Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-04-14
ECLI:NL:GHDHA:2026:873
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Hoger beroep
12,120 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/xml public 2026-04-30T14:34:22 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.352.858/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/html public 2026-04-30T14:33:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:873 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.352.858/01 Verstekzaak. Gezamenlijke huur woning. Na verbreking affectieve relatie vordert vrouw dat het huurecht wordt toegescheiden aan de man (vrouw wenst uit huurrelatie ontslagen te worden). Verhuurder niet bij procedure betrokken. Hof wijst vordering toe, met terugwerkende kracht. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.858/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11414264/CV EXPL 24-3799 Arrest van 14 april 2026 bij verstek in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de man, niet verschenen, verstek verleend. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn huurders van de woning waarin zij zijn gaan samenwonen. Bij het verbreken van hun relatie is de vrouw uit de woning vertrokken. Zij heeft primair gevorderd om op grond van artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man als enige huurder wordt aangemerkt. Subsidiair heeft ze gevorderd om mede namens de man de huurovereenkomst te mogen opzeggen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering toegewezen. 1.2 De vrouw klaagt in hoger beroep over de (impliciete) afwijzing van haar primaire vordering. Deze klacht slaagt. Het hof wijst de primaire vordering alsnog op de hierna te vermelden wijze toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2024; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 16 mei 2020 gaan samenwonen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning), die zij gezamenlijk hebben gehuurd van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: de verhuurder). 3.2 De affectieve relatie is geëindigd. De vrouw heeft in verband hiermee de woning eind 2023 verlaten. 3.3 De vrouw heeft een brief geschreven met de tekst: “Geachte lezer, Via deze brief bericht ik u dat wij als huurders het huur contract op [adres] wil voortzetten per direct. [appellante] ontbind zich van de contract als medehuurder. [geïntimeerde] blijft en word hoofdhuurder. (…)” Zowel de vrouw als de man heeft de brief ondertekend op 4 januari 2024. 3.4 Op 15 en 16 januari 2024 was er e-mailcontact tussen de vrouw en “Schep Verhuurmanagers” waarin Schep Verhuurmanagers gegevens van de man vroeg “ om het contract te wijzigen ” en waarin de vrouw gegevens heeft gemaild. 3.5 Daarna is een huurschuld ontstaan. De vrouw heeft op 8 oktober 2024 een dagvaarding ontvangen van de verhuurder waarin deze aanspraak maakt op de niet betaalde huur over 2024. 4 Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank 4.1 De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om ex artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een in goede justitie door de kantonrechter te bepalen datum, als enige huurder van de woning wordt aangemerkt en subsidiair om de vrouw ex artikel 3:300 BW toestemming te geven om de huurovereenkomst van de woning namens de man en haarzelf op te zeggen en te bepalen dat de man de woning moet ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm of op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. 4.2 De man is niet in de procedure verschenen. 4.3 De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering bij verstek toegewezen, waarbij is bepaald dat de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan plaatsvinden. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4.4 De kantonrechter heeft geweigerd om het vonnis te herstellen in die zin dat alsnog de primaire vordering wordt toegewezen, zoals de vrouw heeft gevraagd. Daarbij heeft de kantonrechter per e-mail onder meer laten weten dat het primair gevorderde niet is toegewezen omdat de verhuurder – die in de procedure geen partij is – met het ontslag van de vrouw uit de huurrelatie moet instemmen. 5 Beoordeling in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. 5.2 De vrouw klaagt met haar grief over de impliciete afwijzing van haar primaire vordering. Volgens de vrouw had de primaire vordering toegewezen moeten worden. De omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken vindt zij niet relevant. Voor toedeling van het huurrecht aan de andere huurder is immers niet vereist dat de verhuurder in de procedure omtrent toedeling van het huurrecht wordt betrokken. De vrouw verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1964. 5.3 Deze grief slaagt. 5.4 De vrouw heeft op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gevorderd dat de rechter zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, als enige huurder zal worden aangemerkt (en dus dat zij de huurrelatie vanaf die datum niet langer zal voortzetten). De Hoge Raad heeft in genoemd arrest beslist dat ook in geval van gezamenlijke huur een rechterlijke beslissing op de voet van artikel 7:267 lid 7 BW werking heeft jegens een verhuurder die geen partij is in de in die bepaling bedoelde procedure. Dit betekent dat de omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken, geen grond oplevert om deze vordering af te wijzen. Omdat de man zijn instemming met zijn voortzetting van de huurrelatie heeft betuigd (zie § 3.3), is de primaire vordering van de vrouw in zoverre toewijsbaar. Het hof zal het vonnis vernietigen. 