Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-28
ECLI:NL:GHARL:2026:2599
Strafrecht
Hoger beroep
7,409 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2599 text/xml public 2026-05-13T14:03:53 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.358.334/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2599 text/html public 2026-05-13T14:02:55 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2599 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.358.334/01 Geslotenverklaring. Niet blijkt van zodanig onduidelijke situatie dat het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij in strijd met de geslotenverklaring heeft gehandeld. Dat de gemeente Amsterdam een belevingsonderzoek heeft laten uitvoeren naar de duidelijkheid van de bebording, maakt dit niet anders. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.334/01 CJIB-nummer : 263923656 Uitspraak d.d. : 28 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 14 april 2026. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam]. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 110,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard. 3. De betrokkene voert aan dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen. 4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten. 5. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte en correct geadresseerde brief van de griffier van de rechtbank van 22 mei 2025, waarin hij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 13 juni 2025. Nu niet blijkt dat de rechtbank over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de uitnodiging niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Dit brengt mee dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. De beslissing van de kantonrechter kan om die reden niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. 6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 110,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 januari 2024 om 15.28 uur op de Sloterweg, rijstrook 1, in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 7. De betrokkene erkent dat hij in strijd met een geslotenverklaring heeft gehandeld, maar stelt zich op het standpunt dat er omstandigheden zijn die zouden moeten leiden tot matiging van de boete. De betrokkene voert aan dat de geslotenverklaring voor hem, als niet-Amsterdammer, een nieuwe situatie was waar hij niet op bedacht was. Eerder was deze weg gewoon open. Wellicht is er in Amsterdam veel aandacht besteed aan het afsluiten voor bepaald verkeer van de Sloterweg, maar inwoners van Utrecht hebben daar geen kennis van kunnen nemen. De betrokkene geeft aan dat hij komend vanaf de Johan Huizingalaan vanaf de richting van de Oude Haagseweg linksaf is geslagen de Sloterweg in, om vervolgens bij de eerste afslag rechtsaf te slaan naar de John Coltranestraat om vrienden te bezoeken. Er was ter plaatse behoorlijk wat bebording geplaatst wat zorgde voor een onoverzichtelijke en verwarrende situatie. Bovendien was deze bebording niet op een goed zichtbare en logische plek geplaatst. Daardoor is mogelijk ook in strijd gehandeld met hetgeen daarover is bepaald in het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens (hierna: het Verdrag). Kort na de invoering van het inrijverbod zijn er duizenden boetes opgelegd en bleek dat er zowel voor de bewoners als voor de gemeente Amsterdam veel onduidelijkheid bestond. Bij de gemeente ontstond er twijfel over de vraag of de bebording voldoende duidelijk was. Om die reden heeft een projectgroep van de Erasmus Universiteit in opdracht van de gemeente een onderzoek verricht. De betrokkene geeft aan dat uit dit onderzoek onder meer naar voren komt dat de borden voldoen aan de wet- en regelgeving, maar dat het voor automobilisten moeilijk is om zich daaraan te houden vanwege informatiestress, niet eenduidige informatie, visueel onduidelijke borden en de locatie van het verkeersbord. Tijdens de zitting heeft de betrokkene een uitdraai van (een deel van) dit onderzoek overgelegd. De betrokkene wijst er op dat de gemeente in 2024 daadwerkelijk wijzigingen heeft aangebracht om de situatie te verduidelijken. Verder heeft het openbaar ministerie veel bekeuringen geseponeerd, vooral die in de eerste maanden van de afsluiting zijn opgelegd net zoals bij de betrokkene het geval is. De betrokkene verwijst hierbij naar nieuwsartikelen. Bovendien heeft de kantonrechter in 2025 veel beschikkingen vernietigd die op de onderhavige pleeglocatie zijn verricht. Hiermee wordt erkend dat de bebording onduidelijk was, aldus de betrokkene. De betrokkene beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat zijn bekeuring wel in stand is gelaten terwijl de sanctie onder soortgelijke omstandigheden is opgelegd. 8. De gegevens van het zaakoverzicht houden zakelijk weergegeven in dat geautomatiseerd is geconstateerd dat met het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats is gehandeld in strijd met een bord C12 (geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen) van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voorzien van een onderbord met daarop de tekst ‘uitgezonderd lijnbussen’ en een onderbord met het symbool van een camera. 