Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2025-03-04
ECLI:NL:GHDHA:2025:399
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Beschikking
5,340 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer : 200.332.135/01Zaaknummer rechtbank : 9865203 / VZ VERZ 22-6461
Beschikking van 4 maart 2025
op het verzoek ex art. 186 (oud) Rv van
[verzoeker]
,
wonend in [woonplaats],
hierna te noemen: [verzoeker],
advocaat: mr. S. van Buuren, kantoorhoudend in Strijen,
om als getuige te doen horen
[naam 1],
[naam 2],
[naam 3],
hierna te noemen: [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
1De zaak in het kort
Deze zaak gaat over een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te houden. De kantonrechter heeft de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek verklaard op de grond dat de verzoeker niet de adresgegevens of geboortedata heeft opgegeven van de wederpartij in de procedure die hij overweegt aanhangig te maken. De verzoeker is van deze uitspraak in hoger beroep gegaan. Tijdens een mondelinge behandeling doet de verzoeker een verzoek tot wraking van het hof waarna de behandeling wordt geschorst. Vervolgens trekt de verzoeker zijn wrakingsverzoek in. Het hof bepaalt daarop een datum voor uitspraak. Het hof is van oordeel dat de verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Zijn verzoek om een voorlopig getuigenverhoor wijst het hof af op de grond dat hij onvoldoende belang heeft bij de toewijzing daarvan. Ook is het hof van oordeel dat de verzoeker misbruik maakt van zijn bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken.
2Het verdere procesverloop in hoger beroep
2.1
Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst het hof naar zijn beschikking van 3 september 2024 (hierna: de tussenbeschikking) waarbij het hof een mondelinge behandeling heeft bevolen.
2.2
Op 26 november 2024 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoeker] heeft toen op de zitting een (mondeling) verzoek gedaan tot wraking van de drie behandelend raadsheren. De behandeling van de zaak is daarop geschorst en de zaak is verwezen naar de wrakingskamer van het hof voor de behandeling van het wrakingsverzoek. Van de zitting van 26 november 2024 is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin staan ook de gronden van het wrakingsverzoek.
2.3
Bij e-mailbericht van 28 november 2024 heeft mr. Van Buuren een bericht van diezelfde dag van [verzoeker] doorgezonden naar de wrakingskamer. In dat bericht verzoekt [verzoeker] om herstel van het proces-verbaal van de zitting van 26 november 2024. De wrakingskamer heeft dit bericht doorgezonden naar de raadsheren die toen zitting hadden. Namens (die samenstelling van) het hof heeft de griffier op 10 december 2024 [verzoeker] per e-mail aan mr. Van Buuren bericht dat de inhoud van het verzoek geen aanleiding gaf tot herstel of aanpassing van het proces-verbaal.
2.4
Op 11 december 2024 heeft de wrakingskamer per e-mail aan de raadsheren tegen wie het wrakingsverzoek was gericht, laten weten dat het wrakingsverzoek was ingetrokken. In de bijlage bij dat bericht is een e-mailbericht van [verzoeker] van 10 december 2024 opgenomen, waarin hij mededeelt dat hij zijn wrakingsverzoek intrekt.
2.5
Bij e-mailbericht van 19 december 2024 van de griffie aan mr. Van Buuren is medegedeeld dat in deze zaak uitspraak is bepaald op 4 maart 2025 (vandaag).
3De verdere beoordeling in hoger beroep
geen verdere mondelinge behandeling
3.1
Het hof sluit de mondelinge behandeling in de staat waarin deze zich ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek bevond. Er volgt dus niet een verdere behandeling of hervatting daarvan. Daartoe overweegt het hof als volgt.
3.2
Bij aanvang van de zitting van 26 november 2024 zag het hof dat [verzoeker] een mobiele telefoon neerlegde op de tafel waaraan hij plaatsnam. Het hof was ambtshalve ermee bekend dat [verzoeker] in andere zaken met zijn mobiele telefoon (of een ander apparaat) opnames van zittingen – inclusief (ongewenste) beeldopnames van aanwezige personen – heeft gemaakt of heeft willen maken. Daarom heeft de behandelend voorzitter van het hof [verzoeker] verzocht zijn mobiele telefoon uit te schakelen, waarbij hij erop heeft gewezen dat volgens de huisregels van het gerechtshof Den Haag het maken van opnames van een zitting niet is toegestaan en dat een mobiele telefoon in de rechtszaal uit moet staan.
3.3
Het proces-verbaal van de zitting van 26 november 2024 houdt hierover het volgende in:
‘[verzoeker] legt een mobiele telefoon op de tafel waaraan hij plaatsneemt.