5.5 Vervolgens moet het hof beoordelen met ingang van welk moment de vrouw overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW de huurrelatie niet langer zal voortzetten. In dit verband is het volgende van belang: De vrouw heeft gesteld dat zij de verhuurder heeft laten weten dat zij niet langer als huurster aangemerkt wil worden en dat zij gezamenlijk met de man heeft verzocht het huurrecht aan de man toe te scheiden. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief overgelegd en (in hoger beroep) een e-mailcorrespondentie van 15 en 16 januari 2024 met (de vertegenwoordiger van) de verhuurder (zie hierboven § 3.3 en § 3.4). Vanaf medio januari 2024 was de verhuurder dus op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verlaten. Uit niets blijkt dat de verhuurder hiermee toen niet akkoord is gegaan of daartegen bezwaar heeft gemaakt. 5.6 In het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat in de overgelegde huurovereenkomst staat (artikel 3.5) dat de huurder de huur kan opzeggen met in- achtneming van een termijn van één maand tegen de eerste of de vijftiende van een kalendermaand, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de vrouw de huurrelatie met ingang van 15 februari 2024 niet langer heeft voortgezet. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw slaagt in die zin dat de primaire vordering zal worden toegewezen met ingang van 15 februari 2024. Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe. 5.8 Daarom zal het hof het vonnis vernietigen. De man blijft de in het ongelijk gestelde partij zodat de proceskostenveroordeling door de kantonrechter feitelijk in stand blijft. Om de leesbaarheid van de beslissing van het hof te vergroten zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/xml public 2026-04-30T14:34:22 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.352.858/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/html public 2026-04-30T14:33:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:873 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.352.858/01 Verstekzaak. Gezamenlijke huur woning. Na verbreking affectieve relatie vordert vrouw dat het huurecht wordt toegescheiden aan de man (vrouw wenst uit huurrelatie ontslagen te worden). Verhuurder niet bij procedure betrokken. Hof wijst vordering toe, met terugwerkende kracht. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.858/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11414264/CV EXPL 24-3799 Arrest van 14 april 2026 bij verstek in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de man, niet verschenen, verstek verleend. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn huurders van de woning waarin zij zijn gaan samenwonen. Bij het verbreken van hun relatie is de vrouw uit de woning vertrokken. Zij heeft primair gevorderd om op grond van artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man als enige huurder wordt aangemerkt. Subsidiair heeft ze gevorderd om mede namens de man de huurovereenkomst te mogen opzeggen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering toegewezen. 1.2 De vrouw klaagt in hoger beroep over de (impliciete) afwijzing van haar primaire vordering. Deze klacht slaagt. Het hof wijst de primaire vordering alsnog op de hierna te vermelden wijze toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2024; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 16 mei 2020 gaan samenwonen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning), die zij gezamenlijk hebben gehuurd van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: de verhuurder). 3.2 De affectieve relatie is geëindigd. De vrouw heeft in verband hiermee de woning eind 2023 verlaten. 3.3 De vrouw heeft een brief geschreven met de tekst: “Geachte lezer, Via deze brief bericht ik u dat wij als huurders het huur contract op [adres] wil voortzetten per direct. [appellante] ontbind zich van de contract als medehuurder. [geïntimeerde] blijft en word hoofdhuurder. (…)” Zowel de vrouw als de man heeft de brief ondertekend op 4 januari 2024. 3.4 Op 15 en 16 januari 2024 was er e-mailcontact tussen de vrouw en “Schep Verhuurmanagers” waarin Schep Verhuurmanagers gegevens van de man vroeg “ om het contract te wijzigen ” en waarin de vrouw gegevens heeft gemaild. 3.5 Daarna is een huurschuld ontstaan. De vrouw heeft op 8 oktober 2024 een dagvaarding ontvangen van de verhuurder waarin deze aanspraak maakt op de niet betaalde huur over 2024. 4 Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank 4.1 De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om ex artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een in goede justitie door de kantonrechter te bepalen datum, als enige huurder van de woning wordt aangemerkt en subsidiair om de vrouw ex artikel 3:300 BW toestemming te geven om de huurovereenkomst van de woning namens de man en haarzelf op te zeggen en te bepalen dat de man de woning moet ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm of op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. 4.2 De man is niet in de procedure verschenen. 4.3 De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering bij verstek toegewezen, waarbij is bepaald dat de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan plaatsvinden. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4.4 De kantonrechter heeft geweigerd om het vonnis te herstellen in die zin dat alsnog de primaire vordering wordt toegewezen, zoals de vrouw heeft gevraagd. Daarbij heeft de kantonrechter per e-mail onder meer laten weten dat het primair gevorderde niet is toegewezen omdat de verhuurder – die in de procedure geen partij is – met het ontslag van de vrouw uit de huurrelatie moet instemmen. 5 Beoordeling in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. 5.2 De vrouw klaagt met haar grief over de impliciete afwijzing van haar primaire vordering. Volgens de vrouw had de primaire vordering toegewezen moeten worden. De omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken vindt zij niet relevant. Voor toedeling van het huurrecht aan de andere huurder is immers niet vereist dat de verhuurder in de procedure omtrent toedeling van het huurrecht wordt betrokken. De vrouw verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1964. 5.3 Deze grief slaagt. 5.4 De vrouw heeft op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gevorderd dat de rechter zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, als enige huurder zal worden aangemerkt (en dus dat zij de huurrelatie vanaf die datum niet langer zal voortzetten). De Hoge Raad heeft in genoemd arrest beslist dat ook in geval van gezamenlijke huur een rechterlijke beslissing op de voet van artikel 7:267 lid 7 BW werking heeft jegens een verhuurder die geen partij is in de in die bepaling bedoelde procedure. Dit betekent dat de omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken, geen grond oplevert om deze vordering af te wijzen. Omdat de man zijn instemming met zijn voortzetting van de huurrelatie heeft betuigd (zie § 3.3), is de primaire vordering van de vrouw in zoverre toewijsbaar. Het hof zal het vonnis vernietigen. 5.5 Vervolgens moet het hof beoordelen met ingang van welk moment de vrouw overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW de huurrelatie niet langer zal voortzetten. In dit verband is het volgende van belang: De vrouw heeft gesteld dat zij de verhuurder heeft laten weten dat zij niet langer als huurster aangemerkt wil worden en dat zij gezamenlijk met de man heeft verzocht het huurrecht aan de man toe te scheiden. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief overgelegd en (in hoger beroep) een e-mailcorrespondentie van 15 en 16 januari 2024 met (de vertegenwoordiger van) de verhuurder (zie hierboven § 3.3 en § 3.4). Vanaf medio januari 2024 was de verhuurder dus op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verlaten. Uit niets blijkt dat de verhuurder hiermee toen niet akkoord is gegaan of daartegen bezwaar heeft gemaakt. 5.6 In het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat in de overgelegde huurovereenkomst staat (artikel 3.5) dat de huurder de huur kan opzeggen met in- achtneming van een termijn van één maand tegen de eerste of de vijftiende van een kalendermaand, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de vrouw de huurrelatie met ingang van 15 februari 2024 niet langer heeft voortgezet. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw slaagt in die zin dat de primaire vordering zal worden toegewezen met ingang van 15 februari 2024. Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe. 5.8 Daarom zal het hof het vonnis vernietigen. De man blijft de in het ongelijk gestelde partij zodat de proceskostenveroordeling door de kantonrechter feitelijk in stand blijft. Om de leesbaarheid van de beslissing van het hof te vergroten zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/xml public 2026-04-30T14:34:22 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.352.858/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/html public 2026-04-30T14:33:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:873 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.352.858/01 Verstekzaak. Gezamenlijke huur woning. Na verbreking affectieve relatie vordert vrouw dat het huurecht wordt toegescheiden aan de man (vrouw wenst uit huurrelatie ontslagen te worden). Verhuurder niet bij procedure betrokken. Hof wijst vordering toe, met terugwerkende kracht. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.858/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11414264/CV EXPL 24-3799 Arrest van 14 april 2026 bij verstek in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de man, niet verschenen, verstek verleend. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn huurders van de woning waarin zij zijn gaan samenwonen. Bij het verbreken van hun relatie is de vrouw uit de woning vertrokken. Zij heeft primair gevorderd om op grond van artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man als enige huurder wordt aangemerkt. Subsidiair heeft ze gevorderd om mede namens de man de huurovereenkomst te mogen opzeggen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering toegewezen. 1.2 De vrouw klaagt in hoger beroep over de (impliciete) afwijzing van haar primaire vordering. Deze klacht slaagt. Het hof wijst de primaire vordering alsnog op de hierna te vermelden wijze toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2024; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 16 mei 2020 gaan samenwonen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning), die zij gezamenlijk hebben gehuurd van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: de verhuurder). 3.2 De affectieve relatie is geëindigd. De vrouw heeft in verband hiermee de woning eind 2023 verlaten. 