9. De betrokkene heeft een afbeelding overgelegd van de situatie ter plaatse. De afbeelding laat een bord C12 zien aan de rechterzijde van de rijstrook aan het begin van de Sloterweg met daaronder een aantal onderborden waaruit - kort gezegd - volgt dat lijnbussen zijn uitgezonderd en dat sprake is van controle door middel van een camerasysteem. Boven het bord C12 is een bord J24 geplaatst (waarschuwing fietsers) met een onderbord waaruit blijkt dat fietsers van links en rechts kunnen komen. Verder is te zien dat na deze bebording, even verderop de Sloterweg in, aan de lantaarnpaal een bord A1 met maximumsnelheid 30 km/h (zone) is geplaatst en daarboven een bord E1 (zone). Door de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal is tijdens de zitting eveneens een afbeelding overgelegd van de situatie ter plaatse.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2599 text/xml public 2026-05-13T14:03:53 2026-04-28 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-28 200.358.334/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Strafrecht Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2599 text/html public 2026-05-13T14:02:55 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2599 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 28-04-2026 / 200.358.334/01 Geslotenverklaring. Niet blijkt van zodanig onduidelijke situatie dat het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij in strijd met de geslotenverklaring heeft gehandeld. Dat de gemeente Amsterdam een belevingsonderzoek heeft laten uitvoeren naar de duidelijkheid van de bebording, maakt dit niet anders. GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.358.334/01 CJIB-nummer : 263923656 Uitspraak d.d. : 28 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 juli 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats]. De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De zaak is behandeld op de zitting van 14 april 2026. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam]. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: - wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- - wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 110,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard. 3. De betrokkene voert aan dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen. 4. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten. 5. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte en correct geadresseerde brief van de griffier van de rechtbank van 22 mei 2025, waarin hij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 13 juni 2025. Nu niet blijkt dat de rechtbank over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de uitnodiging niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Dit brengt mee dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. De beslissing van de kantonrechter kan om die reden niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen, waarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard. 6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 110,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 januari 2024 om 15.28 uur op de Sloterweg, rijstrook 1, in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken]. 7. De betrokkene erkent dat hij in strijd met een geslotenverklaring heeft gehandeld, maar stelt zich op het standpunt dat er omstandigheden zijn die zouden moeten leiden tot matiging van de boete. De betrokkene voert aan dat de geslotenverklaring voor hem, als niet-Amsterdammer, een nieuwe situatie was waar hij niet op bedacht was. Eerder was deze weg gewoon open. Wellicht is er in Amsterdam veel aandacht besteed aan het afsluiten voor bepaald verkeer van de Sloterweg, maar inwoners van Utrecht hebben daar geen kennis van kunnen nemen. De betrokkene geeft aan dat hij komend vanaf de Johan Huizingalaan vanaf de richting van de Oude Haagseweg linksaf is geslagen de Sloterweg in, om vervolgens bij de eerste afslag rechtsaf te slaan naar de John Coltranestraat om vrienden te bezoeken. Er was ter plaatse behoorlijk wat bebording geplaatst wat zorgde voor een onoverzichtelijke en verwarrende situatie. Bovendien was deze bebording niet op een goed zichtbare en logische plek geplaatst. Daardoor is mogelijk ook in strijd gehandeld met hetgeen daarover is bepaald in het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens (hierna: het Verdrag). Kort na de invoering van het inrijverbod zijn er duizenden boetes opgelegd en bleek dat er zowel voor de bewoners als voor de gemeente Amsterdam veel onduidelijkheid bestond. Bij de gemeente ontstond er twijfel over de vraag of de bebording voldoende duidelijk was. Om die reden heeft een projectgroep van de Erasmus Universiteit in opdracht van de gemeente een onderzoek