Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-28
ECLI:NL:GHARL:2026:2646
Civiel recht
Hoger beroep
16,065 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2646 text/xml public 2026-05-19T17:00:13 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.355.861 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2646 text/html public 2026-05-06T10:09:13 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2646 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.355.861 Artikelen 3:231 en 260 BW. Strekt een ‘bankhypotheek’ ook tot zekerheid voor een later aan de hypotheekhouder overgedragen vordering en welke maatstaf moet worden aangelegd bij de uitleg van de betrokken bepaling in de hypotheekakte (Haviltex of een objectieve maatstaf)? Het gaat in deze procedure om een vordering tot doorhaling van een hypotheek, omdat volgens de hypotheekgever de hypotheekhouder geen vordering meer op hem heeft en er ook geen vordering meer kan ontstaan waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. De hypotheekhouder voert aan dat de vorderingen waarvoor de hypotheek is verstrekt in de akte ruim zijn geformuleerd (“uit welken anderen hoofde dan ook”) en dat een daarna aan de hypotheekhouder overgedragen vordering daar ook onder valt. Ondanks de ruime bewoordingen van de betreffende clausule in de hypotheekakte brengt een redelijke uitleg, ook als een objectieve uitlegmaatstaf wordt gehanteerd, met zich dat het hypotheekrecht in beginsel strekt tot zekerheid van vorderingen die voortvloeien uit een relatie die de hypotheekhouder met de hypotheekgever onderhoudt. Vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met rechtsverhoudingen tussen de hypotheekgever en een derde partij (niet zijnde de hypotheekhouder) vallen in dit geval in beginsel dus niet onder de dekking van de hypotheek. Een dergelijke partijbedoeling ligt, zeker gezien de verstrekkende gevolgen, niet voor de hand en valt ook niet af te leiden uit de in de hypotheekakte gebezigde bewoordingen. De tekst in de hypotheekakte biedt geen enkele aanwijzing dat de hypotheekgever ook dergelijke vorderingen onder het bereik van de hypotheek heeft willen brengen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de hypotheekhouder op het moment van de hypotheekverstrekking van een dergelijke verstrekkende reikwijdte is uitgegaan of mocht uitgaan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat dit op het moment van het vestigen van de hypotheek tussen partijen aan de orde is geweest. Sterker nog, tussen partijen staat vast dat de hypotheek is gevestigd met het oogmerk dat de hypotheekhouder zekerheid zou genieten voor zijn vorderingen op de hypotheekgever uit hoofde van verricht loonwerk. Naar het oordeel van het hof kan de in dit geval gevestigde hypotheek dan ook niet strekken tot zekerheid van een (vermeende) vordering die de hypotheekhouder na vestiging van die hypotheek van een derde partij heeft overgenomen en die niet voortvloeit uit een op het moment van vestigen van de hypotheek reeds bestaande of nadien ontstane rechtsverhouding tussen de hypotheekhouder en de hypotheekgever. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.355.861 zaaknummer rechtbank Gelderland 436542 arrest van 28 april 2026 in de zaak van [de hypotheekgever] , die woont in [woonplaats], die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als eisende partij, hierna: [de hypotheekgever], advocaat: mr. J.M. Molkenboer tegen 1 de vennootschap onder firma Loonbedrijf [de vof], die is gevestigd in Ede, 2. Loonbedrijf Ploeg Ede B.V. vennoot van geïntimeerde onder 1., die is gevestigd in Ede, 3. [geïntimeerde3] vennoot van geïntimeerde onder 1., die woont in [woonplaats], die bij de rechtbank optraden als gedaagde partijen, verwerende partijen in het incident, hierna: samen [de hypotheekhouder] en ieder afzonderlijk de vof, de BV en [geïntimeerde3], advocaat: mr. E.W. Lassche 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Vlastuin heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 28 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit het arrest in het incident van 3 februari 2026. Het hof heeft in dat arrest de vordering tot tussenkomst van C. [de hypotheekgever] Onroerend Goed B.V. (hierna: [de hypotheekgever] OG) afgewezen. 1.2. Op 17 februari 2026 heeft vervolgens een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd om opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [de hypotheekgever] heeft in het kader van zijn mesthandel-bedrijf samengewerkt met [de hypotheekhouder] [de hypotheekgever] heeft in mei 2016 aan de vof het recht van hypotheek verleend op zijn woning. Nadien is de samenwerking tussen [de hypotheekgever] en [de hypotheekhouder] beëindigd. Volgens [de hypotheekgever] heeft [de hypotheekhouder] geen vordering op hem en kan er ook geen vordering meer ontstaan waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. [de hypotheekgever] wil daarom dat de hypotheek wordt doorgehaald. 2.2. [de hypotheekgever] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [de hypotheekhouder] wordt veroordeeld om medewerking te verlenen aan doorhaling van de hypotheek van mei 2016. De rechtbank heeft de vordering van [de hypotheekgever] afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat recht van hypotheek niet teniet gegaan, gelet op de ruime omschrijving van de vorderingen waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [de hypotheekhouder] niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door niet vrijwillig mee te werken aan doorhaling van het hypotheekrecht, aangezien zij mogelijk nog een door de hypotheek gedekte vordering heeft op [de hypotheekgever] en daarmee voldoende belang heeft bij handhaving van haar zekerheidsrecht. 2.3. [de hypotheekgever] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. [de hypotheekgever] heeft zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd, vooral omdat op 24 juli 2025 een andere hypotheek is gevestigd ter vervanging van de hypotheek van mei 2016. De aangepaste vorderingen in hoger beroep komen op het volgende neer: Primair: veroordeling van [de hypotheekhouder] om mee te werken aan vrijgave van de hypothecaire inschrijving van 24 juli 2025; Subsidair: verklaring voor recht dat [de hypotheekhouder] geen met hypotheek gedekte vordering heeft op [de hypotheekgever], althans de omvang van de met hypotheekrecht versterkte vordering van [de hypotheekhouder] op [de hypotheekgever] en/of [de hypotheekgever] Beheer B.V. en/of [de hypotheekgever] OG en/of Maatschap C. & W.A. [de hypotheekgever] vast te stellen; Primair en subsidiair: veroordeling van [de hypotheekhouder] om de door [de hypotheekgever] gemaakte taxatie- en notariskosten in het kader van deze vervangende hypotheek van € 3.346,72 te vergoeden, met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025; veroordeling van [de hypotheekhouder] tot terugbetaling aan [de hypotheekgever] hetgeen hij heeft betaald uit hoofde van het vonnis van 28 mei 2025, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025; met veroordeling in de proceskosten van beide instanties. 2.4. Het hof zal beslissen dat een deel van deze vorderingen van [de hypotheekgever] toewijsbaar is en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Feiten 3.1. Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het vonnis van 28 mei 2025 (onderdelen 2.1. tot en met 2.9.), voor zover daartegen door [de hypotheekgever] niet is gegriefd, en de aanvullende feiten die het hof hierna vaststelt. Samengevat komt de feitelijke gang van zaken die tot het onderhavige geschil heeft geleid op het volgende neer. 3.2. [de hypotheekgever] is bestuurder van [de hypotheekgever] OG. [de hypotheekgever] voerde via die vennootschap en drie vennootschappen van zijn echtgenote en dochter (Mestpro Nederland B.V., Agro Logistiek B.V. en Mineralen Recycling Ede B.V.) een onderneming die zich richtte op mesthandel. 3.3. De vof (Loonbedrijf [de vof]) richt zich op goederenvervoer over de weg.