Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-23
ECLI:NL:GHARL:2025:336
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,204 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.340.643 en 200.344.290
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 490276 en 496344)
beschikking van 23 januari 2025
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. W.M.W. Aalsma te Zaandam,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. G.H. Zijlstra te Soesterberg.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 april 2020, twee beschikkingen van 18 september 2020, 5 november 2021, 11 februari 2022, 18 mei 2022, 22 september 2023 en 16 februari 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties 1 tot en met 41, ingekomen op 30 april 2024;
- het verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep en voorwaardelijk verzoek
vermeerdering verzoek met producties 1 tot en met 22;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep;
- een journaalbericht van mr. Aalsma van 21 mei 2024 met ontbrekende stukken uit het
procesdossier eerste aanleg;
- een journaalbericht van mr. Aalsma van 22 mei 2024 met ontbrekende stukken uit het
procesdossier eerste aanleg;
- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 7 augustus 2024 (verzoek uitstel mondelinge
behandeling);
- een journaalbericht van mr. Aalsma van 3 oktober 2024 met producties 42 en 43;
- een journaalbericht van mr. Aalsma van 21 oktober 2024 met producties 44 en 45;
- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 28 oktober 2024 met producties 23 tot en met 37;
- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 4 november 2024 met producties 38 tot en met 45;
- een journaalbericht van mr. Aalsma van 6 november 2024 met productie 46;
- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 6 november 2024 met een (uitbreiding van het)
bewijsaanbod (horen getuige); en
- een journaalbericht van mr. Aalsma van 7 november 2024 als reactie daarop;
- een journaalbericht van mr. Zijlstra van 7 november 2024 met een brief, in reactie op het
journaalbericht van mr. Aalsma van 6 november 2024.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 8 november 2024 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Feiten
3.1
Partijen zijn [in] 1990 op huwelijkse voorwaarden gehuwd.
3.2
De vrouw heeft op 21 oktober 2019 een verzoek tot echtscheiding en tot het treffen van nevenvoorzieningen ingediend. De man heeft verweer gevoerd en tegenverzoeken gedaan.
3.3
Bij de beschikking van 18 september 2020 (met zaaknummer 490276) is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 28 december 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk is geëindigd.
3.4
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 18 september 2021 (met zaaknummer 508295) heeft de rechtbank voor de duur van de echtscheidingsprocedure beslist dat de vrouw vanaf 1 oktober 2020 voorlopig een bedrag van € 1.750 bruto per maand aan de man moet betalen als bijdrage in diens kosten van levensonderhoud.
3.5
Bij de beschikking van 11 februari 2022 heeft de rechtbank een deskundige benoemd om - samengevat - de waarde van de aandelen van de onderneming van de vrouw te bepalen en de waarde van het aandeel van de man in een VOF, en aan te geven of de vrouw de helft van de waarde van de aandelen aan de man kan voldoen en welk salaris/dividend zij zich redelijkerwijs uit haar onderneming kan toekennen.
3.6
Bij de eindbeschikking van 16 februari 2024 heeft de rechtbank, samengevat:
bepaald dat de vrouw met ingang van 1 januari 2021 aan de man als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud € 5.000 bruto per maand moet betalen en met ingang van 15 mei 2023 € 8.846 bruto per maand;
de vrouw bevolen tot afgifte aan de man van een gele map en een vlieger;
de vrouw veroordeeld om in het kader van de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden aan de man € 402.812 te betalen, te voldoen in twee gelijke termijnen;
de man veroordeeld om aan de vrouw € 9.075 te voldoen ter zake de kosten van de deskundige;
Dictum
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil de door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een vergoeding door de man van de helft van de door de vrouw betaalde kosten van de accountant van de man.