De voorzitter stelt aan de orde dat het niet is toegestaan opnames van de zitting te maken en een mobiele telefoon in de rechtszaal uit moet staan. [verzoeker] mag zonder toestemming geen opnames van de zitting maken. Dat heeft het bestuur van het hof hem enige tijd geleden ook per brief uitdrukkelijk medegedeeld. De voorzitter verzoekt [verzoeker] om zijn mobiele telefoon daarom uit te schakelen en mr. Van Buuren om te controleren of de telefoon uitstaat.
[verzoeker] verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
‘Ik ga mijn telefoon niet uitzetten. Ik ben hier al twintig jaar over bezig. Ik doe nog steeds een beroep op mijn persrechten en doe daarvan geen afstand. Er is verder niemand aanwezig en het is een openbare zitting. Ik ga mijn telefoon niet uitzetten. Ik wil op mijn e-mail kunnen kijken. Deze zaak loopt al heel lang en moet ten einde komen.’
De voorzitter herhaalt dat er geen opnames mogen worden gemaakt. Daarover zijn geldende afspraken van het hof gemaakt. Die brengen mee dat van [verzoeker] wordt verlangd dat hij zijn telefoon uitzet. Er is al eerder aan [verzoeker] medegedeeld dat hij niet kan worden aangemerkt als burger-journalist. Ook is hij nog onlangs door het bestuur van het hof schriftelijk aangesproken op zijn gedrag.
[verzoeker] verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
‘Ik ga mijn telefoon niet uitzetten, dat weiger ik.’
De voorzitter deelt mee dat de consequentie daarvan is dat niet zal worden toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van het beroep.
Mr. Van Buuren stelt voor dat zij op de gang even overleg voert met haar cliënt. De voorzitter schorst daartoe de zitting.
Na hervatting van de zitting deelt mr. Van Buuren mede dat [verzoeker] zijn telefoon niet wil uitzetten.
Conclusie
3.19
Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep (op een formeel punt) doel treft. Het hof zal de beschikking waarvan beroep daarom vernietigen. Verder volgt uit het voorgaande dat het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor (om meerdere, zelfstandige redenen) zal worden afgewezen. Bij gebreke van een opgeroepen en verschenen wederpartij in eerste aanleg en in hoger beroep kan van de verzochte veroordeling in de kosten van beide instanties geen sprake zijn.
Dictum
Het hof:
- vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2023,
en opnieuw rechtdoende:
- wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, J.M. van der Klooster en H.J. van Harten, en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025.
Kenbaar bij de ingang van het Paleis van Justitie in Den Haag en beschikbaar op: https://www.rechtspraak.nl/Organisatie-en-contact/Organisatie/Gerechtshoven/Gerechtshof-Den-Haag/Bezoekinformatie/Paginas/Huisregels.aspx.
HR 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112, rov. 3.2.1-3.2.4, o.v.n. HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3250, rov. 4.2.1-4.2.3.
Inleiding
Hij wil wel zijn telefoon aan haar geven, maar de telefoon moet dan wel aan blijven.
[verzoeker] verklaart, zakelijk weergegeven, als volgt:
‘Op een andere zitting bij dit hof werd dat ook toegestaan.’
De voorzitter deelt nogmaals mede dat de telefoon van [verzoeker] moet worden uitgeschakeld en dat, als dat niet gebeurt, niet zal worden toegekomen aan de behandeling van het hoger beroep en het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor en er een datum voor uitspraak zal worden bepaald.’
Daarop deed [verzoeker] zijn verzoek tot wraking van het hof.
3.4
De huisregels van het gerechtshof Den Haag bepaalden op het moment van de zitting (en bepalen ook nu) onder andere het volgende:
Het maken van filmopnames, foto’s en geluidsopnamen is niet toegestaan.
In de rechtszaal staan mobiele telecommunicatiemiddelen uit.
(…)
De voorzitter van een college (…) draagt zorg voor de handhaving van de orde tijdens de zitting en zal zonodig maatregelen nemen zodat de zitting ongestoord kan verlopen.
(…)
Mobiele telefoons en andere (draagbare) telecommunicatiemiddelen mogen in zittingszalen (…) niet ingeschakeld zijn’.
3.5
In een brief van 29 juni 2021 heeft het bestuur van het gerechtshof Den Haag [verzoeker] onder andere het volgende medegedeeld – waarmee het hof op het moment van de zitting op 26 november 2024 ambtshalve bekend was –:
‘Het is niet toegestaan om opnamen te maken in het gerechtsgebouw. Het maken van opnames is alleen voorbehouden aan journalisten op basis van de Persrichtlijn, die bovendien per zaak toestemming moeten krijgen van de kamer die de betreffende zaak behandelt.’