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2646 text/xml public 2026-05-19T17:00:13 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.355.861 Uitspraak Hoger beroep NL Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2646 text/html public 2026-05-06T10:09:13 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2646 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.355.861 Artikelen 3:231 en 260 BW. Strekt een ‘bankhypotheek’ ook tot zekerheid voor een later aan de hypotheekhouder overgedragen vordering en welke maatstaf moet worden aangelegd bij de uitleg van de betrokken bepaling in de hypotheekakte (Haviltex of een objectieve maatstaf)? Het gaat in deze procedure om een vordering tot doorhaling van een hypotheek, omdat volgens de hypotheekgever de hypotheekhouder geen vordering meer op hem heeft en er ook geen vordering meer kan ontstaan waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. De hypotheekhouder voert aan dat de vorderingen waarvoor de hypotheek is verstrekt in de akte ruim zijn geformuleerd (“uit welken anderen hoofde dan ook”) en dat een daarna aan de hypotheekhouder overgedragen vordering daar ook onder valt. Ondanks de ruime bewoordingen van de betreffende clausule in de hypotheekakte brengt een redelijke uitleg, ook als een objectieve uitlegmaatstaf wordt gehanteerd, met zich dat het hypotheekrecht in beginsel strekt tot zekerheid van vorderingen die voortvloeien uit een relatie die de hypotheekhouder met de hypotheekgever onderhoudt. Vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met rechtsverhoudingen tussen de hypotheekgever en een derde partij (niet zijnde de hypotheekhouder) vallen in dit geval in beginsel dus niet onder de dekking van de hypotheek. Een dergelijke partijbedoeling ligt, zeker gezien de verstrekkende gevolgen, niet voor de hand en valt ook niet af te leiden uit de in de hypotheekakte gebezigde bewoordingen. De tekst in de hypotheekakte biedt geen enkele aanwijzing dat de hypotheekgever ook dergelijke vorderingen onder het bereik van de hypotheek heeft willen brengen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de hypotheekhouder op het moment van de hypotheekverstrekking van een dergelijke verstrekkende reikwijdte is uitgegaan of mocht uitgaan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat dit op het moment van het vestigen van de hypotheek tussen partijen aan de orde is geweest. Sterker nog, tussen partijen staat vast dat de hypotheek is gevestigd met het oogmerk dat de hypotheekhouder zekerheid zou genieten voor zijn vorderingen op de hypotheekgever uit hoofde van verricht loonwerk. Naar het oordeel van het hof kan de in dit geval gevestigde hypotheek dan ook niet strekken tot zekerheid van een (vermeende) vordering die de hypotheekhouder na vestiging van die hypotheek van een derde partij heeft overgenomen en die niet voortvloeit uit een op het moment van vestigen van de hypotheek reeds bestaande of nadien ontstane rechtsverhouding tussen de hypotheekhouder en de hypotheekgever. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN locatie Arnhem, afdeling civiel zaaknummer gerechtshof 200.355.861 zaaknummer rechtbank Gelderland 436542 arrest van 28 april 2026 in de zaak van [de hypotheekgever] , die woont in [woonplaats], die hoger beroep heeft ingesteld, en bij de rechtbank optrad als eisende partij, hierna: [de hypotheekgever], advocaat: mr. J.M. Molkenboer tegen 1 de vennootschap onder firma Loonbedrijf [de vof], die is gevestigd in Ede, 2. Loonbedrijf Ploeg Ede B.V. vennoot van geïntimeerde onder 1., die is gevestigd in Ede, 3. [geïntimeerde3] vennoot van geïntimeerde onder 1., die woont in [woonplaats], die bij de rechtbank optraden als gedaagde partijen, verwerende partijen in het incident, hierna: samen [de hypotheekhouder] en ieder afzonderlijk de vof, de BV en [geïntimeerde3], advocaat: mr. E.W. Lassche 1 Het verloop van de procedure in hoger beroep 1.1. Vlastuin heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 28 mei 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit het arrest in het incident van 3 februari 2026. Het hof heeft in dat arrest de vordering tot tussenkomst van C. [de hypotheekgever] Onroerend Goed B.V. (hierna: [de hypotheekgever] OG) afgewezen. 1.2. Op 17 februari 2026 heeft vervolgens een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd om opnieuw arrest te wijzen. 2 De kern van de zaak 2.1. [de hypotheekgever] heeft in het kader van zijn mesthandel-bedrijf samengewerkt met [de hypotheekhouder] [de hypotheekgever] heeft in mei 2016 aan de vof het recht van hypotheek verleend op zijn woning. Nadien is de samenwerking tussen [de hypotheekgever] en [de hypotheekhouder] beëindigd. Volgens [de hypotheekgever] heeft [de hypotheekhouder] geen vordering op hem en kan er ook geen vordering meer ontstaan waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt. [de hypotheekgever] wil daarom dat de hypotheek wordt doorgehaald. 2.2. [de hypotheekgever] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [de hypotheekhouder] wordt veroordeeld om medewerking te verlenen aan doorhaling van de hypotheek van mei 2016. De rechtbank heeft de vordering van [de hypotheekgever] afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat recht van hypotheek niet teniet gegaan, gelet op de ruime omschrijving van de vorderingen waarvoor het hypotheekrecht is gevestigd. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat [de hypotheekhouder] niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door niet vrijwillig mee te werken aan doorhaling van het hypotheekrecht, aangezien zij mogelijk nog een door de hypotheek gedekte vordering heeft op [de hypotheekgever] en daarmee voldoende belang heeft bij handhaving van haar zekerheidsrecht. 2.3. [de hypotheekgever] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. [de hypotheekgever] heeft zijn vorderingen in hoger beroep gewijzigd, vooral omdat op 24 juli 2025 een andere hypotheek is gevestigd ter vervanging van de hypotheek van mei 2016. De aangepaste vorderingen in hoger beroep komen op het volgende neer: Primair: veroordeling van [de hypotheekhouder] om mee te werken aan vrijgave van de hypothecaire inschrijving van 24 juli 2025; Subsidair: verklaring voor recht dat [de hypotheekhouder] geen met hypotheek gedekte vordering heeft op [de hypotheekgever], althans de omvang van de met hypotheekrecht versterkte vordering van [de hypotheekhouder] op [de hypotheekgever] en/of [de hypotheekgever] Beheer B.V. en/of [de hypotheekgever] OG en/of Maatschap C. & W.A. [de hypotheekgever] vast te stellen; Primair en subsidiair: veroordeling van [de hypotheekhouder] om de door [de hypotheekgever] gemaakte taxatie- en notariskosten in het kader van deze vervangende hypotheek van € 3.346,72 te vergoeden, met de wettelijke rente vanaf 4 november 2025; veroordeling van [de hypotheekhouder] tot terugbetaling aan [de hypotheekgever] hetgeen hij heeft betaald uit hoofde van het vonnis van 28 mei 2025, verhoogd met de wettelijke rente vanaf 3 juni 2025; met veroordeling in de proceskosten van beide instanties. 2.4. Het hof zal beslissen dat een deel van deze vorderingen van [de hypotheekgever] toewijsbaar is en licht dat hierna toe. 3 De toelichting op de beslissing van het hof Feiten 3.1. Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank heeft vastgesteld in het vonnis van 28 mei 2025 (onderdelen 2.1. tot en met 2.9.), voor zover daartegen door [de hypotheekgever] niet is gegriefd, en de aanvullende feiten die het hof hierna vaststelt. Samengevat komt de feitelijke gang van zaken die tot het onderhavige geschil heeft geleid op het volgende neer. 3.2. [de hypotheekgever] is bestuurder van [de hypotheekgever] OG. [de hypotheekgever] voerde via die vennootschap en drie vennootschappen van zijn echtgenote en dochter (Mestpro Nederland B.V., Agro Logistiek B.V. en Mineralen Recycling Ede B.V.) een onderneming die zich richtte op mesthandel. 3.3. De vof (Loonbedrijf [de vof]) richt zich op goederenvervoer over de weg.
