Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-05
ECLI:NL:GHARL:2025:3441
Civiel recht
Hoger beroep
3,074 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.346.552
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, 567305
beschikking van 5 juni 2025
inzake
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
appellant
hierna: [appellant]
advocaat: mr. M.R. van der Veen
tegen:
De Staat der Nederlanden (ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst)
waarvan de zetel is gevestigd in Den Haag
geïntimeerde
hierna: de Staat
advocaten: mrs. S. Heeroma en P.L.F. Ribbers.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Bij beroepschrift (met producties) van 25 september 2024 is [appellant] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 26 juni 2024.
De Staat heeft een verweerschrift in hoger beroep (met producties) ingediend.
1.2
Vervolgens heeft op 9 april 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden, ten behoeve waarvan [appellant] voorafgaand aan de mondelinge behandeling een tiental aanvullende (7-16) producties heeft ingebracht. Het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling maakt deel uit van de processtukken. Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof de beschikking bepaald op heden.
2De kern van de zaak
2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het verzoek van [appellant] toewijsbaar is tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor om verschillende medewerkers van de Belastingdienst te horen. [appellant] stelt hierbij belang te hebben ter opheldering van feiten die zouden kwalificeren als onrechtmatig handelen door de Belastingdienst, als gevolg van welk handelen hij mogelijk een vordering tot schadevergoeding zou hebben op de Staat.
2.2.
De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, omdat volgens de rechtbank wat [appellant] in het verzoekschrift heeft opgesomd als te bewijzen gebeurtenissen dan wel feiten waar het tekortschieten c.q. onrechtmatig handelen van de Staat uit bestaat, geen duidelijke feiten bevat waar het getuigenverhoor over zou moeten gaan en niet duidelijk is waartoe [appellant] welke getuigen wil horen. Bovendien heeft [appellant] volgens de rechtbank zijn verwijten in het geheel niet onderbouwd. Daardoor heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij een vordering heeft op de Staat en daarmee een belang zou hebben bij het houden van een voorlopig getuigenverhoor.
2.3.
Het hof vindt het verzoek evenmin toewijsbaar en zal de beschikking van de rechtbank onder aanvulling van gronden bekrachtigen.
Beoordeling
Juridisch kader
3.1.
Op dit verzoek is nog het recht van toepassing dat gold voor de inwerkingtreding per 1 januari 2025 van de wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht. Bij de beoordeling van het verzoek, dient op grond van vaste rechtspraak het volgende tot uitgangspunt.
3.2.
Een voorlopig getuigenverhoor strekt onder meer ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.
3.3.
De verzoeker tot een voorlopig getuigenverhoor dient ingevolge art. 187 lid 3, aanhef en onder a en b, Rv (oud) in zijn verzoekschrift de aard en het beloop van de vordering te vermelden, en ook de feiten of rechten die hij wil bewijzen. Dit dient hij te doen op zodanige wijze dat voor de rechter die op het verzoek moet beslissen, voor de rechter voor wie het verhoor zal worden gehouden en voor de wederpartij voldoende duidelijk is op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Niet is vereist dat de verzoeker al in het verzoekschrift nauwkeurig aangeeft welke feiten en stellingen hij aan zijn voorgenomen vordering ten grondslag wil leggen en over welke feiten hij getuigen wil doen horen. Evenmin hoeft de verzoeker zich uit te laten over de precieze aard van de in te stellen vordering en, in voorkomend geval, de omvang van de geleden schade. Een voorlopig getuigenverhoor kan juist mede ertoe dienen degene die daarom verzoekt, in staat te stellen te beoordelen of het zinvol is een voorgenomen vordering in te stellen. In de procedure tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ligt dan ook niet de toewijsbaarheid van de in het verzoekschrift aangeduide vordering ter toetsing voor.
3.4.
Een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor kan, als het overigens aan de eisen voor toewijzing daarvan voldoet, worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (art. 3:13 BW), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Verder bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (art. 3:303 BW).
3.5.
Het hof zal het verzoek van [appellant] beoordelen aan de hand van het hiervoor gegeven kader.
Onvoldoende duidelijk welk feitelijk gebeuren opheldering behoeft en onvoldoende (persoonlijk) belang
3.6.
[appellant] is directeur/(middellijk) grootaandeelhouder van meerdere vennootschappen.
3.7.
Het hof constateert dat [appellant] het verzoek persoonlijk heeft ingesteld, terwijl het feitelijk gebeuren waarover hij opheldering wenst te verkrijgen nagenoeg alleen zijn vennootschappen betreft.
3.8.
Omdat [appellant] pas tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep voor het eerst melding maakt van een erfbelastings- (en daarmee privé-)kwestie, laat het hof die stelling, gezien ook het bezwaar van de Staat, buiten beschouwing wegens strijd met de tweeconclusieregel.
3.9.
