Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-02-26
ECLI:NL:GHARL:2025:1098
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,694 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.858/01
CJIB-nummer
: 248459529
Uitspraak d.d.
: 26 februari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 11 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 149,63. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 218,75.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 5 februari 2025 heeft de advocaat-generaal een nader schriftelijk standpunt ingediend.
De gemachtigde heeft hierop schriftelijk gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 12 februari 2025. Namens de gemachtigde van de betrokkene is [naam1] verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam2] .
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 18 maart 2022 om 15.39 uur op de Sittarderweg in Vianen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gronden van het hoger beroep zien, gelet op de toelichting ter zitting, slechts op (de hoogte van) de proceskostenvergoeding. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter ten onrechte ambtshalve heeft besloten de wegingsfactor “zeer licht” toe te passen bij de toekenning van de kostenvergoeding voor de kantonfase. Onder verwijzing naar de arresten van dit hof van 11 augustus 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:6787), 17 april 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:3248) en 30 maart 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:2770) komt de beslissing van de kantonrechter op dit punt voor vernietiging in aanmerking, aldus de gemachtigde. De gemachtigde voert verder aan dat bij een proceskostenveroordeling artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) buiten toepassing zou moeten worden gelaten.
3. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal heeft bij brief van 5 februari 2025 verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46). Hierbij legt de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal aan het hof de vraag voor of dit arrest aanleiding vormt om - al dan niet deels - tot een heroverweging te komen van de lijn zoals opgenomen in de arresten van dit hof van 17 december 2024 (ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769).
4. De kantonrechter heeft onder verwijzing naar het arrest van het hof van 22 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9934) het sanctiebedrag gematigd omdat de betrokkene, die zich niet liet bijstaan door een professioneel gemachtigde, in administratief beroep niet is gehoord door de officier van justitie en wegens een schending van de redelijke termijn in eerste aanleg. Daarmee is de betrokkene (gedeeltelijk) in het gelijk gesteld en bestaat (terecht) grond voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. De kantonrechter heeft in dit kader evenwel overwogen dat gelet op de geringe bewerkelijkheid en complexiteit van de zaak, in combinatie met het geringe financiële belang de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) wordt toegepast en daarbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162.
5. Onder verwijzing naar het arrest van het hof van 21 januari 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:253) oordeelt het hof dat de bestreden beslissing op dit punt niet in stand kan blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter voor wat betreft zijn beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen.
6. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 907,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
7. De proceskosten in hoger beroep komen ook voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het hoger beroepschrift, een nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof worden in totaal 2,5 punten toegekend. Omdat de betrokkene in hoger beroep alleen in het gelijk wordt gesteld ten aanzien van de proceskostenvergoeding wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Het hof past op de in hoger beroep verrichte proceshandelingen niet de factor genoemd in artikel 13a, tweede lid, van de Wahv (nieuw) toe, omdat het hof deze bepaling buiten toepassing laat (vgl. de arresten van het hof van 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7764, 7768 en 7769). Het hof ziet in het betoog van de vertegenwoordiger van de advocaat-generaal geen aanleiding om tot een heroverweging te komen van hetgeen is geoordeeld in de hiervoor genoemde arresten van 17 december 2024.
8. Gelet op het voorgaande bedraagt de vergoeding voor de gemaakte proceskosten:
€ 1.020,38 (= (1 x € 907,- x 0,5) + (2,5 x € 907,- x 0,25)).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij is beslist op het verzoek om een proceskostenvergoeding;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.020,38.
Dit arrest is gewezen door mr. Willems-Keekstra, in tegenwoordigheid van mr. Reuver als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.