Volledig
De BV en [geïntimeerde3] zijn de vennoten van de vof. [de hypotheekgever] en [de hypotheekhouder] hebben enige tijd samengewerkt, waarbij de vof loonwerkzaamheden en onderhoud van landbouwmachines verrichtte. 3.4. [de hypotheekgever] heeft op 27 mei 2016 een recht van hypotheek gevestigd op zijn woonhuis ten gunste van de vof (hierna: de hypotheek). De hypotheek strekte tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de vof van [de hypotheekgever], C. [de hypotheekgever] Beheer B.V., [de hypotheekgever] OG en/of de Maatschap C. & W.A. [de hypotheekgever]: “ te eniger tijd te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten, huidige of toekomstige vorderingen wegens verrichte werkzaamheden, dan wel uit welken anderen hoofde ook ”. 3.5. Op 23 januari 2024 hebben [de hypotheekgever], mede namens [de hypotheekgever] OG, en de vennootschappen van zijn echtgenote en dochter enerzijds en Mineraal Trans B.V. (hierna: Mineraal Trans) anderzijds een “ overeenkomst tot koop en verkoop van activa ” (hierna: de koopovereenkomst) ondertekend. De heer W. Ploeg (hierna: Ploeg) is de bestuurder van Mineraal Trans. In de koopovereenkomst staat dat [de hypotheekgever] OG en de drie andere vennootschappen hun mesthandel door middel van een activatransactie verkopen aan Mineraal Trans. Volgens die overeenkomst komen de overgedragen onderneming en activa vanaf 1 juli 2023 voor rekening en risico van Mineraal Trans. De door Mineraal Trans te betalen koopprijs van € 1.244.000,00 is omgezet in een geldlening van zes jaar. 3.6. [de hypotheekgever] zou in het kader van de overname enige tijd werkzaamheden voor de mesthandel blijven verrichten, maar tussen partijen zijn onenigheden gerezen, waardoor de samenwerking (voortijdig) is geëindigd. Omstreeks 8 april 2024 zijn afspraken gemaakt over de uitstaande geschilpunten. De advocaat van [de hypotheekgever]/de verkopende vennootschappen heeft op 8 april 2024 een brief geschreven aan Mineraal Trans, ter attentie van Ploeg, met het voorstel dat Mineraal Trans € 1.385.793,95 voldoet (de koopsom na verrekening van een aantal posten). In die brief staat: “ Verder verlenen partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting, zodat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit welke hoofde dan ook. (…) Wel blijft gehandhaafd het in de koopovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Het concurrentiebeding is wel beperkt tot de relaties van de per 1 juli 2023 overgedragen onderneming en voorts is Vlastuin volledig vrij om mest – en transportwerkzaamheden en alle andere werkzaamheden te verrichten in het kader van zijn boerderijen, waaronder melkveebedrijf, akkerbouw en uitruil van gronden (…). Het vorenstaande betekent dat bij aanvaarding van het voorstel en afwikkeling conform het voorstel mijn cliënten niets meer te vorderen hebben van u en alle bij u in gebruik zijnde trucks en opleggers uw volle eigendom zijn. Zodra u akkoord hebt gegeven op bovenstaande regeling, die één en ondeelbaar is en komt te vervallen bij gebreke van aanvaarding binnen vijf dagen na heden, zal het ten laste van Mineraal Trans B.V, gelegde conservatoire beslag op de bankrekening worden opgeheven .” 3.7. Ploeg is met dit voorstel akkoord gegaan. Mineraal Trans heeft na deze afwikkeling de mesthandel verkocht en overgedragen aan een derde. 3.8. De advocaat van [de hypotheekgever] heeft in april 2024 de notaris verzocht om doorhaling van de hypotheek. Ploeg was niet bereid om de door de notaris aan de vof gestuurde royementsvolmacht ondertekend terug te sturen en schreef de notaris in een e-mail van 29 april 2024: “ Er zijn zaken die niet correct zijn in onze oogen, dus we laten we die hypothecaire inschrijving vooralsnog staan ”. 3.9. [de hypotheekgever] heeft op 22 mei 2024 [de hypotheekhouder] gedagvaard om mee te werken aan doorhaling van de hypotheek. [de hypotheekhouder] verweert zich daartegen met een beroep op een door Mineraal Trans aan de vof gecedeerde vordering. In een akte van cessie gedateerd 19 juli 2024 staat dat Mineraal Trans aan de vof heeft overgedragen: “ een vordering (..) ten bedrage van circa € 350.000,--, ter zake van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen in de periode juli 2023 tot en met april 2024, door frauduleuze handelingen met betrekking tot de mest die opgeslagen was in de mestsilo bekend onder nummer 205242 ”. 3.10. De hypotheek is in overleg tussen partijen geroyeerd en is vervangen door een hypotheekrecht van 24 juli 2025 op percelen van [de hypotheekgever] OG ten gunste van – nog steeds - de vof (hierna: de vervangende hypotheek). De overwegingen van de rechtbank voor afwijzing van de vorderingen 3.11. Volgens [de hypotheekgever] heeft [de hypotheekhouder] geen vordering op hem en kan er ook geen vordering meer ontstaan waarvoor de (vervangende) hypotheek tot zekerheid strekt. De samenwerking tussen hem en de vof is beëindigd en de finale afwikkeling daarvan is vastgelegd in de brief van 8 april 2024. [de hypotheekgever] heeft de aan de vof gecedeerde vordering van Mineraal Trans gemotiveerd betwist. Hij voert ook aan dat de (vervangende) hypotheek, die is gevestigd in het kader van de samenwerking tussen hem en de vof, niet tot zekerheid kan strekken voor deze later aan de vof gecedeerde vordering. [de hypotheekgever] wil daarom doorhaling van de vervangende hypotheek. 3.12. De rechtbank heeft de vorderingen van [de hypotheekgever] afgewezen op grond van de overweging dat het hypotheekrecht niet teniet is gegaan, omdat de akte ruim is geformuleerd en de hypotheek ook is verleend voor toekomstige vorderingen uit welken anderen hoofde dan ook, zodat er geen beperking voortvloeit uit de beëindiging van de zakelijke relatie tussen de partijen. Evenmin handelt de vof in strijd met de redelijkheid en billijkheid door doorhaling te weigeren, aldus de rechtbank. 3.13. [de hypotheekgever] heeft een aantal grieven gericht tegen deze overwegingen van de rechtbank. [de hypotheekgever] voert onder andere aan dat de rechtbank ten onrechte voorbijgaat aan het oogmerk van partijen bij het vestigen van de hypotheek, namelijk dat Ploeg zekerheid zou genieten louter voor zijn vorderingen op [de hypotheekgever] uit hoofde van verricht loonwerk. Uitleg van de clausule in de hypotheekakte: Haviltex? 3.14. Het hof volgt niet de overwegingen van de rechtbank dat het feit dat [de hypotheekgever] en de vof destijds het recht van hypotheek hebben gevestigd met het oog op de in 2016 tussen hen bestaande zakelijke relatie een omstandigheid is die bij de uitleg van de hypotheekakte geen rol mag spelen. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. 3.15. De rechtbank heeft voor de uitleg van de betrokken bepaling in de hypotheekakte van 27 mei 2016 (zoals geciteerd in onderdeel 3.4.) aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2016 en heeft overwogen dat het bij beantwoording van de vraag tot zekerheid van welke vorderingen het recht van hypotheek strekt een objectieve maatstaf geldt. Het komt daarbij aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, naar objectieve maatstaven uitgelegd in het licht van de gehele inhoud van de akte, aldus de rechtbank. 3.16. Deze objectieve maatstaf geldt voor de uitleg van notariële akten voor zover die strekken tot levering van registergoederen en de vestiging van beperkte rechten daarop. Het geschil van partijen in deze procedure heeft niet betrekking op hetgeen in de hypotheekakte is vermeld over de vestiging van het hypotheekrecht, maar over de bepaling voor welke vordering(en) de hypotheek tot zekerheid strekt. Het gaat daarbij om de uitleg van een bepaling die alleen een rol speelt in de verhouding tussen partijen.
