dat hij zich zal aanpassen om aan de eisen van de schuldsaneringsregeling te gaan voldoen.
Een slecht signaal is verder dat [appellant] niet bij het schuldhulpverleningstraject is betrokken en dat alle communicatie met de schuldhulpverlener via de beschermingsbewindvoerder liep. Die heeft ter zitting verklaard dat dat is gebeurd om [appellant] zoveel mogelijk wilde ontzien. In de schuldsaneringsregeling zal dit niet mogelijk zijn, want daarin is de schuldenaar te allen tijde verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen en kan hij dit niet overlaten aan de beschermingsbewindvoerder.”
3.4.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
[appellant] ervaart boosheid richting Jeugdzorg omdat er jarenlang sprake is geweest van een ondertoezichtstelling, welke achteraf ongegrond bleek te zijn. In de gesprekken met GGZ werd deze boosheid richting Jeugdzorg besproken alsook de financiële malaise waarin [appellant] zich bevindt. De GGZ heeft [appellant] niet verder kunnen helpen omdat een vader niet snel vergeet dat hij onterecht zijn kinderen acht jaar lang amper heeft kunnen zien. Dit zijn geen psychosociale problemen die ervoor zouden zorgen dat [appellant] de verplichtingen die voortvloeien uit de WSNP niet zou kunnen nakomen.
[appellant] vindt het opmerkelijk dat de rechtbank enige, zelfs grote, waarde hecht aan de e-mail van een re-integratieconsulent van de gemeente [gemeente 1] . Er heeft nimmer een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en de gemeente [gemeente 1] , althans niet nadat [appellant] de participatie uitkering heeft ontvangen (per 28 november 2022 – bij beslissing van 15 mei 2023). Het is dan ook opmerkelijk dat deze consulent aangeeft dat er nog steeds problemen spelen.
[appellant] zijn financiële situatie is zijn grootste zorg. Toelating tot de WSNP zou deze zorg geheel wegnemen. [appellant] dient aannemelijk te maken dat zijn problemen beheersbaar zijn. Dit is uiterst lastig omdat de problemen vooral bestaan uit de financiële situatie waarin hij verkeert. Het is voor [appellant] ontzettend lastig aan te tonen dat hij klaar is voor de arbeidsmarkt. Hij heeft echter bij de gemeente [gemeente 2] altijd vrijwilligerswerk gedaan om weer de arbeidsmarkt op te komen. [appellant] zal alle kansen aangrijpen om uit deze situatie te komen.
Het is kort door de bocht dat de rechtbank aanneemt dat [appellant] moeite heeft om zijn situatie te erkennen en te accepteren, dat hij het gevoel heeft dat hem een en ander is tegengewerkt en dat dit slecht is voor zijn gezondheid. [appellant] heeft acht jaar moeten vechten zodat hij zijn kinderen weer regelmatiger zag. Destijds is na zijn verhuizing zijn Participatiewet uitkering geweigerd, waardoor hij hier ook voor heeft moeten vechten. Niet geheel vreemd is dat [appellant] in een situatie terecht is gekomen waarin hij het gevoel krijgt dat er niemand naar hem luistert. [appellant] probeert echter nog altijd op een gezonde manier door het leven te gaan en uit deze financiële situatie te geraken.
[appellant] wil graag werken, maar dat is lastig. [appellant] zal bepaalde ondersteuning moeten krijgen. De (on)mogelijkheden om te werken moeten nog besproken worden.
Dat alle communicatie met de schuldhulpverlener via de beschermingsbewindvoerder liep, komt omdat de beschermingsbewindvoerder [appellant] zo veel mogelijk wilde ontzien zodat hij zich kon richten op andere problemen. Hieruit blijkt niet dat [appellant] zich verzet tegen de verplichting om zelf te communiceren met de WSNP-bewindvoerder. Hij is hiertoe in staat.
3.5.
Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende toegevoegd.
Beoordeling
[appellant] heeft zelf besloten hulpverlening in te schakelen omdat hij door alles wat hij heeft meegemaakt psychische en lichamelijke klachten kreeg. Door de lichamelijke klachten heeft hij moeten stoppen met werken. Op dit moment is Jeugdzorg niet langer in beeld en is de situatie rondom [appellant] rustig en stabiel. [appellant] zou graag werk willen vinden in de technische dienst en is gemotiveerd om te gaan werken.
3.6.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.6.1.
Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Volgens bijlage III bij het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken 2024 inhoudende ‘landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling’ wordt ingeval van psychosociale problematiek een verzoeker in beginsel alleen toegelaten tot de schuldsaneringsregeling indien aannemelijk is dat deze problemen al enige tijd beheersbaar zijn, in die zin dat de verzoeker zich in maatschappelijk opzicht staande weet te houden en voldoende hulp of een voldoende sociaal vangnet aanwezig is. De beheersbaarheid van de problemen dient te worden bevestigd door een hulpverlener of hulpverlenende instantie.
Het hof hecht er, ook in meer algemene zin, aan te benadrukken dat het hebben van psychosociale problemen als zodanig in beginsel niet steeds aan toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg behoeft te staan. Het is echter aan – in dit geval – [appellant] zelf om voldoende aannemelijk te maken dat zijn problematiek onder controle is.