verricht. De betrokkene geeft aan dat uit dit onderzoek onder meer naar voren komt dat de borden voldoen aan de wet- en regelgeving, maar dat het voor automobilisten moeilijk is om zich daaraan te houden vanwege informatiestress, niet eenduidige informatie, visueel onduidelijke borden en de locatie van het verkeersbord. Tijdens de zitting heeft de betrokkene een uitdraai van (een deel van) dit onderzoek overgelegd. De betrokkene wijst er op dat de gemeente in 2024 daadwerkelijk wijzigingen heeft aangebracht om de situatie te verduidelijken. Verder heeft het openbaar ministerie veel bekeuringen geseponeerd, vooral die in de eerste maanden van de afsluiting zijn opgelegd net zoals bij de betrokkene het geval is. De betrokkene verwijst hierbij naar nieuwsartikelen. Bovendien heeft de kantonrechter in 2025 veel beschikkingen vernietigd die op de onderhavige pleeglocatie zijn verricht. Hiermee wordt erkend dat de bebording onduidelijk was, aldus de betrokkene. De betrokkene beroept zich op het gelijkheidsbeginsel, omdat zijn bekeuring wel in stand is gelaten terwijl de sanctie onder soortgelijke omstandigheden is opgelegd. 8. De gegevens van het zaakoverzicht houden zakelijk weergegeven in dat geautomatiseerd is geconstateerd dat met het voertuig met voormeld kenteken op voormelde datum, tijd en plaats is gehandeld in strijd met een bord C12 (geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen) van bijlage 1 bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voorzien van een onderbord met daarop de tekst ‘uitgezonderd lijnbussen’ en een onderbord met het symbool van een camera. 9. De betrokkene heeft een afbeelding overgelegd van de situatie ter plaatse. De afbeelding laat een bord C12 zien aan de rechterzijde van de rijstrook aan het begin van de Sloterweg met daaronder een aantal onderborden waaruit - kort gezegd - volgt dat lijnbussen zijn uitgezonderd en dat sprake is van controle door middel van een camerasysteem. Boven het bord C12 is een bord J24 geplaatst (waarschuwing fietsers) met een onderbord waaruit blijkt dat fietsers van links en rechts kunnen komen. Verder is te zien dat na deze bebording, even verderop de Sloterweg in, aan de lantaarnpaal een bord A1 met maximumsnelheid 30 km/h (zone) is geplaatst en daarboven een bord E1 (zone). Door de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal is tijdens de zitting eveneens een afbeelding overgelegd van de situatie ter plaatse.
Volledig
Op deze afbeelding is de bebording te zien die ook zichtbaar is op de afbeelding van de betrokkene, maar - vanwege het hanteren van een ander perspectief - is ook te zien dat er aan de linkerzijde van de rijstrook aan het begin van de Sloterweg nog een bord C12 is geplaatst met onderbord met daarop de tekst ‘uitgezonderd lijnbussen’ en een onderbord met het symbool van een camera. 10. Voorts bevinden zich in het dossier schouwrapporten en de algemene processen-verbaal van schouw met (onder meer) als bijlage bijgevoegd een bordenplan Sloterweg-Oost. Hieruit volgt eveneens dat aan het begin van de Sloterweg, aan zowel de linker- als de rechterzijde van de rijstrook bebording is geplaatst. Verder volgt hieruit dat er aankondigingsborden voor de geslotenverklaring zijn geplaatst aan de Johan Huizingalaan, vanuit zowel noordelijke als zuidelijke richting. 11. De advocaat-generaal heeft bij verweerschrift informatie ingebracht waaruit blijkt dat de gemeente Amsterdam een belevingsonderzoek heeft laten uitvoeren. Ondanks dat de bebording al voldeed aan de wettelijke kaders, ontving de gemeente veel klachten, onder meer te weinig of juist teveel borden of te kleine borden. Uit het onderzoek volgde dat de weggebruikers last hadden van informatiestress (o.a. dat het aankondigingsbord te laat is geplaatst), de onderschatting van het risico op een boete, het moeten doorbreken van de dagelijkse routine en een negatieve houding ten opzichte van de ingreep. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de gemeente de vooraankondigingsborden aangepast, een bord over camerahandhaving geplaatst en markeringen op de weg aangebracht. 12. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, staat vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn om een verkeersboete achterwege te laten of het bedrag van de verkeersboete te matigen. Het hof merkt op dat het hierbij gaat om de specifieke (verkeers)situatie van de betrokkene, die het hof op basis van de gegevens in het dossier en de stukken die tijdens de zitting zijn overgelegd zal beoordelen. 