Volledig
De BV en [geïntimeerde3] zijn de vennoten van de vof. [de hypotheekgever] en [de hypotheekhouder] hebben enige tijd samengewerkt, waarbij de vof loonwerkzaamheden en onderhoud van landbouwmachines verrichtte. 3.4. [de hypotheekgever] heeft op 27 mei 2016 een recht van hypotheek gevestigd op zijn woonhuis ten gunste van de vof (hierna: de hypotheek). De hypotheek strekte tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de vof van [de hypotheekgever], C. [de hypotheekgever] Beheer B.V., [de hypotheekgever] OG en/of de Maatschap C. & W.A. [de hypotheekgever]: “ te eniger tijd te vorderen heeft of mocht hebben, uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten, huidige of toekomstige vorderingen wegens verrichte werkzaamheden, dan wel uit welken anderen hoofde ook ”. 3.5. Op 23 januari 2024 hebben [de hypotheekgever], mede namens [de hypotheekgever] OG, en de vennootschappen van zijn echtgenote en dochter enerzijds en Mineraal Trans B.V. (hierna: Mineraal Trans) anderzijds een “ overeenkomst tot koop en verkoop van activa ” (hierna: de koopovereenkomst) ondertekend. De heer W. Ploeg (hierna: Ploeg) is de bestuurder van Mineraal Trans. In de koopovereenkomst staat dat [de hypotheekgever] OG en de drie andere vennootschappen hun mesthandel door middel van een activatransactie verkopen aan Mineraal Trans. Volgens die overeenkomst komen de overgedragen onderneming en activa vanaf 1 juli 2023 voor rekening en risico van Mineraal Trans. De door Mineraal Trans te betalen koopprijs van € 1.244.000,00 is omgezet in een geldlening van zes jaar. 3.6. [de hypotheekgever] zou in het kader van de overname enige tijd werkzaamheden voor de mesthandel blijven verrichten, maar tussen partijen zijn onenigheden gerezen, waardoor de samenwerking (voortijdig) is geëindigd. Omstreeks 8 april 2024 zijn afspraken gemaakt over de uitstaande geschilpunten. De advocaat van [de hypotheekgever]/de verkopende vennootschappen heeft op 8 april 2024 een brief geschreven aan Mineraal Trans, ter attentie van Ploeg, met het voorstel dat Mineraal Trans € 1.385.793,95 voldoet (de koopsom na verrekening van een aantal posten). In die brief staat: “ Verder verlenen partijen elkaar over en weer algehele en finale kwijting, zodat zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben uit welke hoofde dan ook. (…) Wel blijft gehandhaafd het in de koopovereenkomst opgenomen concurrentiebeding. Het concurrentiebeding is wel beperkt tot de relaties van de per 1 juli 2023 overgedragen onderneming en voorts is Vlastuin volledig vrij om mest – en transportwerkzaamheden en alle andere werkzaamheden te verrichten in het kader van zijn boerderijen, waaronder melkveebedrijf, akkerbouw en uitruil van gronden (…). Het vorenstaande betekent dat bij aanvaarding van het voorstel en afwikkeling conform het voorstel mijn cliënten niets meer te vorderen hebben van u en alle bij u in gebruik zijnde trucks en opleggers uw volle eigendom zijn. Zodra u akkoord hebt gegeven op bovenstaande regeling, die één en ondeelbaar is en komt te vervallen bij gebreke van aanvaarding binnen vijf dagen na heden, zal het ten laste van Mineraal Trans B.V, gelegde conservatoire beslag op de bankrekening worden opgeheven .” 3.7. Ploeg is met dit voorstel akkoord gegaan. Mineraal Trans heeft na deze afwikkeling de mesthandel verkocht en overgedragen aan een derde. 3.8. De advocaat van [de hypotheekgever] heeft in april 2024 de notaris verzocht om doorhaling van de hypotheek. Ploeg was niet bereid om de door de notaris aan de vof gestuurde royementsvolmacht ondertekend terug te sturen en schreef de notaris in een e-mail van 29 april 2024: “ Er zijn zaken die niet correct zijn in onze oogen, dus we laten we die hypothecaire inschrijving vooralsnog staan ”. 3.9. [de hypotheekgever] heeft op 22 mei 2024 [de hypotheekhouder] gedagvaard om mee te werken aan doorhaling van de hypotheek. [de hypotheekhouder] verweert zich daartegen met een beroep op een door Mineraal Trans aan de vof gecedeerde vordering. In een akte van cessie gedateerd 19 juli 2024 staat dat Mineraal Trans aan de vof heeft overgedragen: “ een vordering (..) ten bedrage van circa € 350.000,--, ter zake van wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen in de periode juli 2023 tot en met april 2024, door frauduleuze handelingen met betrekking tot de mest die opgeslagen was in de mestsilo bekend onder nummer 205242 ”. 3.10. De hypotheek is in overleg tussen partijen geroyeerd en is vervangen door een hypotheekrecht van 24 juli 2025 op percelen van [de hypotheekgever] OG ten gunste van – nog steeds - de vof (hierna: de vervangende hypotheek). De overwegingen van de rechtbank voor afwijzing van de vorderingen 3.11. Volgens [de hypotheekgever] heeft [de hypotheekhouder] geen vordering op hem en kan er ook geen vordering meer ontstaan waarvoor de (vervangende) hypotheek tot zekerheid strekt. De samenwerking tussen hem en de vof is beëindigd en de finale afwikkeling daarvan is vastgelegd in de brief van 8 april 2024. [de hypotheekgever] heeft de aan de vof gecedeerde vordering van Mineraal Trans gemotiveerd betwist. Hij voert ook aan dat de (vervangende) hypotheek, die is gevestigd in het kader van de samenwerking tussen hem en de vof, niet tot zekerheid kan strekken voor deze later aan de vof gecedeerde vordering. [de hypotheekgever] wil daarom doorhaling van de vervangende hypotheek. 3.12. De rechtbank heeft de vorderingen van [de hypotheekgever] afgewezen op grond van de overweging dat het hypotheekrecht niet teniet is gegaan, omdat de akte ruim is geformuleerd en de hypotheek ook is verleend voor toekomstige vorderingen uit welken anderen hoofde dan ook, zodat er geen beperking voortvloeit uit de beëindiging van de zakelijke relatie tussen de partijen. Evenmin handelt de vof in strijd met de redelijkheid en billijkheid door doorhaling te weigeren, aldus de rechtbank. 3.13. [de hypotheekgever] heeft een aantal grieven gericht tegen deze overwegingen van de rechtbank. [de hypotheekgever] voert onder andere aan dat de rechtbank ten onrechte voorbijgaat aan het oogmerk van partijen bij het vestigen van de hypotheek, namelijk dat Ploeg zekerheid zou genieten louter voor zijn vorderingen op [de hypotheekgever] uit hoofde van verricht loonwerk. Uitleg van de clausule in de hypotheekakte: Haviltex? 3.14. Het hof volgt niet de overwegingen van de rechtbank dat het feit dat [de hypotheekgever] en de vof destijds het recht van hypotheek hebben gevestigd met het oog op de in 2016 tussen hen bestaande zakelijke relatie een omstandigheid is die bij de uitleg van de hypotheekakte geen rol mag spelen. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. 3.15. De rechtbank heeft voor de uitleg van de betrokken bepaling in de hypotheekakte van 27 mei 2016 (zoals geciteerd in onderdeel 3.4.) aansluiting gezocht bij de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juli 2016 en heeft overwogen dat het bij beantwoording van de vraag tot zekerheid van welke vorderingen het recht van hypotheek strekt een objectieve maatstaf geldt. Het komt daarbij aan op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebezigde bewoordingen, naar objectieve maatstaven uitgelegd in het licht van de gehele inhoud van de akte, aldus de rechtbank. 3.16. Deze objectieve maatstaf geldt voor de uitleg van notariële akten voor zover die strekken tot levering van registergoederen en de vestiging van beperkte rechten daarop. Het geschil van partijen in deze procedure heeft niet betrekking op hetgeen in de hypotheekakte is vermeld over de vestiging van het hypotheekrecht, maar over de bepaling voor welke vordering(en) de hypotheek tot zekerheid strekt. Het gaat daarbij om de uitleg van een bepaling die alleen een rol speelt in de verhouding tussen partijen.
