Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2026-04-13
ECLI:NL:GHARL:2026:2167
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,776 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2167 text/xml public 2026-05-13T14:15:53 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-13 200.362.445/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2167 text/html public 2026-05-13T14:15:40 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-04-2026 / 200.362.445/01 Appelverbod. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het appelverbod als zodanig niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Het recht op hoger beroep mag worden beperkt als sprake is van bagateldelicten. Van een schending van artikel 6 van het EVRM, artikel 13 van het EVRM of artikel 47 van het EU-handvest is geen sprake GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.362.445/01 CJIB-nummer : 265053004 Uitspraak d.d. : 13 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 7 november 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 26,-. 3. De betrokkene voert aan, zo begrijpt het hof, dat het in artikel 14, eerste lid, van de Wahv neergelegde appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten omdat in deze zaak het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) en het recht op een effectieve rechtsbescherming (artikel 13 EVRM en artikel 47 EU-handvest) zijn geschonden. Deze rechten zijn geschonden omdat de officier van justitie geen deugdelijke motivering heeft gegeven, de kantonrechter dit erkent maar niet corrigeert en daarnaast het kernargument van de betrokkene over de onvolledigheid van het meetsysteem negeert. Het hof heeft volgens de betrokkene de bevoegdheid – en plicht – om het beroep ontvankelijk te verklaren om rechtsongelijkheid te voorkomen. 4. In artikel 6 en artikel 13 van het EVRM is, kort samengevat, bepaald dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Artikel 47 van het EU-handvest is hierop gebaseerd en komt qua strekking overeen. 5. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het appelverbod als zodanig niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Deze bepalingen geven geen onbeperkt recht op inhoudelijke behandeling van een zaak in hoger beroep. In bepaalde gevallen is met de behandeling van de zaak door de officier van justitie en de kantonrechter voldoende uitvoering gegeven aan de hiervoor genoemde rechten. In een eerdere arresten heeft het hof hierover geoordeeld (vgl. het arrest van het hof van 14 september 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:7728). 6. Het recht op hoger beroep mag worden beperkt als sprake is van bagateldelicten, wat wil zeggen dat het gaat om een kleine geldsom. In het geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv (€ 110,-), moeten deze als bagateldelicten worden gekwalificeerd. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- is uitgesloten, is daarom niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Er kan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van rechtsongelijkheid die niet is toegestaan. 7. In deze zaak gaat het om een sanctiebedrag van € 26,-. Dit moet worden aangemerkt als bagateldelict. Het appelverbod is in beginsel van toepassing. De bezwaren die de betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd komen er in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dat is geen reden om het appelverbod buiten toepassing te laten. 8. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Volledig
ECLI:NL:GHARL:2026:2167 text/xml public 2026-05-13T14:15:53 2026-04-13 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2026-04-13 200.362.445/01 Uitspraak Hoger beroep NL Leeuwarden Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht Strafrecht; Strafprocesrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2167 text/html public 2026-05-13T14:15:40 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHARL:2026:2167 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden , 13-04-2026 / 200.362.445/01 Appelverbod. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het appelverbod als zodanig niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Het recht op hoger beroep mag worden beperkt als sprake is van bagateldelicten. Van een schending van artikel 6 van het EVRM, artikel 13 van het EVRM of artikel 47 van het EU-handvest is geen sprake GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN zittingsplaats Leeuwarden Zaaknummer : Wahv 200.362.445/01 CJIB-nummer : 265053004 Uitspraak d.d. : 13 april 2026 Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 7 november 2025, betreffende [betrokkene] (hierna: de betrokkene), wonende te [woonplaats] . De beslissing van de kantonrechter De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verloop van de procedure De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend. De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De beoordeling 1. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter: wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist. 2. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 26,-. 3. De betrokkene voert aan, zo begrijpt het hof, dat het in artikel 14, eerste lid, van de Wahv neergelegde appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten omdat in deze zaak het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) en het recht op een effectieve rechtsbescherming (artikel 13 EVRM en artikel 47 EU-handvest) zijn geschonden. Deze rechten zijn geschonden omdat de officier van justitie geen deugdelijke motivering heeft gegeven, de kantonrechter dit erkent maar niet corrigeert en daarnaast het kernargument van de betrokkene over de onvolledigheid van het meetsysteem negeert. Het hof heeft volgens de betrokkene de bevoegdheid – en plicht – om het beroep ontvankelijk te verklaren om rechtsongelijkheid te voorkomen. 4. In artikel 6 en artikel 13 van het EVRM is, kort samengevat, bepaald dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces en recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. Artikel 47 van het EU-handvest is hierop gebaseerd en komt qua strekking overeen. 5. Volgens vaste jurisprudentie van het hof is het appelverbod als zodanig niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Deze bepalingen geven geen onbeperkt recht op inhoudelijke behandeling van een zaak in hoger beroep. In bepaalde gevallen is met de behandeling van de zaak door de officier van justitie en de kantonrechter voldoende uitvoering gegeven aan de hiervoor genoemde rechten. In een eerdere arresten heeft het hof hierover geoordeeld (vgl. het arrest van het hof van 14 september 2023, te vinden op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:7728). 6. Het recht op hoger beroep mag worden beperkt als sprake is van bagateldelicten, wat wil zeggen dat het gaat om een kleine geldsom. In het geval van gedragingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv, met een sanctiebedrag onder de appelgrens van artikel 14, eerste lid, van de Wahv (€ 110,-), moeten deze als bagateldelicten worden gekwalificeerd. Dat het recht op hoger beroep tegen beslissingen waarbij een sanctie is opgelegd van niet meer dan € 110,- is uitgesloten, is daarom niet in strijd met rechtstreeks werkende bepalingen van internationaal recht. Er kan ook niet worden geoordeeld dat sprake is van rechtsongelijkheid die niet is toegestaan. 7. In deze zaak gaat het om een sanctiebedrag van € 26,-. Dit moet worden aangemerkt als bagateldelict. Het appelverbod is in beginsel van toepassing. De bezwaren die de betrokkene in hoger beroep heeft aangevoerd komen er in de kern op neer dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dat is geen reden om het appelverbod buiten toepassing te laten. 8. Het hof zal het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. De beslissing Het gerechtshof: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.