Met betrekking tot het verwijt dat [appellant] in zijn verzoekschrift in eerste aanleg heeft opgenomen onder punt 4 van zijn opsomming ‘ter illustratie’, welk verwijt onder meer ziet op het handelen van de Belastingdienst in relatie tot de van [appellant] te heffen inkomstenbelasting, heeft [appellant] niet ook maar enigszins kunnen schetsen welk feitelijk handelen van de Belastingdienst [appellant] niet aan de orde heeft kunnen stellen in de betreffende fiscale procedure, die overigens zoals het hof ambtshalve bekend en zoals ter zitting besproken is geëindigd met een uitspraak van de belastingkamer van dit hof.
Het moet dan gaan om een schets van enig feitelijk gebeuren dat (mogelijk) kwalificeert als onrechtmatig handelen, op grond waarvan [appellant] zelf een vordering tot schadevergoeding jegens de Staat geldend zou kunnen maken.
Bij gebreke daarvan, en onder verwijzing naar wat het hof hierna onder rov. 3.14-3.16 heeft overwogen, concludeert het hof dat [appellant] onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek voor zover het ziet op handelen van de Belastingdienst dat hem in persoon aanging.
3.10.
Wat betreft het feitelijk handelen van de Belastingdienst ter zake van de vennootschapsbelasting en daarmee in relatie tot de te onderscheiden vennootschappen waarvan [appellant] geldt als ultimate beneficial owner (hierna: UBO), geldt evenzeer dat [appellant] nog geen begin van enige contour heeft kunnen schetsen van feitelijk handelen van de Belastingdienst jegens een of meer van zijn vennootschappen dat niet aan de orde gesteld kon worden in een fiscale (gerechtelijke) procedure.
3.11.
Waar hij wijst op voorbeelden van zaken waarin de inspecteur van de Belastingdienst aantoonbaar onzorgvuldig heeft gehandeld en/of de belastingrechter een van zijn vennootschappen in het gelijk heeft gesteld en in een enkele zaak zelfs een veroordeling van de Belastingdienst tot vergoeding van (een groot deel van) de werkelijke proceskosten heeft uitgesproken, illustreren die voorbeelden juist dat het betreffende onzorgvuldig handelen door de inspecteur van de Belastingdienst in rechte is geadresseerd door de belastingrechter.
3.12.
De Staat voert in dit verband dan ook terecht aan dat de bevoegdheidsverdeling tussen de civiele rechter en de belastingrechter meebrengt dat feiten en omstandigheden die onderdeel (hebben kunnen) vormen van een fiscale procedure niet (opnieuw) ten grondslag kunnen worden gelegd aan een civiele vordering op grond van onrechtmatige daad.
3.13.
Nog daargelaten het hiervoor bedoelde gebrek aan (onderbouwing van) feiten die opheldering behoeven in het kader van een mogelijke vordering op de Staat uit hoofde van onrechtmatige daad, ontbeert het verzoek van [appellant] te meer met betrekking tot het handelen door de Belastingdienst in relatie tot zijn vennootschappen, een voldoende duidelijke omschrijving van een feitelijk gebeuren waarop de voorlopige getuigenverhoren betrekking zouden moeten hebben, als gevolg waarvan hij persoonlijk een vordering tot schadevergoeding jegens de Staat geldend zou kunnen maken.
3.14.
Immers, indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn (welke gedragingen in deze zaak volgens [appellant] ‘opgehelderd’ zouden moeten worden), heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Alleen een vennootschap kan dus optreden tegen een schadeveroorzaker, niet haar aandeelhouder(s). Dit lijdt slechts uitzondering wanneer de aandeelhouder – zoals in deze zaak [appellant] als UBO van de betreffende vennootschappen – aantoont dat een afzonderlijke, specifieke jegens hem geldende zorgvuldigheidsnorm is geschonden. Alleen dan kan hij zelfstandig een schadevergoedingsvordering instellen, waarbij niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de tegenover de vennootschap gepleegde onrechtmatige daad, maar de schending zal moeten worden onderbouwd aan de hand van bijzondere omstandigheden, zoals het vooropgezette doel om hem in privé te treffen.
3.15.
[appellant] heeft desgevraagd ter zitting van het hof simpelweg geantwoord dat ‘de waarheid’ boven tafel moet worden gebracht.
Conclusie
4.1.
De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
5.1.
bekrachtigt de bestreden beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 26 juni 2024;
5.2.
veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 2.428 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief (2 procespunten maal tarief II);
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Aksu, H. de Hek en G.B.A. Brummer en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.
Hoge Raad 15 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1112.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10904.
Zie onder meer Hoge Raad 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 (Poot/ABP), Hoge Raad 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443 (Chipshol/Coopers & Lybrand) en Hoge Raad 16 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0419 (Tuinbeheer/Houthoff).