4.2
De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen. Al haar grieven zien op de partneralimentatie. Zij verzoekt het hof – samengevat – de eindbeschikking en tussenbeschikkingen ten aanzien van de ingangsdatum van de partneralimentatie, de behoefte en behoeftigheid van de man en haar eigen draagkracht te vernietigen en de ingangsdatum te bepalen op de datum van de beschikking van het hof, dan wel 16 februari 2024, dan wel 15 mei 2023 dan wel een datum die het hof juist acht. Ook verzoekt zij de beschikking voorlopige voorzieningen te vernietigen dan wel een partneralimentatie vast te stellen die het hof juist acht. Verder verzoekt zij de alimentatieverplichting in duur te limiteren tot augustus 2023, dan wel 16 februari 2029, dan wel 16 februari 2030 dan wel een datum die het hof juist acht. Ook dient de man haar de te veel betaalde partneralimentatie ten bedrage van € 63.864 dan wel € 58.500 dan wel € 35.750 terug te betalen, dan wel een bedrag dat het hof juist acht. Tot slot dient de man haar € 5.000 te betalen wegens kosten van de accountant.
4.3
De man voert verweer en is op zijn beurt met vier grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De grieven zien op de partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De man verzoekt het hof het beroepschrift van de vrouw
niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren dan wel haar verzoeken af wijzen.
In zijn (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep en voorwaardelijke vermeerdering van zijn verzoek verzoekt hij, samengevat:
de eindbeschikking gedeeltelijk te vernietigen en:
te bepalen dat de vrouw met ingang van 1 januari 2021 € 8.846 per maand aan de man dient te voldoen als bijdrage in zijn kosten van levensonderhoud, dan wel een ander bedrag mits hoger dan € 5.000;
de vrouw te veroordelen in het kader van de verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden tot betaling van € 433.053 aan de man, te voldoen in twee gelijke termijnen, vermeerderd met de wettelijke rente (primair) vanaf het moment van opeisbaarheid, te weten de dag van indiening van het echtscheidingsverzoek, tot het moment van algehele voldoening, dan wel (subsidiair) vanaf 17 december 2019, tot het moment van algehele voldoening.
Een en ander met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.
4.4
De vrouw voert verweer op het incidenteel hoger beroep en voorwaardelijke vermeerdering van verzoek en verzoekt het hof dat niet-ontvankelijk dan wel ongegrond te verklaren.
Motivering
5.1
Vooraf merkt het hof het volgende op. Het beroepschrift van de vrouw was niet alleen voor het hof lastig te lezen en te begrijpen, maar ook voor de man. In zijn verweer heeft de man erop aangedrongen de vrouw daarom niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep. De man heeft niettemin inhoudelijk verweer gevoerd en uit dat verweer leidt de vrouw af dat de man de grieven van de vrouw goed heeft begrepen. Het hof heeft dit ter zitting ook aangekaart en daarom, naast de ter zitting gegeven toelichting door de advocaat van de vrouw, ook de samenvatting die de man in zijn verweerschrift van iedere grief van de vrouw heeft gegeven gebruikt om de betreffende grief van de vrouw te duiden.
5.2
Op de zitting is met partijen besproken welke punten ter beslissing aan het hof voorliggen waar het betreft de door de vrouw te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de man; de partneralimentatie. Daaruit kwam naar voren dat de behoefte van de man zoals de rechtbank die heeft vastgesteld niet ter discussie staat. Ook het inkomen dat de rechtbank voor de draagkracht van de vrouw heeft gehanteerd is geen discussiepunt. De vrouw heeft in het kader van haar draagkracht enkel gesteld dat de rechtbank bij haar lasten geen rekening heeft gehouden met de premies voor een aantal polissen oudedagsvoorziening. Daar dient volgens haar ook rekening mee worden gehouden. Verder stelt de vrouw dat de man een hogere verdiencapaciteit heeft dan het inkomen waar de rechtbank vanuit is gegaan, zodat zijn behoeftigheid lager is dan de rechtbank die heeft vastgesteld. Ten slotte hebben beide partijen grieven opgeworpen die zien op de door de rechtbank gehanteerde ingangsdata voor de verschillende bedragen aan partneralimentatie en heeft de vrouw nog een grief geformuleerd die ziet op limitering van de duur van de bijdrageverplichting.
