Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-10-21
ECLI:NL:GHARL:2022:9022
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,154 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.295.315/01
CJIB-nummer
: 233104477
Uitspraak d.d.
: 21 oktober 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 22 april 2021, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats1] .
De gemachtigde van de betrokkene is [naam1] ,
wonende te [woonplaats1] ,
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 14 juli 2022 wordt hier overgenomen.
Het verdere procesverloop
De advocaat-generaal heeft aanvullende informatie overgelegd. Deze informatie is (in kopie) doorgestuurd aan de betrokkene. Deze heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Het hof heeft in voormeld tussenarrest overwogen dat het betoog van de gemachtigde van de betrokkene moet worden verstaan als een beroep op het gelijkheidsbeginsel en de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld om de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd om een reactie te vragen.
2. Naar aanleiding van het tussenarrest heeft de advocaat-generaal aanvullende informatie aan het hof doen toekomen, bestaande uit een aanvullend proces-verbaal van de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd. Daarin verklaart de ambtenaar dat de eerste keer dat wordt gesignaleerd dat een voertuig in strijd met het parkeerverbod staat geparkeerd, een waarschuwing wordt gegeven door middel van het achterlaten van een kaartje en dat pas bij een daarop volgende keer een bekeuring wordt gegeven. Dat moet in de situatie van de betrokkene ook het geval zijn geweest. De ambtenaar kan via het bekeuringssysteem Sigmax achterhalen of er al eerder een waarschuwing is gegeven. Verder merkt de ambtenaar op dat veel Poolse arbeidsmigranten slechts enkele maanden in [woonplaats1] verblijven en daarna weer vertrekken, waarna er weer nieuwe arbeidsmigranten komen. De ambtenaar ontkent stellig onderscheid te maken naar nationaliteit.
3. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat deze toelichting van de ambtenaar tot de conclusie leidt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de ambtenaar een ongerechtvaardigd onderscheid heeft gemaakt, zodat de betrokkene geen beroep kan doen op het gelijkheidsbeginsel.
4. Gelet op hetgeen is aangevoerd, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn die aanleiding geven op grond van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv oplegging van de sanctie achterwege te laten.
5. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is sprake als zonder (juridische) geldige reden ten nadele van de betrokkene wordt afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vgl. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Het hof is van oordeel dat daarvan in de onderhavige zaak niet is gebleken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de ambtenaar in het aanvullend proces-verbaal heeft uiteengezet waarom hij bij sommige voertuigen die in strijd met het parkeerverbod ter plaats stonden geparkeerd een sanctie heeft opgelegd en bij andere heeft volstaan met een waarschuwing en dat daarbij bepalend is of er voor het voertuig eerder een waarschuwing was gegeven of niet, wat hij kon opmaken uit het systeem. Het betreft hier een objectief en gerechtvaardigd onderscheid. Ook heeft hij er een verklaring voor gegeven waarom de kans dat een Poolse kentekenhouder niet eerder is gewaarschuwd, en dus niet (meteen) een sanctie krijgt, groter is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan de betrokkene daarom niet baten.
6. Aldus is niet gebleken dat er redenen zijn die aanleiding geven oplegging van de sanctie achterwege te laten. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.