3.6
Het hof heeft geen aanleiding gezien – en ziet ook nu geen aanleiding – om terug te komen van de op de zitting herhaalde waarschuwing en daarin aangekondigde beslissing dat als [verzoeker] zijn mobiele telefoon tijdens de zitting niet zou uitschakelen, aan een verdere behandeling van de zaak niet zal worden toegekomen en dat een datum voor uitspraak zal worden bepaald. Na de intrekking van het wrakingsverzoek heeft het hof van mr. Van Buuren overigens ook geen bericht ontvangen waarin om een (hervatting van de) inhoudelijke mondelinge behandeling wordt verzocht (en wordt toegezegd dat [verzoeker] tijdens een verdere behandeling zijn mobiele telefoon zal uitschakelen en uitgeschakeld zal houden). Een dergelijk of enig ander bericht heeft het hof evenmin ontvangen na de mededeling op 19 december 2024 dat in deze zaak uitspraak is bepaald op 4 maart 2025.
ontvankelijkheid
3.7
Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten en [naam 1], [naam 2] en [naam 3] als getuigen te doen horen. Daartoe heeft de kantonrechter overwogen dat [verzoeker] in zijn reactie van 15 april 2023 geen adresgegevens of geboortedata van ‘de door hem inmiddels als wederpartij aangeduide personen ([naam 1], [naam 2] en [naam 3])’ heeft opgegeven, met als gevolg dat het voor de kantonrechter niet mogelijk is om hen op de hoogte te stellen van het verzoek en hen in de gelegenheid te stellen daartegen bezwaar te maken, of om hen op te roepen voor een mondelinge behandeling of een getuigenverhoor (rov. 1.4).
3.8
Ingevolge art. 187 lid 3 (oud) Rv – dat na de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht op 1 januari 2025 hier van toepassing blijft – houdt het verzoekschrift in de namen en woonplaats van de personen die men als getuigen wil doen horen, en de naam en de woonplaats van de wederpartij of de redenen waarom de wederpartij onbekend is (aanhef en onder c en d). Op het niet voldoen aan deze eisen staat – naar de hier van toepassing zijnde regels van procesrecht – niet als sanctie niet-ontvankelijkheid, ook niet indien een verzoeker in de gelegenheid is gesteld het verzuim te herstellen. Voor het niettemin verbinden van dit rechtsgevolg aan de omstandigheid dat [verzoeker] – na daartoe bij het vonnis van 14 april 2023 in de gelegenheid te zijn gesteld – (naast de achternamen) niet de adresgegevens en/of de geboortedata van de als de wederpartijen aan te merken personen en te doen horen getuigen heeft opgegeven, bestaat geen aanleiding, te minder omdat de kantonrechter kennelijk heeft gemeend dat het verzoek zonder (verplichte) rechtsbijstand kon worden ingediend.
3.9
De door [verzoeker] aangevoerde grief dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk in zijn verzoek is verklaard, slaagt dus. [verzoeker] is ontvankelijk in zijn verzoek (overigens zijn in het beroepschrift wel adresgegevens van [naam 2] vermeld en zouden de andere adresgegevens denkelijk door de advocaat kunnen worden aangeleverd).
het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor
3.10
Bij de beoordeling van [verzoeker] verzoek om een voorlopig getuigenverhoor neemt het hof op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad het volgende tot uitgangspunt.
3.11
Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.
3.12
De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, (oud) Rv in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, en de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden, en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en omtrent welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor kan juist mede ertoe dienen degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.
3.13
Geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor bestaat indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW). Dat doet zich hier voor. Het hof licht dat als volgt toe.
3.14
Zoals is overwogen in rov. 3.1 van de tussenbeschikking, volgt uit het verzoekschrift van 23 november 2021 dat [verzoeker] een voorlopig getuigenverhoor verzoekt ‘met betrekking tot de onrechtmatige uitzendingen d.d. 23 oktober 2011 van Undercover in Nederland en d.d. 11 december 2011 van De 25 meest spraakmakende televisiemomenten 2011’, overweegt hij (een) procedure(s) aanhangig te maken ‘tegen [naam presentator], de Staat dan wel een andere derde’, en gaat het daarbij om een verklaring voor recht en/of een schadestaatprocedure vanwege onrechtmatige rechtspraak en/of onrechtmatige publicaties.
3.15
In zijn e-mailbericht van 15 april 2023 (geciteerd in rov.
Inleiding
3.5 van de tussenbeschikking) heeft [verzoeker] dit aldus gespecificeerd dat hij ‘in dit stadium van de procedure’ overweegt een zaak aanhangig te maken tegen alleen ‘de drie (nep)deskundigen, omdat in eerste instantie het gaat om een potentiële claim tegen hen’. De kantonrechter heeft hierin gelezen dat [verzoeker] [naam 1], [naam 2] en [naam 3] als wederpartij(en) aanduidt (vergelijk hierboven rov. 3.7). In hoger beroep is [verzoeker] daar niet tegenop gekomen. Het hof gaat daarom ervan uit dat [verzoeker] overweegt een geding aan te spannen tegen [naam 1], [naam 2] en [naam 3].