3.6.2.
Uit hetgeen door [appellant] is aangevoerd, blijkt het volgende. De gestelde psychische situatie van [appellant] had vooral, zo niet uitsluitend, te maken met de gehele gang van zaken rondom de betrokkenheid van Jeugdzorg. [appellant] heeft aangegeven veel woede te hebben ervaren omdat zijn kinderen onterecht uit huis zijn geplaatst. Hij heeft zelf de keuze gemaakt om voor zijn psychische problemen hulp te zoeken en is zo bij [Forensische Zorg] Forensische Zorg terecht gekomen. Hier heeft [appellant] de Agressie Regulatietherapie op maat doorlopen. [appellant] heeft de behandelingen gevolgd tussen 18 januari en 26 juni 2024. Door [Forensische Zorg] Forensische Zorg is vastgesteld dat de boosheid die [appellant] ervaarde gezien zijn situatie vaak passend was, maar dat hij zijn boosheid inadequaat uitte. De erkenning van zijn boosheid en praktische ondersteuning hebben hem hierin geholpen. Ook kreeg [appellant] de agressieve neigingen enkel wanneer het betrekking had op Jeugdzorg. Inmiddels is Jeugdzorg niet meer betrokken bij zijn kinderen. Dit alles maakt dat het hof van oordeel is dat er weliswaar sprake is (geweest) van (enige) psychosociale problematiek bij [appellant] , doch dat in dit bijzondere geval, in voldoende mate aannemelijk gemaakt is dat deze psychosociale problematiek van zodanige aard is dat deze niet (meer) in de weg hoeft te staan aan behoorlijke nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.
3.6.3.
Het hof verwijst hierbij (ook) naar de afsluitbrief van [Forensische Zorg] Forensische Zorg van 4 september 2024, waarin het volgende is geschreven:
“Conclusie
Patiënt, reeds enkele jaren in behandeling bij [Forensische Zorg] Forensische Zorg, verwezen wegens agressie regulatieproblematiek. Behandeling gericht op agressieproblematiek werd afgerond waarna patiënt verder werd gesteund op psychosociaal gebied. Inmiddels heeft patiënt hier geen hulpvraag meer in en worden er geen (forensische) behandeldoelen meer gezien. Gezamenlijk is dan ook overeengekomen de behandeling, na een periode van afgebouwde contacten, te beëindigen. Het dossier wordt gesloten.”
[Forensische Zorg] Forensische Zorg geeft in deze brief te kennen dat er geen hulpvraag van [appellant] meer is en dat er geen behandeldoelen meer worden gezien, waardoor de behandelingen zijn beëindigd. Het dossier van [appellant] is naar aanleiding daarvan gesloten. Het hof leidt hieruit af dat er bij [appellant] rust is gekomen op het punt waarvoor hij hulp heeft gezocht en dat [appellant] stabiliteit heeft gevonden waarmee hij alle verplichtingen uit de schuldsanering kan nakomen.
3.6.4.
Naar het oordeel van het hof moet [appellant] in staat worden geacht te solliciteren en (op termijn dan ook) betaalde arbeid te verrichten. Het hof verwijst in dat verband naar het gesprek dat [appellant] heeft gehad met mevrouw [werkcoach bemiddeling] , werkcoach bemiddeling [instantie] , over een traject richting werk. Tijdens dit gesprek heeft [appellant] zich, zo volgt uit de e-mail van [werkcoach bemiddeling] van 1 mei 2025, gemotiveerd en flexibel getoond binnen zijn mogelijkheden en heeft hij zich bereid getoond om zich in te zetten om passende arbeid te vinden. [werkcoach bemiddeling] zal [appellant] ook ondersteunen in het vinden van een passende vacature. De inzet en bereidwilligheid van [appellant] zijn helder aanwezig. Dit heeft [appellant] ter zitting in hoger beroep ook duidelijk gemaakt, waardoor het hof vertrouwen heeft dat [appellant] zich maximaal in zal spannen om werk te vinden en te houden.
3.6.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat niet valt in te zien dat [appellant] ondanks zijn – door het hof in elk geval als beperkt en overzienbaar aangemerkte – (restanten) psychische problematiek niet zou kunnen voldoen aan de uit de schuldsaneringsregeling voorvloeiende kernverplichtingen. Vooral nu de behandelingen van [appellant] bij [Forensische Zorg] Forensische Zorg zijn afgesloten, de problemen met Jeugdzorg inmiddels zijn opgelost en [appellant] daarnaast wordt begeleid bij het vinden van een baan. [appellant] heeft derhalve genoegzaam aangetoond dat zijn problemen beheersbaar zijn. In haar brief van 1 mei 2025 aan de advocaat van [appellant] stelt de beschermingsbewindvoerder dat [appellant] toegelaten kan worden tot de schuldsaneringsregeling.
3.6.6.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat, gelet op de inhoud van de processtukken en hetgeen door en namens [appellant] tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gebracht, [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de goede trouw van [appellant] ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van zijn schulden (artikel 288 lid sub b Fw). Ook aan het vereiste van artikel 288 lid 1 sub a Fw is voldaan en er zijn geen beletselen voor toelating. [appellant] kan derhalve worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
3.7.
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.