3.3 De vrouw heeft een brief geschreven met de tekst: “Geachte lezer, Via deze brief bericht ik u dat wij als huurders het huur contract op [adres] wil voortzetten per direct. [appellante] ontbind zich van de contract als medehuurder. [geïntimeerde] blijft en word hoofdhuurder. (…)” Zowel de vrouw als de man heeft de brief ondertekend op 4 januari 2024. 3.4 Op 15 en 16 januari 2024 was er e-mailcontact tussen de vrouw en “Schep Verhuurmanagers” waarin Schep Verhuurmanagers gegevens van de man vroeg “ om het contract te wijzigen ” en waarin de vrouw gegevens heeft gemaild. 3.5 Daarna is een huurschuld ontstaan. De vrouw heeft op 8 oktober 2024 een dagvaarding ontvangen van de verhuurder waarin deze aanspraak maakt op de niet betaalde huur over 2024. 4 Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank 4.1 De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om ex artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een in goede justitie door de kantonrechter te bepalen datum, als enige huurder van de woning wordt aangemerkt en subsidiair om de vrouw ex artikel 3:300 BW toestemming te geven om de huurovereenkomst van de woning namens de man en haarzelf op te zeggen en te bepalen dat de man de woning moet ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm of op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. 4.2 De man is niet in de procedure verschenen. 4.3 De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering bij verstek toegewezen, waarbij is bepaald dat de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan plaatsvinden. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4.4 De kantonrechter heeft geweigerd om het vonnis te herstellen in die zin dat alsnog de primaire vordering wordt toegewezen, zoals de vrouw heeft gevraagd. Daarbij heeft de kantonrechter per e-mail onder meer laten weten dat het primair gevorderde niet is toegewezen omdat de verhuurder – die in de procedure geen partij is – met het ontslag van de vrouw uit de huurrelatie moet instemmen. 5 Beoordeling in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. 5.2 De vrouw klaagt met haar grief over de impliciete afwijzing van haar primaire vordering. Volgens de vrouw had de primaire vordering toegewezen moeten worden. De omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken vindt zij niet relevant. Voor toedeling van het huurrecht aan de andere huurder is immers niet vereist dat de verhuurder in de procedure omtrent toedeling van het huurrecht wordt betrokken. De vrouw verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1964. 5.3 Deze grief slaagt. 5.4 De vrouw heeft op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gevorderd dat de rechter zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, als enige huurder zal worden aangemerkt (en dus dat zij de huurrelatie vanaf die datum niet langer zal voortzetten). De Hoge Raad heeft in genoemd arrest beslist dat ook in geval van gezamenlijke huur een rechterlijke beslissing op de voet van artikel 7:267 lid 7 BW werking heeft jegens een verhuurder die geen partij is in de in die bepaling bedoelde procedure. Dit betekent dat de omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken, geen grond oplevert om deze vordering af te wijzen. Omdat de man zijn instemming met zijn voortzetting van de huurrelatie heeft betuigd (zie § 3.3), is de primaire vordering van de vrouw in zoverre toewijsbaar. Het hof zal het vonnis vernietigen. 5.5 Vervolgens moet het hof beoordelen met ingang van welk moment de vrouw overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW de huurrelatie niet langer zal voortzetten. In dit verband is het volgende van belang: De vrouw heeft gesteld dat zij de verhuurder heeft laten weten dat zij niet langer als huurster aangemerkt wil worden en dat zij gezamenlijk met de man heeft verzocht het huurrecht aan de man toe te scheiden. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief overgelegd en (in hoger beroep) een e-mailcorrespondentie van 15 en 16 januari 2024 met (de vertegenwoordiger van) de verhuurder (zie hierboven § 3.3 en § 3.4). Vanaf medio januari 2024 was de verhuurder dus op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verlaten. Uit niets blijkt dat de verhuurder hiermee toen niet akkoord is gegaan of daartegen bezwaar heeft gemaakt. 5.6 In het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat in de overgelegde huurovereenkomst staat (artikel 3.5) dat de huurder de huur kan opzeggen met in- achtneming van een termijn van één maand tegen de eerste of de vijftiende van een kalendermaand, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de vrouw de huurrelatie met ingang van 15 februari 2024 niet langer heeft voortgezet. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw slaagt in die zin dat de primaire vordering zal worden toegewezen met ingang van 15 februari 2024. Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe. 5.8 Daarom zal het hof het vonnis vernietigen. De man blijft de in het ongelijk gestelde partij zodat de proceskostenveroordeling door de kantonrechter feitelijk in stand blijft. Om de leesbaarheid van de beslissing van het hof te vergroten zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/xml public 2026-04-30T14:34:22 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.352.858/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/html public 2026-04-30T14:33:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:873 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.352.858/01 Verstekzaak. Gezamenlijke huur woning. Na verbreking affectieve relatie vordert vrouw dat het huurecht wordt toegescheiden aan de man (vrouw wenst uit huurrelatie ontslagen te worden). Verhuurder niet bij procedure betrokken. Hof wijst vordering toe, met terugwerkende kracht. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.858/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11414264/CV EXPL 24-3799 Arrest van 14 april 2026 bij verstek in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de man, niet verschenen, verstek verleend. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn huurders van de woning waarin zij zijn gaan samenwonen. Bij het verbreken van hun relatie is de vrouw uit de woning vertrokken. Zij heeft primair gevorderd om op grond van artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man als enige huurder wordt aangemerkt. Subsidiair heeft ze gevorderd om mede namens de man de huurovereenkomst te mogen opzeggen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering toegewezen. 1.2 De vrouw klaagt in hoger beroep over de (impliciete) afwijzing van haar primaire vordering. Deze klacht slaagt. Het hof wijst de primaire vordering alsnog op de hierna te vermelden wijze toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2024; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 16 mei 2020 gaan samenwonen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning), die zij gezamenlijk hebben gehuurd van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: de verhuurder). 3.2 De affectieve relatie is geëindigd. De vrouw heeft in verband hiermee de woning eind 2023 verlaten. 3.3 De vrouw heeft een brief geschreven met de tekst: “Geachte lezer, Via deze brief bericht ik u dat wij als huurders het huur contract op [adres] wil voortzetten per direct. [appellante] ontbind zich van de contract als medehuurder. [geïntimeerde] blijft en word hoofdhuurder. (…)” Zowel de vrouw als de man heeft de brief ondertekend op 4 januari 2024. 3.4 Op 15 en 16 januari 2024 was er e-mailcontact tussen de vrouw en “Schep Verhuurmanagers” waarin Schep Verhuurmanagers gegevens van de man vroeg “ om het contract te wijzigen ” en waarin de vrouw gegevens heeft gemaild. 3.5 Daarna is een huurschuld ontstaan. De vrouw heeft op 8 oktober 2024 een dagvaarding ontvangen van de verhuurder waarin deze aanspraak maakt op de niet betaalde huur over 2024. 4 Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank 4.1 De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om ex artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een in goede justitie door de kantonrechter te bepalen datum, als enige huurder van de woning wordt aangemerkt en subsidiair om de vrouw ex artikel 3:300 BW toestemming te geven om de huurovereenkomst van de woning namens de man en haarzelf op te zeggen en te bepalen dat de man de woning moet ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm of op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. 4.2 De man is niet in de procedure verschenen. 4.3 De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering bij verstek toegewezen, waarbij is bepaald dat de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan plaatsvinden. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4.4 De kantonrechter heeft geweigerd om het vonnis te herstellen in die zin dat alsnog de primaire vordering wordt toegewezen, zoals de vrouw heeft gevraagd. Daarbij heeft de kantonrechter per e-mail onder meer laten weten dat het primair gevorderde niet is toegewezen omdat de verhuurder – die in de procedure geen partij is – met het ontslag van de vrouw uit de huurrelatie moet instemmen. 5 Beoordeling in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. 5.2 De vrouw klaagt met haar grief over de impliciete afwijzing van haar primaire vordering. Volgens de vrouw had de primaire vordering toegewezen moeten worden. De omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken vindt zij niet relevant. Voor toedeling van het huurrecht aan de andere huurder is immers niet vereist dat de verhuurder in de procedure omtrent toedeling van het huurrecht wordt betrokken. De vrouw verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1964. 5.3 Deze grief slaagt. 5.4 De vrouw heeft op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gevorderd dat de rechter zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, als enige huurder zal worden aangemerkt (en dus dat zij de huurrelatie vanaf die datum niet langer zal voortzetten). De Hoge Raad heeft in genoemd arrest beslist dat ook in geval van gezamenlijke huur een rechterlijke beslissing op de voet van artikel 7:267 lid 7 BW werking heeft jegens een verhuurder die geen partij is in de in die bepaling bedoelde procedure. Dit betekent dat de omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken, geen grond oplevert om deze vordering af te wijzen. Omdat de man zijn instemming met zijn voortzetting van de huurrelatie heeft betuigd (zie § 3.3), is de primaire vordering van de vrouw in zoverre toewijsbaar. Het hof zal het vonnis vernietigen. 5.5 Vervolgens moet het hof beoordelen met ingang van welk moment de vrouw overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW de huurrelatie niet langer zal voortzetten. In dit verband is het volgende van belang: De vrouw heeft gesteld dat zij de verhuurder heeft laten weten dat zij niet langer als huurster aangemerkt wil worden en dat zij gezamenlijk met de man heeft verzocht het huurrecht aan de man toe te scheiden. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief overgelegd en (in hoger beroep) een e-mailcorrespondentie van 15 en 16 januari 2024 met (de vertegenwoordiger van) de verhuurder (zie hierboven § 3.3 en § 3.4). Vanaf medio januari 2024 was de verhuurder dus op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verlaten. Uit niets blijkt dat de verhuurder hiermee toen niet akkoord is gegaan of daartegen bezwaar heeft gemaakt. 5.6 In het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat in de overgelegde huurovereenkomst staat (artikel 3.5) dat de huurder de huur kan opzeggen met in- achtneming van een termijn van één maand tegen de eerste of de vijftiende van een kalendermaand, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de vrouw de huurrelatie met ingang van 15 februari 2024 niet langer heeft voortgezet. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw slaagt in die zin dat de primaire vordering zal worden toegewezen met ingang van 15 februari 2024. Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe. 5.8 Daarom zal het hof het vonnis vernietigen. De man blijft de in het ongelijk gestelde partij zodat de proceskostenveroordeling door de kantonrechter feitelijk in stand blijft. Om de leesbaarheid van de beslissing van het hof te vergroten zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/xml public 2026-04-30T14:34:22 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.352.858/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/html public 2026-04-30T14:33:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:873 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.352.858/01 Verstekzaak. Gezamenlijke huur woning. Na verbreking affectieve relatie vordert vrouw dat het huurecht wordt toegescheiden aan de man (vrouw wenst uit huurrelatie ontslagen te worden). Verhuurder niet bij procedure betrokken. Hof wijst vordering toe, met terugwerkende kracht. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.858/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11414264/CV EXPL 24-3799 Arrest van 14 april 2026 bij verstek in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de man, niet verschenen, verstek verleend. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn huurders van de woning waarin zij zijn gaan samenwonen. Bij het verbreken van hun relatie is de vrouw uit de woning vertrokken. Zij heeft primair gevorderd om op grond van artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man als enige huurder wordt aangemerkt. Subsidiair heeft ze gevorderd om mede namens de man de huurovereenkomst te mogen opzeggen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering toegewezen. 1.2 De vrouw klaagt in hoger beroep over de (impliciete) afwijzing van haar primaire vordering. Deze klacht slaagt. Het hof wijst de primaire vordering alsnog op de hierna te vermelden wijze toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2024; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 16 mei 2020 gaan samenwonen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning), die zij gezamenlijk hebben gehuurd van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: de verhuurder). 3.2 De affectieve relatie is geëindigd. De vrouw heeft in verband hiermee de woning eind 2023 verlaten. 3.3 De vrouw heeft een brief geschreven met de tekst: “Geachte lezer, Via deze brief bericht ik u dat wij als huurders het huur contract op [adres] wil voortzetten per direct. [appellante] ontbind zich van de contract als medehuurder. [geïntimeerde] blijft en word hoofdhuurder. (…)” Zowel de vrouw als de man heeft de brief ondertekend op 4 januari 2024. 3.4 Op 15 en 16 januari 2024 was er e-mailcontact tussen de vrouw en “Schep Verhuurmanagers” waarin Schep Verhuurmanagers gegevens van de man vroeg “ om het contract te wijzigen ” en waarin de vrouw gegevens heeft gemaild. 3.5 Daarna is een huurschuld ontstaan. De vrouw heeft op 8 oktober 2024 een dagvaarding ontvangen van de verhuurder waarin deze aanspraak maakt op de niet betaalde huur over 2024. 4 Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank 4.1 De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om ex artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een in goede justitie door de kantonrechter te bepalen datum, als enige huurder van de woning wordt aangemerkt en subsidiair om de vrouw ex artikel 3:300 BW toestemming te geven om de huurovereenkomst van de woning namens de man en haarzelf op te zeggen en te bepalen dat de man de woning moet ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm of op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. 4.2 De man is niet in de procedure verschenen. 4.3 De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering bij verstek toegewezen, waarbij is bepaald dat de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan plaatsvinden. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4.4 De kantonrechter heeft geweigerd om het vonnis te herstellen in die zin dat alsnog de primaire vordering wordt toegewezen, zoals de vrouw heeft gevraagd. Daarbij heeft de kantonrechter per e-mail onder meer laten weten dat het primair gevorderde niet is toegewezen omdat de verhuurder – die in de procedure geen partij is – met het ontslag van de vrouw uit de huurrelatie moet instemmen. 5 Beoordeling in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. 