Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2026-03-11
ECLI:NL:GHDHA:2026:512
Strafrecht
Hoger beroep
2,014 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:GHDHA:2026:512 text/xml public 2026-04-02T11:26:27 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Den Haag 2026-03-11 22-001337-23 Uitspraak Hoger beroep NL Den Haag Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:512 text/html public 2026-04-02T11:24:11 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHDHA:2026:512 Gerechtshof Den Haag , 11-03-2026 / 22-001337-23 Bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Schriftelijke in kennisstelling van het resultaat als voorgeschreven in artikel 17 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer behoort tot de strikte waarborgen waarmee dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan is omringd. Ter weerlegging van het op de stelling dat de verdachte de voorgeschreven kennisgeving niet heeft ontvangen gebaseerde verweer dat aan dit voorschrift niet is voldaan, is onvoldoende dat het voorafgaand aan verzending van deze kennisgeving reeds afgesloten proces-verbaal van opsporingsonderzoek de zinsneden bevat “Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal” en ”De uitslag van het bloedonderzoek wordt later nagezonden”. De omstandigheid dat zich bij de stukken van de zaak een afschrift bevindt van een nadien gedateerde, aan de verdachte geadresseerde en door een opsporingsambtenaar ondertekende brief houdende de uitslag van het bloedonderzoek bewijst niet dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden. Dat wordt ook niet bewezen door of in samenhang met een aanvullend proces-verbaal betreffende gegevens “in het politiesysteem”, nu dit neerkomt op een niet aan de hand van concrete feiten en omstandigheden verifieerbare interpretatie. Aan de omstandigheid dat dit afschrift in het digitale dossier van het hof deel uitmaakt van hetzelfde digitale document als het proces-verbaal komt voor de vraag of het onderhavige voorschrift is nageleefd geen betekenis toe. Vrijspraak. Rolnummer: 22-001337-23 Parketnummer: 96-053392-22 Datum uitspraak: 11 maart 2026 TEGENSPRAAK Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 19 april 2023 in de strafzaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, BRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht. Procesgang In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen, waarvan 153 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: hij op of omstreeks 27 februari 2022 te Zoetermeer een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten alcohol, in combinatie met een of meer andere van deze aangewezen stoffen, te weten cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 1,6 microgram THC per liter bloed en/of 1,83 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde. Vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 270 dagen, waarvan 153 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Vrijspraak De verdachte heeft aangevoerd dat hij - zakelijk weergegeven - de voorgeschreven kennisgeving van de uitslag van het aan het in de tenlastelegging bedoelde bloed verrichte laboratoriumonderzoek niet heeft ontvangen en dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat een opsporingsambtenaar de voorgeschreven kennisgeving heeft verzonden, zodat zijn recht op tegenonderzoek is geschonden en hij daarom van het tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat - kort gezegd - is voldaan aan het voorschrift van artikel 17 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit) inzake de kennisgeving, nu uit een op 15 januari 2023 opgemaakt aanvullend proces-verbaal blijkt dat volgens het politiesysteem op 23 maart 2022 een brief met de uitslag van het bloedonderzoek is opgemaakt en verzonden. Het hof stelt voorop dat van een “onderzoek”, zoals bedoeld in artikel 8 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW), slechts sprake is als de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omringd (ECLI:NL:HR:2020:1684). Tot de strikte waarborgen behoort onder meer het in artikel 17 van het Besluit neergelegde voorschrift dat de verdachte schriftelijk in kennis wordt gesteld van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek (ECLI:NL:HR:2021:1793). Aan de orde is derhalve de vraag of uit de bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte de in artikel 17 van het Besluit, zoals dit destijds luidde, voorgeschreven kennisgeving is gedaan. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Tot de stukken behoort het proces-verbaal onder nummer [nummer 1] . Dit proces-verbaal behelst het in deze zaak verrichte opsporingsonderzoek, waaronder de bij verdachte op 27 februari 2022 verrichte bloedafname, en is afgesloten op 1 maart 2022. Het proces-verbaal bevat aangaande de door het hof te beantwoorden vraag het volgende: Uitslag bloedonderzoek Het resultaat van het bloedonderzoek wordt later toegevoegd bij dit proces-verbaal. De uitslag van het bloedonderzoek zal worden nagezonden. Bij de stukken van de zaak bevindt zich voorts een afschrift van een aan de verdachte geadresseerde brief d.d. 23 maart 2022 met als onderwerp “Uitslag bloedonderzoek”. Gezien de inhoud heeft deze brief de kennelijke strekking te voldoen aan artikel 17 van het Besluit, maar uit dit afschrift van een niet ondertekende brief kan hoogstens worden afgeleid dat op 23 maart 2022 een brief van die inhoud door een -overigens niet met name genoemde- opsporingsambtenaar is tot stand gebracht. Dat deze brief ook daadwerkelijk is verzonden kan uit dit stuk op zichzelf niet blijken. Nadat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 januari 2023 reeds had aangevoerd dat hij een brief met deze inhoud niet had ontvangen, is bij proces-verbaal van 15 januari 2023 het volgende gerelateerd “In het politiesysteem zagen wij dat er op 23 maart 2022 de brief met de uitslag van het bloedonderzoek is opgemaakt en verstuurd naar de woning gelegen aan de [adres] te [plaats] . Dit is gedaan door politieambtenaar [politieambtenaar] , [nummer 2] .” Hieruit blijkt evenwel niet welke concrete gegevens de opsporingsambtenaren in het systeem hebben waargenomen en aan welke daarvan zij de interpretatie hebben verbonden dat verzending van de uitslag van het bloedonderzoek daadwerkelijk (op 23 maart 2022, althans tijdig) heeft plaatsgevonden. Evenmin verschaft dit proces-verbaal inzicht in de wijze waarop de desbetreffende informatie in het politiesysteem is opgenomen.