Volledig
Bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dit punt door partijen gemaakte obligatoire afspraken komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van de omstandigheden van het geval. 3.17. [de hypotheekgever] heeft onweersproken aangevoerd dat de hypotheek is gevestigd omdat [de hypotheekgever] vreesde dat op een zeker moment door derden ten laste van hem beslag zou worden gelegd, dat hij wilde zekerstellen dat de vof voor haar werkzaamheden werd beloond en dat hij en de vof daarom zijn overeengekomen dat [de hypotheekgever] zekerheid zou bieden door middel van deze hypotheek. Het hof acht deze omstandigheden, anders dan de rechtbank, wel relevant voor de uitleg en toepassing van de betrokken bepaling, zoals hierna uiteengezet. 3.18. Overigens zou de conclusie van het hof zoals uiteengezet in de hierna volgende overwegingen niet anders zijn bij hantering van de objectieve uitlegmaatstaf omdat, hoewel de taalkundige betekenis voorop staat, ook in dat geval de uitleg redelijk moet zijn waarbij de gerechtvaardigde verwachtingen van partijen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende tekstinterpretaties zouden leiden een rol kunnen spelen. De hypotheek strekt niet tot zekerheid voor de later aan de vof gecedeerde vordering 3.19. Naar het oordeel van het hof strekte de hypotheek die bij akte van 27 mei 2016 is gevestigd niet tot zekerheid voor de vermeende door Mineraal Trans in 2024 aan de vof gecedeerde vordering op [de hypotheekgever]. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. 3.20. De wet stelt als eis aan het vestigen van een hypotheek dat dit plaatsvindt door een notariële akte, die een aanduiding moet bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald, aldus artikel 3:260 lid 1 BW. Een recht van hypotheek kan volgens artikel 3:231 lid 1 BW zowel voor bestaande als voor toekomstige vorderingen worden gevestigd, inclusief absoluut toekomstige vorderingen die voortvloeien uit een op het moment van vestiging nog niet bestaande rechtsverhouding. Wel dienen de vorderingen tot zekerheid waarvan het hypotheekrecht strekt met voldoende bepaaldheid te zijn omschreven. 3.21. De betrokken akte benoemt als vorderingen van de vof waartoe de hypotheek als zekerheid strekt al hetgeen de vof te eniger tijd van [de hypotheekgever], C. [de hypotheekgever] Beheer B.V, C. [de hypotheekgever] OG en/of de Maatschap C. & W.A. [de hypotheekgever] (hierna: [de hypotheekgever] c.s.) te vorderen heeft “ uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten, huidige of toekomstige vorderingen wegens verrichte werkzaamheden, dan wel uit welken anderen hoofde ook ” . Zodanige hypotheek wordt door het gebruik van de woorden “ uit welken anderen hoofde dan ook ” in de praktijk veelal geduid als een ‘bankhypotheek’. Een bankhypotheek heeft weliswaar een ruime strekking, maar dat betekent niet dat er geen beperkingen kunnen zijn. Het komt daarbij neer op de uitleg van het beding in de hypotheekakte voor welke vorderingen het hypotheekrecht is gevestigd. De aan de vof gecedeerde vordering van Mineraal Trans valt duidelijk niet onder de drie eerstgenoemde categorieën (geldleningen, verleende of te verlenen kredieten, vorderingen wegens verrichte werkzaamheden). Dit heeft de vof overigens ook niet gesteld en is evenmin anderszins gebleken. 3.22. De vermeende vordering van Mineraal Trans op [de hypotheekgever] valt dus alleen onder de dekking van de hypotheek van 27 mei 2016 als deze kan worden aangemerkt als een vordering die behoort tot de laatste categorie, te weten: “ vorderingen van de vof op [de hypotheekgever] c.s. uit welken anderen hoofde dan ook ”. De rechtbank heeft overwogen dat de hypotheekakte de strekking van een bankhypotheek heeft, in die zin dat de hypotheek is gevestigd voor alle bestaande, maar ook voor toekomstige vorderingen van de vof op [de hypotheekgever] “ uit welken anderen hoofde ook ”, dus ook de in 2024 door Mineraal Trans aan de vof gecedeerde vordering. 3.23. Het hof volgt dit oordeel van de rechtbank niet. Het feit dat de betreffende hypotheek door het gebruik van de woorden “ uit welken anderen hoofde dan ook ” ruim is geformuleerd, betekent niet zonder meer dat ook vorderingen op [de hypotheekgever] die, zoals in dit geval, niet voortvloeien uit of verband houden met een tussen [de hypotheekgever] en de vof bestaande rechtsverhouding onder de hypothecaire dekking kunnen worden gebracht doordat de vof deze van een derde partij gecedeerd heeft gekregen. Ondanks de ruime bewoordingen van de betreffende clausule in de hypotheekakte brengt een redelijke uitleg, ook als de objectieve uitlegmaatstaf wordt gehanteerd, met zich dat het hypotheekrecht in beginsel strekt tot zekerheid van vorderingen die voortvloeien uit een relatie die de vof met [de hypotheekgever] c.s. onderhoudt. Vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met rechtsverhoudingen tussen [de hypotheekgever] c.s. en een derde partij (niet zijnde de vof) vallen in dit geval in beginsel dus niet onder de dekking van de hypotheek. Een dergelijke partijbedoeling ligt, zeker gezien de verstrekkende gevolgen, niet voor de hand en valt ook niet af te leiden uit de in de hypotheekakte gebezigde bewoordingen. De tekst in de hypotheekakte biedt geen enkele aanwijzing dat [de hypotheekgever] ook dergelijke vorderingen onder het bereik van de hypotheek heeft willen brengen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de vof op het moment van de hypotheekverstrekking van een dergelijke verstrekkende reikwijdte is uitgegaan of mocht uitgaan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat dit op het moment van het vestigen van de hypotheek tussen partijen aan de orde is geweest. Sterker nog, tussen partijen staat vast dat de hypotheek is gevestigd met het oogmerk dat Ploeg zekerheid zou genieten voor zijn vorderingen op [de hypotheekgever] uit hoofde van verricht loonwerk (zie onderdeel 3.18). Naar het oordeel van het hof kan de in dit geval gevestigde hypotheek dan ook niet strekken tot zekerheid van een (vermeende) vordering die de vof als hypotheekhouder na vestiging van die hypotheek van een derde partij (Mineraal Trans) heeft overgenomen en die niet voortvloeit uit een in 2016 reeds bestaande of nadien ontstane rechtsverhouding tussen de vof en [de hypotheekgever] c.s. 3.24. De tussenconclusie is dat om deze redenen de hypotheek die bij akte van 27 mei 2016 is gevestigd niet strekte tot zekerheid voor de door Mineraal Trans gestelde, in 2024 aan de vof gecedeerde vordering op [de hypotheekgever]. 3.25. Die tussenconclusie wordt bevestigd door de volgende omstandigheid. De door Mineraal Trans aan de vof gecedeerde vordering vloeit voort uit de overname door Mineraal Trans van het mestbedrijf van [de hypotheekgever] c.s., vastgelegd in de koopovereenkomst van 23 januari 2024. In de koopovereenkomst, ondertekend door onder andere [de hypotheekgever] namens zijn eenmanszaak en door Ploeg namens Mineraal Trans, staat “ Koper en Verkoper zijn geen zekerheden overeengekomen ten aanzien van de garanties ”. Het is niet te rijmen met deze afspraak in het kader van de koopovereenkomst dat Mineraal Trans en de vof door middel van een cessie van een vermeende vordering op [de hypotheekgever] alsnog een zekerheid zouden (kunnen) creëren voor een uit die koopovereenkomst voortvloeiende vordering (namelijk wanprestatie). 3.26. Daar komt bij dat ten tijde van de brief van 8 april 2024 (zie onderdeel 3.6) [de hypotheekgever]/de verkopende vennootschappen en Mineraal Trans elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend, voor alles wat zij op grond van de koopovereenkomst of uit welke andere hoofde ook over en weer te vorderen hebben.