5.3
Bij het journaalbericht van mr. Aalsma van 6 november 2024 is een productie toegevoegd met een begeleidend schrijven. De productie betreft een alimentatieberekening waarin ook een inkomensvergelijking (voorheen ‘jusvergelijking’) is opgenomen. Uit de toelichting op de productie blijkt dat namens de vrouw (alsnog) gesteld wordt dat de rechtbank heeft verzuimd een inkomensvergelijking te maken. Ter zitting is dit nog nader toegelicht en is bepleit dat deze alsnog moet worden uitgevoerd, nu het onredelijk en onbillijk is als een van partijen in een betere positie komt te verkeren dan de andere partij. Namens de man is hiertegen bezwaar gemaakt, waarbij door hem wordt gewezen op de twee-conclusieregel en de eisen van goede procesorde. Verder is aangevoerd dat in het geval het hof de inkomensvergelijking zal toelaten, de man de gelegenheid dient te krijgen zelf een berekening te maken en stukken in te dienen die nodig zijn om te komen tot een juiste inkomensvergelijking. Verderop in deze beschikking zal het hof op dit punt terugkomen.
ingangsdata partneralimentatie
5.4
De grieven 1 en 2 van de vrouw en de eerste grief van de man, alsook diens (voorwaardelijke) vermeerdering van verzoek, zien op de door de rechtbank gehanteerde ingangsdata voor de partneralimentatie. Die grieven zal het hof gezamenlijk bespreken.
5.5
De echtscheidingsbeschikking is op 28 december 2020 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en daarom heeft de rechtbank als ingangsdatum voor de partneralimentatie – uit doelmatigheidsoverwegingen – 1 januari 2021 aangehouden. In de beschikking van 16 februari 2024 heeft de rechtbank de door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie vastgesteld op € 5.000 per maand met ingang van 1 januari 2021 en op € 8.846 per maand met ingang van 15 mei 2023. Ten aanzien van dit laatste heeft de rechtbank overwogen dat de man op 15 mei 2023 zijn aanvankelijke verzoek om een bijdrage van € 5.000 per maand heeft verhoogd naar een bijdrage van € 11.000 per maand en de vrouw eerst vanaf 15 mei 2023 rekening kon houden met een hogere bijdrage dan € 5.000 per maand
5.6
Beide partijen zijn het daarmee niet eens. De vrouw stelt dat vaststelling van enige bijdrage met terugwerking tot 1 januari 2021 niet redelijk is, zeker nu het deskundigen-rapport waarop de rechtbank zich heeft gebaseerd zo lang op zich heeft laten wachten. De datum van de beschikking van de rechtbank (16 februari 2024) ligt volgens de vrouw meer voor de hand als ingangsdatum, dan wel 15 mei 2023 dan wel een datum die het hof juist acht. De man daarentegen stelt dat de vrouw er vanaf 1 januari 2021 rekening mee kon houden dat zij een bijdrage conform haar draagkracht zou moeten betalen en de door de rechtbank berekende bijdrage van € 8.846 dient volgens hem daarom met ingang van 1 januari 2021 te worden opgelegd.