5.2 De vrouw klaagt met haar grief over de impliciete afwijzing van haar primaire vordering. Volgens de vrouw had de primaire vordering toegewezen moeten worden. De omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken vindt zij niet relevant. Voor toedeling van het huurrecht aan de andere huurder is immers niet vereist dat de verhuurder in de procedure omtrent toedeling van het huurrecht wordt betrokken. De vrouw verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1964. 5.3 Deze grief slaagt. 5.4 De vrouw heeft op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gevorderd dat de rechter zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, als enige huurder zal worden aangemerkt (en dus dat zij de huurrelatie vanaf die datum niet langer zal voortzetten). De Hoge Raad heeft in genoemd arrest beslist dat ook in geval van gezamenlijke huur een rechterlijke beslissing op de voet van artikel 7:267 lid 7 BW werking heeft jegens een verhuurder die geen partij is in de in die bepaling bedoelde procedure. Dit betekent dat de omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken, geen grond oplevert om deze vordering af te wijzen. Omdat de man zijn instemming met zijn voortzetting van de huurrelatie heeft betuigd (zie § 3.3), is de primaire vordering van de vrouw in zoverre toewijsbaar. Het hof zal het vonnis vernietigen. 5.5 Vervolgens moet het hof beoordelen met ingang van welk moment de vrouw overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW de huurrelatie niet langer zal voortzetten. In dit verband is het volgende van belang: De vrouw heeft gesteld dat zij de verhuurder heeft laten weten dat zij niet langer als huurster aangemerkt wil worden en dat zij gezamenlijk met de man heeft verzocht het huurrecht aan de man toe te scheiden. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief overgelegd en (in hoger beroep) een e-mailcorrespondentie van 15 en 16 januari 2024 met (de vertegenwoordiger van) de verhuurder (zie hierboven § 3.3 en § 3.4). Vanaf medio januari 2024 was de verhuurder dus op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verlaten. Uit niets blijkt dat de verhuurder hiermee toen niet akkoord is gegaan of daartegen bezwaar heeft gemaakt. 5.6 In het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat in de overgelegde huurovereenkomst staat (artikel 3.5) dat de huurder de huur kan opzeggen met in- achtneming van een termijn van één maand tegen de eerste of de vijftiende van een kalendermaand, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de vrouw de huurrelatie met ingang van 15 februari 2024 niet langer heeft voortgezet. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw slaagt in die zin dat de primaire vordering zal worden toegewezen met ingang van 15 februari 2024. Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe. 5.8 Daarom zal het hof het vonnis vernietigen. De man blijft de in het ongelijk gestelde partij zodat de proceskostenveroordeling door de kantonrechter feitelijk in stand blijft. Om de leesbaarheid van de beslissing van het hof te vergroten zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
Volledig
ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/xml public 2026-04-30T14:34:22 2026-04-20 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-04-14 200.352.858/01 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:873 text/html public 2026-04-30T14:33:22 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:873 Gerechtshof Den Haag , 14-04-2026 / 200.352.858/01 Verstekzaak. Gezamenlijke huur woning. Na verbreking affectieve relatie vordert vrouw dat het huurecht wordt toegescheiden aan de man (vrouw wenst uit huurrelatie ontslagen te worden). Verhuurder niet bij procedure betrokken. Hof wijst vordering toe, met terugwerkende kracht. GERECHTSHOF DEN HAAG Civiel recht Team Handel Zaaknummer hof : 200.352.858/01 Zaak- en rolnummer rechtbank : 11414264/CV EXPL 24-3799 Arrest van 14 april 2026 bij verstek in de zaak van [appellante] , wonend in [woonplaats], appellante, hierna: de vrouw, advocaat: mr. W. Suttorp, kantoorhoudend in Rotterdam, tegen [geïntimeerde] , wonend in [woonplaats], geïntimeerde, hierna: de man, niet verschenen, verstek verleend. 1 De zaak in het kort 1.1 Partijen zijn huurders van de woning waarin zij zijn gaan samenwonen. Bij het verbreken van hun relatie is de vrouw uit de woning vertrokken. Zij heeft primair gevorderd om op grond van artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man als enige huurder wordt aangemerkt. Subsidiair heeft ze gevorderd om mede namens de man de huurovereenkomst te mogen opzeggen. De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering toegewezen. 1.2 De vrouw klaagt in hoger beroep over de (impliciete) afwijzing van haar primaire vordering. Deze klacht slaagt. Het hof wijst de primaire vordering alsnog op de hierna te vermelden wijze toe. 2 Procesverloop in hoger beroep 2.1 Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken: de dagvaarding van 17 maart 2025, waarmee de vrouw in hoger beroep is gekomen van het (verstek)vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 18 december 2024; de memorie van grieven van de vrouw, met bijlagen. 3 Feitelijke achtergrond 3.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn op 16 mei 2020 gaan samenwonen in de woning aan de [adres] (hierna: de woning), die zij gezamenlijk hebben gehuurd van Aegon Levensverzekering N.V. (hierna: de verhuurder). 3.2 De affectieve relatie is geëindigd. De vrouw heeft in verband hiermee de woning eind 2023 verlaten. 