Volledig
Bij de beantwoording van de vraag wat de inhoud is van de op dit punt door partijen gemaakte obligatoire afspraken komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze afspraken mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van de omstandigheden van het geval. 3.17. [de hypotheekgever] heeft onweersproken aangevoerd dat de hypotheek is gevestigd omdat [de hypotheekgever] vreesde dat op een zeker moment door derden ten laste van hem beslag zou worden gelegd, dat hij wilde zekerstellen dat de vof voor haar werkzaamheden werd beloond en dat hij en de vof daarom zijn overeengekomen dat [de hypotheekgever] zekerheid zou bieden door middel van deze hypotheek. Het hof acht deze omstandigheden, anders dan de rechtbank, wel relevant voor de uitleg en toepassing van de betrokken bepaling, zoals hierna uiteengezet. 3.18. Overigens zou de conclusie van het hof zoals uiteengezet in de hierna volgende overwegingen niet anders zijn bij hantering van de objectieve uitlegmaatstaf omdat, hoewel de taalkundige betekenis voorop staat, ook in dat geval de uitleg redelijk moet zijn waarbij de gerechtvaardigde verwachtingen van partijen en de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de verschillende tekstinterpretaties zouden leiden een rol kunnen spelen. De hypotheek strekt niet tot zekerheid voor de later aan de vof gecedeerde vordering 3.19. Naar het oordeel van het hof strekte de hypotheek die bij akte van 27 mei 2016 is gevestigd niet tot zekerheid voor de vermeende door Mineraal Trans in 2024 aan de vof gecedeerde vordering op [de hypotheekgever]. Het hof neemt daarbij het volgende in overweging. 3.20. De wet stelt als eis aan het vestigen van een hypotheek dat dit plaatsvindt door een notariële akte, die een aanduiding moet bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald, aldus artikel 3:260 lid 1 BW. Een recht van hypotheek kan volgens artikel 3:231 lid 1 BW zowel voor bestaande als voor toekomstige vorderingen worden gevestigd, inclusief absoluut toekomstige vorderingen die voortvloeien uit een op het moment van vestiging nog niet bestaande rechtsverhouding. Wel dienen de vorderingen tot zekerheid waarvan het hypotheekrecht strekt met voldoende bepaaldheid te zijn omschreven. 3.21. De betrokken akte benoemt als vorderingen van de vof waartoe de hypotheek als zekerheid strekt al hetgeen de vof te eniger tijd van [de hypotheekgever], C. [de hypotheekgever] Beheer B.V, C. [de hypotheekgever] OG en/of de Maatschap C. & W.A. [de hypotheekgever] (hierna: [de hypotheekgever] c.s.) te vorderen heeft “ uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten, huidige of toekomstige vorderingen wegens verrichte werkzaamheden, dan wel uit welken anderen hoofde ook ” . Zodanige hypotheek wordt door het gebruik van de woorden “ uit welken anderen hoofde dan ook ” in de praktijk veelal geduid als een ‘bankhypotheek’. Een bankhypotheek heeft weliswaar een ruime strekking, maar dat betekent niet dat er geen beperkingen kunnen zijn. Het komt daarbij neer op de uitleg van het beding in de hypotheekakte voor welke vorderingen het hypotheekrecht is gevestigd. De aan de vof gecedeerde vordering van Mineraal Trans valt duidelijk niet onder de drie eerstgenoemde categorieën (geldleningen, verleende of te verlenen kredieten, vorderingen wegens verrichte werkzaamheden). Dit heeft de vof overigens ook niet gesteld en is evenmin anderszins gebleken. 3.22. De vermeende vordering van Mineraal Trans op [de hypotheekgever] valt dus alleen onder de dekking van de hypotheek van 27 mei 2016 als deze kan worden aangemerkt als een vordering die behoort tot de laatste categorie, te weten: “ vorderingen van de vof op [de hypotheekgever] c.s. uit welken anderen hoofde dan ook ”. De rechtbank heeft overwogen dat de hypotheekakte de strekking van een bankhypotheek heeft, in die zin dat de hypotheek is gevestigd voor alle bestaande, maar ook voor toekomstige vorderingen van de vof op [de hypotheekgever] “ uit welken anderen hoofde ook ”, dus ook de in 2024 door Mineraal Trans aan de vof gecedeerde vordering. 3.23. Het hof volgt dit oordeel van de rechtbank niet. Het feit dat de betreffende hypotheek door het gebruik van de woorden “ uit welken anderen hoofde dan ook ” ruim is geformuleerd, betekent niet zonder meer dat ook vorderingen op [de hypotheekgever] die, zoals in dit geval, niet voortvloeien uit of verband houden met een tussen [de hypotheekgever] en de vof bestaande rechtsverhouding onder de hypothecaire dekking kunnen worden gebracht doordat de vof deze van een derde partij gecedeerd heeft gekregen. Ondanks de ruime bewoordingen van de betreffende clausule in de hypotheekakte brengt een redelijke uitleg, ook als de objectieve uitlegmaatstaf wordt gehanteerd, met zich dat het hypotheekrecht in beginsel strekt tot zekerheid van vorderingen die voortvloeien uit een relatie die de vof met [de hypotheekgever] c.s. onderhoudt. Vorderingen die voortvloeien uit of verband houden met rechtsverhoudingen tussen [de hypotheekgever] c.s. en een derde partij (niet zijnde de vof) vallen in dit geval in beginsel dus niet onder de dekking van de hypotheek. Een dergelijke partijbedoeling ligt, zeker gezien de verstrekkende gevolgen, niet voor de hand en valt ook niet af te leiden uit de in de hypotheekakte gebezigde bewoordingen. De tekst in de hypotheekakte biedt geen enkele aanwijzing dat [de hypotheekgever] ook dergelijke vorderingen onder het bereik van de hypotheek heeft willen brengen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de vof op het moment van de hypotheekverstrekking van een dergelijke verstrekkende reikwijdte is uitgegaan of mocht uitgaan. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat dit op het moment van het vestigen van de hypotheek tussen partijen aan de orde is geweest. Sterker nog, tussen partijen staat vast dat de hypotheek is gevestigd met het oogmerk dat Ploeg zekerheid zou genieten voor zijn vorderingen op [de hypotheekgever] uit hoofde van verricht loonwerk (zie onderdeel 3.18). Naar het oordeel van het hof kan de in dit geval gevestigde hypotheek dan ook niet strekken tot zekerheid van een (vermeende) vordering die de vof als hypotheekhouder na vestiging van die hypotheek van een derde partij (Mineraal Trans) heeft overgenomen en die niet voortvloeit uit een in 2016 reeds bestaande of nadien ontstane rechtsverhouding tussen de vof en [de hypotheekgever] c.s. 3.24. De tussenconclusie is dat om deze redenen de hypotheek die bij akte van 27 mei 2016 is gevestigd niet strekte tot zekerheid voor de door Mineraal Trans gestelde, in 2024 aan de vof gecedeerde vordering op [de hypotheekgever]. 3.25. Die tussenconclusie wordt bevestigd door de volgende omstandigheid. De door Mineraal Trans aan de vof gecedeerde vordering vloeit voort uit de overname door Mineraal Trans van het mestbedrijf van [de hypotheekgever] c.s., vastgelegd in de koopovereenkomst van 23 januari 2024. In de koopovereenkomst, ondertekend door onder andere [de hypotheekgever] namens zijn eenmanszaak en door Ploeg namens Mineraal Trans, staat “ Koper en Verkoper zijn geen zekerheden overeengekomen ten aanzien van de garanties ”. Het is niet te rijmen met deze afspraak in het kader van de koopovereenkomst dat Mineraal Trans en de vof door middel van een cessie van een vermeende vordering op [de hypotheekgever] alsnog een zekerheid zouden (kunnen) creëren voor een uit die koopovereenkomst voortvloeiende vordering (namelijk wanprestatie). 3.26. Daar komt bij dat ten tijde van de brief van 8 april 2024 (zie onderdeel 3.6) [de hypotheekgever]/de verkopende vennootschappen en Mineraal Trans elkaar over en weer finale kwijting hebben verleend, voor alles wat zij op grond van de koopovereenkomst of uit welke andere hoofde ook over en weer te vorderen hebben.
