Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag
2021-08-25
ECLI:NL:GHDHA:2021:1709
Strafrecht
Hoger beroep
1,309 tokens
Inleiding
Rolnummer: 22-003399-17
Parketnummer: 10-080087-17
Datum uitspraak: 25 augustus 2021
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2017 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [datum] 1964,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 mei 2017 te Rotterdam, althans in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, tot ongewenst vreemdeling was verklaard OF terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Bij arrest van 27 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2192) heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld over de uitleg van het inreisverbod ten aanzien van zogenoemde derdelanders op wie Richtlijn 2008/115/EG van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, PbEG L 348/98 (Terugkeerrichtlijn) van toepassing is. In afwachting van de antwoorden op deze vragen zijn sindsdien veel zaken aangehouden dan wel niet bij de strafrechter aangebracht waarin deze problematiek aan de orde was. Inmiddels heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de vragen beantwoord (ECLI:EU:C:2020:724) en heeft de Hoge Raad in vervolg hierop het arrest van 1 december 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1893) gewezen. In dit arrest wordt onder andere overwogen dat artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) niet vereist dat een vreemdeling eerst het grondgebied van de Europese Unie verlaat, voordat deze bij verblijf in Nederland in weerwil van het inreisverbod strafbaar is op grond van artikel 197 Sr.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het Openbaar Ministerie een beleidslijn heeft uitgezet ter zake van de vervolging van derdelanders voor de overtreding van artikel 197 Sr. Dit beleid is gebaseerd op de recente uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de uitspraak van de Hoge Raad van 1 december 2020. Volgens dit beleid wordt rekening gehouden met het tijdsverloop in aangehouden artikel 197-zaken, de rechtsgelijkheid in die zaken en vordert het Openbaar Ministerie de eigen niet-ontvankelijkheid in zaken met een pleegdatum van vóór 1 januari 2020.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep dan ook gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde.
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Openbaar Ministerie – naar in het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal ligt besloten – zelf vindt dat met de voortzetting van de vervolging van de verdachte redelijkerwijs geen strafrechtelijk belang meer is gediend en voortzetting van die vervolging zinvol noch redelijk is, en nu in dit geval ook overigens geen aanleiding bestaat om van het beleid van het Openbaar Ministerie af te wijken, zal het hof het Openbaar Ministerie nietontvankelijk verklaren in de vervolging.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het tenlastegelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door mr. H. van den Heuvel,
mr. A.L. Frenkel en mr. J. Candido, in bijzijn van de griffier mr. A.M. Grasman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 augustus 2021.
Mr. A.L. Frenkel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.