13. Naar het oordeel van het hof geven de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden geen aanleiding tot het achterwege laten of matigen van de sanctie. Het hof overweegt hiertoe allereerst dat niet blijkt van zodanig onduidelijke situatie ter plaatse dat het de betrokkene niet kan worden verweten in strijd met de geslotenverklaring te hebben gehandeld. De bebording die de geslotenverklaring aanduidt was aan weerszijden aan het begin van de Sloterweg op zichtbare wijze geplaatst, waaraan bovendien nog aankondigingsborden vooraf zijn gegaan. Dat er meerdere verkeersborden en aanduidingen zijn geplaatst aan het begin van de Sloterweg maakt niet dat sprake is van onduidelijke bebording. De stelling van de betrokkene dat op basis van het belevingsonderzoek wel de conclusie kan worden getrokken dat de situatie ten tijde van de gedraging dusdanig onduidelijk was, deelt het hof niet. Het hof overweegt hiertoe dat het onderzoek zich niet alleen toespitst op de locatie waar de betrokkene de geslotenverklaring heeft genegeerd, maar dat ook in breder verband is onderzocht hoe effectief en duidelijk de bebording met betrekking tot het doorrijverbod op de Sloterweg-West en de daarmee samenhangende doorrijverboden op de Laan van Vlaanderen-West en Oost en Sloterweg-Oost is. Uit de conclusie van dit onderzoek volgt niet ondubbelzinnig dat de verkeerssituatie waarmee de betrokkene te maken had van zodanige onduidelijke aard was dat het hem niet kan worden verweten dat hij in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende geslotenverklaring. Voor zover de betrokkene een beroep doet op het Verdrag overweegt het hof dat, naast dat het hof niet is gebleken van onduidelijke en verwarrende bebording, aan dit verdrag geen rechtstreekse werking toekomt. Uit de bepalingen van het Verdrag volgt dat dit verdrag verplichtingen op de lidstaten legt om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de voorzieningen in het Verdrag. Het Verdrag strekt er niet toe om rechtstreeks te werken, in die zin dat burgers rechtstreeks rechten kunnen ontlenen aan het Verdrag. Dat er in korte tijd vele andere weggebruikers zijn beboet voor het negeren van de betreffende geslotenverklaring brengt op zichzelf niet mee dat sprake was van een onduidelijke situatie in het geval van de betrokkene. De omstandigheid dat de gemeente op een later moment enkele wijzigingen heeft aangebracht, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat om aanvullingen op de oorspronkelijke bebording en is bij wijze van service geweest. 14. Dat de betrokkene de bebording heeft gemist omdat hij niet op de hoogte was van de gewijzigde situatie en hij er niet op bedacht was dat ter plaatse een geslotenverklaring gold omdat hij ter plaatse niet bekend is en eerder wel gebruik mocht maken van de weg, betreft een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn risico dienen te komen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de betrokkene het bord C12 gemist heeft door de veelheid aan borden. Van iedere weggebruiker mag immers worden verwacht dat hij oplettend is op de aanwezige en voor hem geldende bebording. Dat er eerder geen inrijverbod gold, doet daar niets aan af. Verkeerssituaties kunnen veranderen. Men dient daarop bedacht te zijn. 15. Voor wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof dat alleen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene als zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is niet gebleken. Niet is aannemelijk gemaakt dat in andere zaken op dezelfde pleeglocatie sancties zijn geseponeerd en inleidende beschikkingen zijn vernietigd om redenen zoals door de betrokkene naar voren gebracht. 16. Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond zal worden verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het ter zitting gedane verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. https://slotenoudosdorp.nl/wp-content/uploads/2024/06/Raadsinformatiebrief-Tussenrapportage-intelligente-toegang-Sloterweg-en-Laan-van-Vlaanderen.-30-mei-2024.pdf
Volledig
Op deze afbeelding is de bebording te zien die ook zichtbaar is op de afbeelding van de betrokkene, maar - vanwege het hanteren van een ander perspectief - is ook te zien dat er aan de linkerzijde van de rijstrook aan het begin van de Sloterweg nog een bord C12 is geplaatst met onderbord met daarop de tekst ‘uitgezonderd lijnbussen’ en een onderbord met het symbool van een camera. 10. Voorts bevinden zich in het dossier schouwrapporten en de algemene processen-verbaal van schouw met (onder meer) als bijlage bijgevoegd een bordenplan Sloterweg-Oost. Hieruit volgt eveneens dat aan het begin van de Sloterweg, aan zowel de linker- als de rechterzijde van de rijstrook bebording is geplaatst. Verder volgt hieruit dat er aankondigingsborden voor de geslotenverklaring zijn geplaatst aan de Johan Huizingalaan, vanuit zowel noordelijke als zuidelijke richting. 11. De advocaat-generaal heeft bij verweerschrift informatie ingebracht waaruit blijkt dat de gemeente Amsterdam een belevingsonderzoek heeft laten uitvoeren. Ondanks dat de bebording al voldeed aan de wettelijke kaders, ontving de gemeente veel klachten, onder meer te weinig of juist teveel borden of te kleine borden. Uit het onderzoek volgde dat de weggebruikers last hadden van informatiestress (o.a. dat het aankondigingsbord te laat is geplaatst), de onderschatting van het risico op een boete, het moeten doorbreken van de dagelijkse routine en een negatieve houding ten opzichte van de ingreep. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de gemeente de vooraankondigingsborden aangepast, een bord over camerahandhaving geplaatst en markeringen op de weg aangebracht. 12. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, staat vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn om een verkeersboete achterwege te laten of het bedrag van de verkeersboete te matigen. Het hof merkt op dat het hierbij gaat om de specifieke (verkeers)situatie van de betrokkene, die het hof op basis van de gegevens in het dossier en de stukken die tijdens de zitting zijn overgelegd zal beoordelen. 13. Naar het oordeel van het hof geven de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden geen aanleiding tot het achterwege laten of matigen van de sanctie. Het hof overweegt hiertoe allereerst dat niet blijkt van zodanig onduidelijke situatie ter plaatse dat het de betrokkene niet kan worden verweten in strijd met de geslotenverklaring te hebben gehandeld. De bebording die de geslotenverklaring aanduidt was aan weerszijden aan het begin van de Sloterweg op zichtbare wijze geplaatst, waaraan bovendien nog aankondigingsborden vooraf zijn gegaan. Dat er meerdere verkeersborden en aanduidingen zijn geplaatst aan het begin van de Sloterweg maakt niet dat sprake is van onduidelijke bebording. De stelling van de betrokkene dat op basis van het belevingsonderzoek wel de conclusie kan worden getrokken dat de situatie ten tijde van de gedraging dusdanig onduidelijk was, deelt het hof niet. Het hof overweegt hiertoe dat het onderzoek zich niet alleen toespitst op de locatie waar de betrokkene de geslotenverklaring heeft genegeerd, maar dat ook in breder verband is onderzocht hoe effectief en duidelijk de bebording met betrekking tot het doorrijverbod op de Sloterweg-West en de daarmee samenhangende doorrijverboden op de Laan van Vlaanderen-West en Oost en Sloterweg-Oost is. Uit de conclusie van dit onderzoek volgt niet ondubbelzinnig dat de verkeerssituatie waarmee de betrokkene te maken had van zodanige onduidelijke aard was dat het hem niet kan worden verweten dat hij in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende geslotenverklaring. Voor zover de betrokkene een beroep doet op het Verdrag overweegt het hof dat, naast dat het hof niet is gebleken van onduidelijke en verwarrende bebording, aan dit verdrag geen rechtstreekse werking toekomt. Uit de bepalingen van het Verdrag volgt dat dit verdrag verplichtingen op de lidstaten legt om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de voorzieningen in het Verdrag. Het Verdrag strekt er niet toe om rechtstreeks te werken, in die zin dat burgers rechtstreeks rechten kunnen ontlenen aan het Verdrag. Dat er in korte tijd vele andere weggebruikers zijn beboet voor het negeren van de betreffende geslotenverklaring brengt op zichzelf niet mee dat sprake was van een onduidelijke situatie in het geval van de betrokkene. De omstandigheid dat de gemeente op een later moment enkele wijzigingen heeft aangebracht, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat om aanvullingen op de oorspronkelijke bebording en is bij wijze van service geweest. 14. Dat de betrokkene de bebording heeft gemist omdat hij niet op de hoogte was van de gewijzigde situatie en hij er niet op bedacht was dat ter plaatse een geslotenverklaring gold omdat hij ter plaatse niet bekend is en eerder wel gebruik mocht maken van de weg, betreft een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn risico dienen te komen. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de betrokkene het bord C12 gemist heeft door de veelheid aan borden. Van iedere weggebruiker mag immers worden verwacht dat hij oplettend is op de aanwezige en voor hem geldende bebording. Dat er eerder geen inrijverbod gold, doet daar niets aan af. Verkeerssituaties kunnen veranderen. Men dient daarop bedacht te zijn. 15. Voor wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel overweegt het hof dat alleen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene als zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is niet gebleken. Niet is aannemelijk gemaakt dat in andere zaken op dezelfde pleeglocatie sancties zijn geseponeerd en inleidende beschikkingen zijn vernietigd om redenen zoals door de betrokkene naar voren gebracht. 16. Het voorgaande brengt mee dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond zal worden verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het hof het ter zitting gedane verzoek tot vergoeding van kosten afwijzen. De beslissing Het gerechtshof: vernietigt de beslissing van de kantonrechter; verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond; wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. https://slotenoudosdorp.nl/wp-content/uploads/2024/06/Raadsinformatiebrief-Tussenrapportage-intelligente-toegang-Sloterweg-en-Laan-van-Vlaanderen.-30-mei-2024.pdf