Volledig
Ten tijde van het tekenen van die finale kwijting wisten Mineraal Trans en [de hypotheekhouder] al van (de mogelijkheid van het ontstaan van) boetes, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulke boetes (zowel in geval van wanprestatie als onrechtmatige daad) ook onder die finale kwijting vallen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, heeft [de hypotheekhouder] niet duidelijk gemaakt welke vordering Mineraal Trans desondanks nog aan [de hypotheekhouder] kon cederen, nog daargelaten dat Mineraal Trans de onderneming binnen één week heeft doorverkocht aan een derde. 3.27. Het hof overweegt in dit verband ten slotte dat Ploeg mede handelende namens Mineraal Trans pas na de dagvaarding van 22 mei 2024, namelijk in een akte van cessie gedateerd 19 juli 2024, de (vermeende) vordering van Mineraal Trans op [de hypotheekgever] heeft overgedragen aan de vof. De vof heeft deze cessie vervolgens aangevoerd als (hoofd)verweer tegen deze vordering. De akte van cessie vermeldt verder niet de titel waaronder deze overdracht heeft plaatsgevonden. Een titel is wel vereist voor een rechtsgeldige overdracht, aldus artikel 3:84 BW. De vof heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep louter als verklaring gegeven dat de (vermeende) vordering is gecedeerd “ om Mineraal Trans volledig uit de wind te houden, ook in het kader van de hele verkoop ”. Deze omstandigheden dragen bij aan het beeld dat de cessie een constructie is geweest om de (vermeende) vordering van Mineraal Trans tegen de partijbedoeling en contractuele afspraken blijkend uit de koopovereenkomst en de hypotheek in toch onder de hypothecaire dekking te brengen. 3.28. De enige rechtsverhouding die in de hypotheekakte van 27 mei 2016 is vermeld en die in deze procedure is komen vast te staan is de toenmalige samenwerking tussen de vof en [de hypotheekgever], in de notariële akte omschreven als “[ huidige en/of toekomstige vorderingen wegens ] verrichte werkzaamheden ”. Tussen de vof en [de hypotheekgever] staat vast dat deze samenwerking in 2024 is beëindigd. Het is niet gesteld noch anderszins gebleken dat de vof uit hoofde van die door de vof verrichte werkzaamheden enige onbetaald gebleven vordering op [de hypotheekgever] c.s. heeft. De vervangende hypotheek van 24 juli 2025 3.29. Uit het voorgaande vloeit voort dat geen sprake (meer) is van vorderingen van de vof (en haar vennoten) op [de hypotheekgever] c.s. waartoe de hypotheek als zekerheid strekte en er is evenmin sprake van een redelijke verwachting dat er nog vorderingen kunnen ontstaan die onder de hypothecaire dekking vallen. Naar het oordeel van het hof was het in dit geval daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vof de betrokken hypotheekrechten handhaafde en in 2024 weigerde om mee te werken aan doorhaling van de hypotheek van 2016. Zij had immers geen redelijk belang meer bij handhaving daarvan. 3.30. Deze hypotheek is echter in overleg tussen partijen geroyeerd en vervangen door een hypotheek op percelen van [de hypotheekgever] OG ten gunste van – nog steeds - de vof. In de akte van 24 juli 2025 staat over de voorwaarden van deze nieuwe hypotheek: “ Partijen zijn overeengekomen het bestaand recht van hypotheek te royeren op de in voormelde akte van hypotheek omschreven onderpanden, onder gelijktijdige vestiging van een nieuw recht van hypotheek op de onderpanden als gemeld in onderhavige akte. Voor het overige blijven de reeds gemaakte afspraken uit voormelde akte van hypotheek onverminderd en ongewijzigd van kracht ”. 3.31. [de hypotheekhouder] heeft met betrekking tot deze nieuwe hypotheek in haar memorie van antwoord aangevoerd dat enkel het onderpand is gewijzigd en dat voor het overige alles, met name voor wat betreft de zekerheid waartoe de hypotheek strekt, hetzelfde is gebleven. [de hypotheekhouder] heeft in die memorie ook het standpunt ingenomen dat wat betreft de uitleg van de akte en de vraag waar het hypotheekrecht zekerheid voor biedt nog altijd wordt teruggevallen op de akte uit 2016. 3.32. Naar het oordeel van het hof geldt daarom voor de vervangende hypotheek in de onderhavige procedure hetgeen het hiervoor over de hypotheek heeft vastgesteld, te weten dat geen sprake (meer) is van vorderingen van de vof op [de hypotheekgever] c.s. waartoe de hypotheek als zekerheid strekte en dat er evenmin een redelijke verwachting is dat dergelijke vorderingen nog kunnen ontstaan. 3.33. De vervangende hypotheek is echter gevestigd door [de hypotheekgever] OG op aan haar toebehorende percelen. [de hypotheekgever] OG is geen partij in deze procedure. Zij heeft bij akte van 4 november 2025 gevorderd te worden toegelaten als tussenkomende partij, maar het hof heeft in zijn tussenarrest van 3 februari 2026 die vordering afgewezen omdat de incidentele eis tot tussenkomst te laat is ingediend. 3.34. [de hypotheekhouder] heeft tegen deze achtergrond aangevoerd dat [de hypotheekgever] geen hypotheekgever meer is en dat hij daarom niet (meer) ontvankelijk is in deze procedure. [de hypotheekgever] heeft daartegen aangevoerd dat [de hypotheekgever] OG volledig door hem wordt gecontroleerd en dat [de hypotheekgever] OG de hypotheek op haar percelen heeft gevestigd onder de voorwaarde dat [de hypotheekgever] al het nodige zou doen om deze (nieuwe) hypotheek zo spoedig mogelijk te doen doorhalen. 3.35. Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe, aldus artikel 3:303 BW. Naar het oordeel van het hof heeft [de hypotheekgever] onvoldoende belang voor wat betreft de vordering om [de hypotheekhouder] te veroordelen om mee te werken aan vrijgave van de hypothecaire inschrijving van 24 juli 2025. Het belang bij die vordering ligt bij uitstek bij [de hypotheekgever] OG, die om de hiervoor uiteengezette reden geen partij in deze procedure is. [de hypotheekgever] heeft, mede gezien het ontbreken van [de hypotheekgever] OG als procespartij, onvoldoende onderbouwd welk voldoende rechtens te respecteren, zelfstandig belang hij heeft bij de vordering tot vrijgave van deze hypothecaire inschrijving van 24 juli 2025. De vorderingen van [de hypotheekgever] in deze procedure 3.36. Op grond van deze overwegingen zal het hof over de vorderingen van [de hypotheekgever] als volgt oordelen: [de hypotheekgever] zal niet-ontvankelijk worden verklaard wat betreft de vordering tot vrijgave van de hypotheek van 24 juli 2025; De verklaring voor recht dat [de hypotheekhouder] geen met hypotheekrecht versterkte vordering op [de hypotheekgever] heeft is toewijsbaar. [de hypotheekgever] heeft voldoende gesteld en onderbouwd om deze negatieve verklaring voor recht toe te wijzen; De vordering tot betaling van € 3.3467,72 (excl. btw) als vergoeding van de kosten van [de hypotheekgever] in het kader van het vestigen van de vervangende hypotheek van 24 juli 2024 zal jegens de vof en haar vennoten hoofdelijk worden toegewezen. Op grond van de bovenstaande overwegingen had de vof in 2024 moeten meewerken aan doorhaling van de hypotheek van 27 mei 2016. [de hypotheekhouder] heeft de hoogte van deze kosten niet betwist; De vordering tot terugbetaling van hetgeen [de hypotheekgever] uit hoofde van het vonnis van 28 mei 2025 aan [de hypotheekhouder] heeft voldaan zal worden toegewezen, omdat naar het oordeel van het hof op grond van voorgaande overwegingen de vorderingen in eerste aanleg hadden moeten worden toegewezen. De conclusie 3.37. Het hoger beroep van [de hypotheekgever] slaagt grotendeels. Omdat [de hypotheekhouder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de hypotheekhouder] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 en beslist als volgt: 4.2.