3.3 De vrouw heeft een brief geschreven met de tekst: “Geachte lezer, Via deze brief bericht ik u dat wij als huurders het huur contract op [adres] wil voortzetten per direct. [appellante] ontbind zich van de contract als medehuurder. [geïntimeerde] blijft en word hoofdhuurder. (…)” Zowel de vrouw als de man heeft de brief ondertekend op 4 januari 2024. 3.4 Op 15 en 16 januari 2024 was er e-mailcontact tussen de vrouw en “Schep Verhuurmanagers” waarin Schep Verhuurmanagers gegevens van de man vroeg “ om het contract te wijzigen ” en waarin de vrouw gegevens heeft gemaild. 3.5 Daarna is een huurschuld ontstaan. De vrouw heeft op 8 oktober 2024 een dagvaarding ontvangen van de verhuurder waarin deze aanspraak maakt op de niet betaalde huur over 2024. 4 Procedure bij de kantonrechter in de rechtbank 4.1 De vrouw heeft de man gedagvaard en gevorderd, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair om ex artikel 7:267 lid 7 BW te bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een in goede justitie door de kantonrechter te bepalen datum, als enige huurder van de woning wordt aangemerkt en subsidiair om de vrouw ex artikel 3:300 BW toestemming te geven om de huurovereenkomst van de woning namens de man en haarzelf op te zeggen en te bepalen dat de man de woning moet ontruimen, zo nodig met behulp van de sterke arm of op straffe van een dwangsom, met veroordeling van de man in de proceskosten. 4.2 De man is niet in de procedure verschenen. 4.3 De kantonrechter heeft de subsidiaire vordering bij verstek toegewezen, waarbij is bepaald dat de ontruiming zo nodig met behulp van de sterke arm kan plaatsvinden. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. 4.4 De kantonrechter heeft geweigerd om het vonnis te herstellen in die zin dat alsnog de primaire vordering wordt toegewezen, zoals de vrouw heeft gevraagd. Daarbij heeft de kantonrechter per e-mail onder meer laten weten dat het primair gevorderde niet is toegewezen omdat de verhuurder – die in de procedure geen partij is – met het ontslag van de vrouw uit de huurrelatie moet instemmen. 5 Beoordeling in hoger beroep 5.1 De vrouw vordert hetzelfde als bij de kantonrechter, met veroordeling van de man in de kosten van het hoger beroep. 5.2 De vrouw klaagt met haar grief over de impliciete afwijzing van haar primaire vordering. Volgens de vrouw had de primaire vordering toegewezen moeten worden. De omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken vindt zij niet relevant. Voor toedeling van het huurrecht aan de andere huurder is immers niet vereist dat de verhuurder in de procedure omtrent toedeling van het huurrecht wordt betrokken. De vrouw verwijst hiervoor naar de prejudiciële beslissingen van de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2021, gepubliceerd onder ECLI:NL:HR:2021:1964. 5.3 Deze grief slaagt. 5.4 De vrouw heeft op grond van artikel 7:267 lid 7 BW gevorderd dat de rechter zal bepalen dat de man met ingang van 1 januari 2024, althans een andere in goede justitie te bepalen datum, als enige huurder zal worden aangemerkt (en dus dat zij de huurrelatie vanaf die datum niet langer zal voortzetten). De Hoge Raad heeft in genoemd arrest beslist dat ook in geval van gezamenlijke huur een rechterlijke beslissing op de voet van artikel 7:267 lid 7 BW werking heeft jegens een verhuurder die geen partij is in de in die bepaling bedoelde procedure. Dit betekent dat de omstandigheid dat de verhuurder niet in deze procedure is betrokken, geen grond oplevert om deze vordering af te wijzen. Omdat de man zijn instemming met zijn voortzetting van de huurrelatie heeft betuigd (zie § 3.3), is de primaire vordering van de vrouw in zoverre toewijsbaar. Het hof zal het vonnis vernietigen. 5.5 Vervolgens moet het hof beoordelen met ingang van welk moment de vrouw overeenkomstig artikel 7:267 lid 7 BW de huurrelatie niet langer zal voortzetten. In dit verband is het volgende van belang: De vrouw heeft gesteld dat zij de verhuurder heeft laten weten dat zij niet langer als huurster aangemerkt wil worden en dat zij gezamenlijk met de man heeft verzocht het huurrecht aan de man toe te scheiden. Ter onderbouwing daarvan heeft zij een brief overgelegd en (in hoger beroep) een e-mailcorrespondentie van 15 en 16 januari 2024 met (de vertegenwoordiger van) de verhuurder (zie hierboven § 3.3 en § 3.4). Vanaf medio januari 2024 was de verhuurder dus op de hoogte van de wens van de vrouw om de woning te verlaten. Uit niets blijkt dat de verhuurder hiermee toen niet akkoord is gegaan of daartegen bezwaar heeft gemaakt. 5.6 In het voorgaande en mede gelet op de omstandigheid dat in de overgelegde huurovereenkomst staat (artikel 3.5) dat de huurder de huur kan opzeggen met in- achtneming van een termijn van één maand tegen de eerste of de vijftiende van een kalendermaand, ziet het hof aanleiding om te bepalen dat de vrouw de huurrelatie met ingang van 15 februari 2024 niet langer heeft voortgezet. Conclusie en proceskosten 5.7 De conclusie is dat het hoger beroep van de vrouw slaagt in die zin dat de primaire vordering zal worden toegewezen met ingang van 15 februari 2024. Aan beoordeling van de subsidiaire vordering komt het hof niet toe. 5.8 Daarom zal het hof het vonnis vernietigen. De man blijft de in het ongelijk gestelde partij zodat de proceskostenveroordeling door de kantonrechter feitelijk in stand blijft. Om de leesbaarheid van de beslissing van het hof te vergroten zal het hof het hele vonnis vernietigen en opnieuw beslissen. Het hof zal de man als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.