Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-24
ECLI:NL:GHARL:2025:999
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,341 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.343.071/01
CJIB-nummer
: 251256416
Uitspraak d.d.
: 24 februari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 15 maart 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en, onder wijziging van de inleidende beschikking, de sanctie gematigd tot een bedrag van € 75,-.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Voor zover hier van belang bepaalt artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling luidt ingaande 1 januari 2023, dat tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep kan worden ingesteld, tenzij de opgelegde administratieve sanctie bij die beslissing niet meer bedraagt dan
€ 110,-. Vóór die datum was dat bedrag € 70,-.
2. De betrokkene is van mening, kort gezegd, dat de wijziging van de appelgrens per 1 januari 2023 nooit van kracht is geworden dan wel onrechtmatig is. Daarnaast is de procedure met de oplegging van de inleidende beschikking aangevangen in de periode dat de appelgrens € 70,- bedroeg.
3. In het Besluit van 16 september 2022 tot vaststelling van het tijdstip van de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022, waar de verhoging van de appelgrens onderdeel van uitmaakt, is bepaald dat het gewijzigde artikel 14 van de Wahv op 1 januari 2023 in werking treedt (gepubliceerd in Stb. 2022, 364). Daarnaast heeft het hof in zijn arrest van 17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6929 overwogen dat uit de tekst van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, mede bezien in het licht van de totstandkomingsgeschiedenis daarvan, kan worden afgeleid dat de datum van de beslissing van de kantonrechter bepalend is voor het antwoord op de vraag welke appelgrens geldt. 4. Nu de beslissing van de kantonrechter dateert van na 31 december 2022, is artikel 14, eerste lid, van de Wahv, zoals die bepaling met ingang van 1 januari 2023 luidt, van toepassing op het instellen van hoger beroep. Het sanctiebedrag is, onder wijziging van de inleidende beschikking, gematigd tot een bedrag van € 75,-. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Wahv staat tegen de beslissing van de kantonrechter geen hoger beroep open.
5. De betrokkene voert verder aan dat rechtsongelijke toegang tot de rechter grondwettelijk en verdragsmatig niet is toegestaan.
6. Ten aanzien van de stelling dat artikel 14 van de Wahv in strijd is met artikel 1 van de Grondwet (Gw), overweegt het hof dat op grond van artikel 120 van de Gw de grondwettigheid van de bepaling door de rechter niet beoordeeld kan worden.
7. Voor zover de betrokkene betoogt dat in casu het recht op hoger beroep wordt uitgesloten en dat in strijd is met artikelen 6 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), wordt gewezen op het arrest van het hof van 14 september 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7728. Daarin heeft het hof geoordeeld dat artikel 14, vijfde lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 6 van het EVRM geen onbeperkt recht op een hogere voorziening toekennen in geval van bagateldelicten en dat in geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv, deze als bagateldelicten dienen te worden gekwalificeerd. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- in artikel 14, eerste lid, van de Wahv is uitgesloten, is daarom niet in strijd met artikel 6 van het EVRM of artikel 14, vijfde lid, van het IVBPR. Er kan dan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van rechtsongelijkheid die niet is toegestaan op grond van artikel 14 van het EVRM.
8. Het voorgaande betekent dat het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren. Het verzoek om een proceskostenvergoeding zal worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.