3.16
[naam 1], [naam 2] en [naam 3] zijn door [naam presentator] benaderd en bevraagd met het oog op de volgens [verzoeker] onrechtmatige uitzending van 23 oktober 2011. In het verzoekschrift wordt onder andere beschreven wat voor werk zij destijds hadden, welke opleiding zij hebben genoten, worden uitspraken van [naam 1] en [naam 2] in de uitzending aangehaald – transcripten van beide uitzendingen zijn als productie bijgevoegd –, en luidt de conclusie over alle drie dat zij ‘evident niet aan de wettelijke criteria voor de wetenschappelijke deskundige in deze kwestie’ voldoen (vergelijk rov. 3.3 van de tussenbeschikking). Voor die conclusie wijst [verzoeker] ook op (telefonische) gesprekken die hij met elk van hen heeft gehad en waarin zij tegenover hem hebben gezegd i) geen deskundige te zijn ([naam 1] op 3 november 2016; ook hiervan is een (incompleet) transcript als productie bijgevoegd), ii) geen neuroloog en geen erfelijkheidsdeskundige te zijn en over het syndroom van Asperger het een en ander van een collega te hebben gehoord ([naam 2] op 12 december 2011), en iii) niets van erfelijkheid, genetica of tweelingonderzoek af te weten ([naam 3] in december 2012; verzoekschrift, nrs. 138, 147 en 150). Uit die gesprekken is [verzoeker] verder duidelijk geworden dat [naam presentator] hun ‘de casus van de man’ niet had genoemd, wat volgens [verzoeker] ‘de deskundigen sowieso op een verkeerd spoor heeft gezet’ (verzoekschrift, nr. 129).
3.17
Uit het voorgaande volgt dat het verzochte voorlopige getuigenverhoor niet nodig is om [verzoeker] duidelijkheid te verschaffen over de vraag tegen wie hij het overwogen geding moet aanspannen. Verder blijkt daaruit dat [verzoeker] al bekend is met (veel van) de feiten en omstandigheden die [naam 1], [naam 2] en [naam 3] en de televisie-uitzendingen betreffen, in het bijzonder ook met wat [naam 1] en [naam 2] in de uitzending van 23 oktober 2011 hebben gezegd. Verder is [verzoeker] uit de (telefoon)gesprekken bekend dat [naam 1], [naam 2] en [naam 3] zelf hebben gezegd – kort weergegeven – geen deskundige te zijn op het gebied van autisme en erfelijkheid. Dit een en ander brengt mee dat [verzoeker] ook zonder het verzochte voorlopige getuigenverhoor voldoende in staat moet worden geacht om zijn positie te bepalen en te beoordelen of het zinvol is – uit vermoedelijk onrechtmatige daad, maar nergens concreet toegelicht – een vordering in te stellen tegen [naam 1], [naam 2] en [naam 3]. Voorkomen dat bewijs (voor [verzoeker]) verloren gaat, een ander mogelijk doel van een voorlopig getuigenverhoor, is hier evenmin aan de orde. Het hof is daarom van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek. Wat zijn belang daarbij is, heeft [verzoeker] niet duidelijk gemaakt.
3.18
Daarnaast is het hof van oordeel dat [verzoeker] in dit geval misbruik maakt van de bevoegdheid om een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken. Naar redelijkheid had hij hier niet van deze bevoegdheid gebruik moeten maken, gelet op de onevenredigheid tussen zijn belang bij de uitoefening van die bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad (art. 3:13 lid 2 BW). Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, zoals hierboven is overwogen, [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij toewijzing van zijn verzoek – en hij dat belang ook niet heeft duidelijk gemaakt –, terwijl [naam 1], [naam 2] en [naam 3] kunnen worden geacht er belang bij te hebben om niet zonder redelijke grond als getuige te worden opgeroepen en gehoord. Daarbij komt dat [verzoeker] hen wil doen horen met het oog op een eventueel nog tegen hen aan te spannen procedure, (mede) op grond van gesprekken die zij met (en op initiatief van) [verzoeker] (zonder juridische bijstand) hebben gevoerd in 2011, 2012 en 2016, naar aanleiding van twee in 2011 uitgezonden televisieprogramma’s waarvoor zij op verzoek informatie hebben verschaft, zonder te weten dat die uitzendingen op [verzoeker] betrekking hadden, en – voor zover dat uit de stellingen van [verzoeker] valt op te maken – zonder zichzelf daarin als deskundige op het gebied van erfelijkheid en autisme voor te doen. [verzoeker] behoort deze onevenredigheid tussen zijn belang en dat van [naam 1], [naam 2] en [naam 3] te kennen. Dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt, is eveneens vaste rechtspraak van de Hoge Raad.