Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-06-03
ECLI:NL:GHARL:2025:3408
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,515 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.351.471/01
CJIB-nummer
: 255197796
Uitspraak d.d.
: 3 juni 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 2 december 2024, betreffende
[de betrokkene] V.O.F. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie van € 400,- opgelegd voor: “voor motorrijtuig of aanhangwagen met toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg is geen keuringsbewijs afgegeven”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 18 januari 2023 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene kan zich niet vinden in de beslissing van de kantonrechter en voert aan dat de aangevoerde omstandigheden wel degelijk nopen tot matiging van de sanctie. Het voertuig is sinds de tenaamstelling in 2016 ieder jaar opnieuw geschorst. Het voertuig is een familie erfstuk dat de betrokkene niet weg wilde doen, maar er kan ook niet meer mee gereden worden. De gemachtigde wijst erop dat eerder foto’s zijn ingebracht waaruit blijkt dat het voertuig al jaren achterin een loods stilstaat.
3. Gelet op de aangevoerde omstandigheden en het gegeven dat uit het BCS-portaal volgt dat het voertuig sinds de tenaamstelling in 2016 inderdaad telkens is geschorst, stelt de advocaat-generaal zich op het standpunt dat de sanctie gematigd kan worden tot de helft van het sanctiebedrag, namelijk tot € 200,-.
4. Dat de gedraging is verricht, wordt niet betwist en staat dan ook vast. Gelet op wat de gemachtigde aanvoert, dient het hof te beoordelen of er redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.
5. Het is vaste rechtspraak dat op grond van de wettelijke bepalingen met betrekking tot de keuringsplicht een zorgplicht bestaat voor kentekenhouders om tijdig hun voertuig te laten keuren, ongeacht of dit op de weg wordt gebruikt of niet. Kennelijk is de betrokkene zich hier bewust van geweest, omdat hij de geldigheid van het kenteken sinds 2016 heeft geschorst. Dat die schorsing op enig moment is verlopen en de betrokkene daar niet adequaat op heeft gereageerd, is een omstandigheid waarvan de gevolgen voor zijn rekening komen. Echter, in aanmerking genomen dat het openbaar ministerie beschikt over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van de sanctie lager vast te stellen als de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht dat rechtvaardigen, zal het hof het openbaar ministerie hierin volgen en het bedrag van de sanctie matigen tot € 200,-.
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De ambtenaar kan het bedrag van de sanctie niet matigen in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht of de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert zodat niet sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (zie het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1012). Dit brengt mee dat de proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen.
7. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandeling die voor vergoeding in aanmerking komt niet de factor, genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (zie de arresten van dit hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 907,- (= 2 x € 907,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt vastgesteld op € 200,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 907,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.