Volledig
Ten tijde van het tekenen van die finale kwijting wisten Mineraal Trans en [de hypotheekhouder] al van (de mogelijkheid van het ontstaan van) boetes, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulke boetes (zowel in geval van wanprestatie als onrechtmatige daad) ook onder die finale kwijting vallen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, heeft [de hypotheekhouder] niet duidelijk gemaakt welke vordering Mineraal Trans desondanks nog aan [de hypotheekhouder] kon cederen, nog daargelaten dat Mineraal Trans de onderneming binnen één week heeft doorverkocht aan een derde. 3.27. Het hof overweegt in dit verband ten slotte dat Ploeg mede handelende namens Mineraal Trans pas na de dagvaarding van 22 mei 2024, namelijk in een akte van cessie gedateerd 19 juli 2024, de (vermeende) vordering van Mineraal Trans op [de hypotheekgever] heeft overgedragen aan de vof. De vof heeft deze cessie vervolgens aangevoerd als (hoofd)verweer tegen deze vordering. De akte van cessie vermeldt verder niet de titel waaronder deze overdracht heeft plaatsgevonden. Een titel is wel vereist voor een rechtsgeldige overdracht, aldus artikel 3:84 BW. De vof heeft tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep louter als verklaring gegeven dat de (vermeende) vordering is gecedeerd “ om Mineraal Trans volledig uit de wind te houden, ook in het kader van de hele verkoop ”. Deze omstandigheden dragen bij aan het beeld dat de cessie een constructie is geweest om de (vermeende) vordering van Mineraal Trans tegen de partijbedoeling en contractuele afspraken blijkend uit de koopovereenkomst en de hypotheek in toch onder de hypothecaire dekking te brengen. 3.28. De enige rechtsverhouding die in de hypotheekakte van 27 mei 2016 is vermeld en die in deze procedure is komen vast te staan is de toenmalige samenwerking tussen de vof en [de hypotheekgever], in de notariële akte omschreven als “[ huidige en/of toekomstige vorderingen wegens ] verrichte werkzaamheden ”. Tussen de vof en [de hypotheekgever] staat vast dat deze samenwerking in 2024 is beëindigd. Het is niet gesteld noch anderszins gebleken dat de vof uit hoofde van die door de vof verrichte werkzaamheden enige onbetaald gebleven vordering op [de hypotheekgever] c.s. heeft. De vervangende hypotheek van 24 juli 2025 3.29. Uit het voorgaande vloeit voort dat geen sprake (meer) is van vorderingen van de vof (en haar vennoten) op [de hypotheekgever] c.s. waartoe de hypotheek als zekerheid strekte en er is evenmin sprake van een redelijke verwachting dat er nog vorderingen kunnen ontstaan die onder de hypothecaire dekking vallen. Naar het oordeel van het hof was het in dit geval daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vof de betrokken hypotheekrechten handhaafde en in 2024 weigerde om mee te werken aan doorhaling van de hypotheek van 2016. Zij had immers geen redelijk belang meer bij handhaving daarvan. 3.30. Deze hypotheek is echter in overleg tussen partijen geroyeerd en vervangen door een hypotheek op percelen van [de hypotheekgever] OG ten gunste van – nog steeds - de vof. In de akte van 24 juli 2025 staat over de voorwaarden van deze nieuwe hypotheek: “ Partijen zijn overeengekomen het bestaand recht van hypotheek te royeren op de in voormelde akte van hypotheek omschreven onderpanden, onder gelijktijdige vestiging van een nieuw recht van hypotheek op de onderpanden als gemeld in onderhavige akte. Voor het overige blijven de reeds gemaakte afspraken uit voormelde akte van hypotheek onverminderd en ongewijzigd van kracht ”. 3.31. [de hypotheekhouder] heeft met betrekking tot deze nieuwe hypotheek in haar memorie van antwoord aangevoerd dat enkel het onderpand is gewijzigd en dat voor het overige alles, met name voor wat betreft de zekerheid waartoe de hypotheek strekt, hetzelfde is gebleven. [de hypotheekhouder] heeft in die memorie ook het standpunt ingenomen dat wat betreft de uitleg van de akte en de vraag waar het hypotheekrecht zekerheid voor biedt nog altijd wordt teruggevallen op de akte uit 2016. 3.32. Naar het oordeel van het hof geldt daarom voor de vervangende hypotheek in de onderhavige procedure hetgeen het hiervoor over de hypotheek heeft vastgesteld, te weten dat geen sprake (meer) is van vorderingen van de vof op [de hypotheekgever] c.s. waartoe de hypotheek als zekerheid strekte en dat er evenmin een redelijke verwachting is dat dergelijke vorderingen nog kunnen ontstaan. 3.33. De vervangende hypotheek is echter gevestigd door [de hypotheekgever] OG op aan haar toebehorende percelen. [de hypotheekgever] OG is geen partij in deze procedure. Zij heeft bij akte van 4 november 2025 gevorderd te worden toegelaten als tussenkomende partij, maar het hof heeft in zijn tussenarrest van 3 februari 2026 die vordering afgewezen omdat de incidentele eis tot tussenkomst te laat is ingediend. 3.34. [de hypotheekhouder] heeft tegen deze achtergrond aangevoerd dat [de hypotheekgever] geen hypotheekgever meer is en dat hij daarom niet (meer) ontvankelijk is in deze procedure. [de hypotheekgever] heeft daartegen aangevoerd dat [de hypotheekgever] OG volledig door hem wordt gecontroleerd en dat [de hypotheekgever] OG de hypotheek op haar percelen heeft gevestigd onder de voorwaarde dat [de hypotheekgever] al het nodige zou doen om deze (nieuwe) hypotheek zo spoedig mogelijk te doen doorhalen. 3.35. Zonder voldoende belang komt niemand een rechtsvordering toe, aldus artikel 3:303 BW. Naar het oordeel van het hof heeft [de hypotheekgever] onvoldoende belang voor wat betreft de vordering om [de hypotheekhouder] te veroordelen om mee te werken aan vrijgave van de hypothecaire inschrijving van 24 juli 2025. Het belang bij die vordering ligt bij uitstek bij [de hypotheekgever] OG, die om de hiervoor uiteengezette reden geen partij in deze procedure is. [de hypotheekgever] heeft, mede gezien het ontbreken van [de hypotheekgever] OG als procespartij, onvoldoende onderbouwd welk voldoende rechtens te respecteren, zelfstandig belang hij heeft bij de vordering tot vrijgave van deze hypothecaire inschrijving van 24 juli 2025. De vorderingen van [de hypotheekgever] in deze procedure 3.36. Op grond van deze overwegingen zal het hof over de vorderingen van [de hypotheekgever] als volgt oordelen: [de hypotheekgever] zal niet-ontvankelijk worden verklaard wat betreft de vordering tot vrijgave van de hypotheek van 24 juli 2025; De verklaring voor recht dat [de hypotheekhouder] geen met hypotheekrecht versterkte vordering op [de hypotheekgever] heeft is toewijsbaar. [de hypotheekgever] heeft voldoende gesteld en onderbouwd om deze negatieve verklaring voor recht toe te wijzen; De vordering tot betaling van € 3.3467,72 (excl. btw) als vergoeding van de kosten van [de hypotheekgever] in het kader van het vestigen van de vervangende hypotheek van 24 juli 2024 zal jegens de vof en haar vennoten hoofdelijk worden toegewezen. Op grond van de bovenstaande overwegingen had de vof in 2024 moeten meewerken aan doorhaling van de hypotheek van 27 mei 2016. [de hypotheekhouder] heeft de hoogte van deze kosten niet betwist; De vordering tot terugbetaling van hetgeen [de hypotheekgever] uit hoofde van het vonnis van 28 mei 2025 aan [de hypotheekhouder] heeft voldaan zal worden toegewezen, omdat naar het oordeel van het hof op grond van voorgaande overwegingen de vorderingen in eerste aanleg hadden moeten worden toegewezen. De conclusie 3.37. Het hoger beroep van [de hypotheekgever] slaagt grotendeels. Omdat [de hypotheekhouder] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [de hypotheekhouder] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening. 3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad). 4 De beslissing Het hof: 4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 28 mei 2025 en beslist als volgt: 4.2.