5.7
Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het (inleidend) processtuk waarin het verzoek is gedaan en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank heeft ervoor gekozen om de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn (de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking) als ingangsdatum te kiezen. Het hof ziet in hetgeen de vrouw in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om een latere ingangsdatum te bepalen. In die afweging weegt mee dat de vrouw niet gesteld heeft dat zij de door de rechtbank in de beschikking van 16 februari 2024 opgelegde bijdrage ondanks de terugwerkende kracht niet kan betalen. Dat is het hof uit de stukken en het verhandelde ter zitting ook niet gebleken. Integendeel: de vrouw heeft ter zitting aangegeven dat zij bij is met betalen en de man heeft dit erkend. Het is naar het oordeel van het hof voorts redelijk om een ‘knip’ te zetten bij 15 mei 2023. Aanvankelijk had de man immers om een bijdrage van € 5.000 verzocht. Zou hij dit verzoek op 15 mei 2023 niet hebben aangepast, dan had de rechtbank dit ook als bijdrage opgelegd, ook als zou blijken dat de draagkracht van de vrouw hoger is dan dit bedrag, zoals het geval is. Er kan namelijk door de rechter niet meer worden toegewezen dan hetgeen is verzocht. Nu de man zijn verzoek echter heeft aangepast aan de bevindingen van de deskundige en op 15 mei 2023 om een hogere bijdrage heeft verzocht, markeert dit een nieuw ijkpunt. Vanaf die datum kon de vrouw er redelijkerwijs rekening mee houden dat de bijdrage hoger zou worden dan de aanvankelijk verzochte € 5.000 per maand. De grieven 1 en 2 van de vrouw en grief 1 van de man falen. Aan behandeling van de voorwaardelijke vermeerdering van verzoek van de zijde van de man komt het hof dan niet meer toe.
de verdiencapaciteit van de man (behoeftigheid)
5.8
De grieven 3 en 4 van de vrouw, zo bleek ter zitting, hangen met elkaar samen en hebben betrekking op de verdiencapaciteit van de man. De rechtbank is voor wat betreft het inkomen van de man (per 1 januari 2022) uitgegaan van een winst uit onderneming van € 28.599. Volgens de rechtbank is de man niet in staat meer te verdienen. De vrouw stelt dat de man, gelet op diens kennis en ervaring, in staat moet worden geacht om een jaarinkomen van € 49.738 te genereren. Daarbij baseert de vrouw zich op de Horeca-cao.
5.9
De man betwist dat hij een dergelijk inkomen kan verdienen. De salarisschaal in de cao waar de vrouw op doelt kan hij nooit halen; die is voor ervaren hbo/wo-managers en dat is hij niet. Gelet op zijn leeftijd, opleiding(sniveau) en gezondheid is volgens de man een hogere verdiencapaciteit dan € 28.599 niet reëel.
Dictum
Alvorens verder de beslissen:
6.1
stelt partijen tot drie weken na de datum van deze beschikking in de gelegenheid om de gegevens als bedoeld in rechtsoverweging 5.16 aan het hof en de wederpartij te doen toekomen onder overlegging van voor een inkomensvergelijking relevante draagkrachtberekeningen en daarna krijgen partijen ieder nog een termijn van twee weken om kort en bondig schriftelijk (maximaal twee A4) op elkaar te reageren;
6.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, H. Phaff en L. Hamer, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 23 januari 2025 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
ECLI:NL:HR:2011:BU6591
Motivering
Bovendien, zelfs al zou de man € 49.738 per jaar verdienen dan nog komt hij gezien zijn hoge behoefte volgens zijn berekening bruto € 9.041 tekort en is de draagkracht van de vrouw nog steeds de beperkende factor.
5.10
Het hof overweegt dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat de man een verdiencapaciteit heeft zoals zij die stelt. De enkele verwijzing naar salarisschalen uit een cao is daartoe onvoldoende. Uit de (jaar)stukken blijkt ook niet dat de man ooit een dergelijk inkomen heeft gehad of dat had kunnen verdienen. De man heeft altijd in het bedrijf bij zijn ouders gewerkt en nooit (elders) in loondienst. Weliswaar betwist de vrouw de juistheid van de door de man overgelegde stukken, maar zij onderbouwt niet, althans onvoldoende, waarom die stukken niet zouden deugen. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 24 september 2021 is juist namens de vrouw aangevoerd dat de man sinds jaar en dag € 28.000 onttrok uit zijn onderneming. Het hof is het overigens wel eens met de rechtbank dat van de man wel mag worden verwacht dat hij zich maximaal inspant om zich een inkomen te verwerven waarmee hij zoveel mogelijk in zijn behoefte kan voorzien, ook als dat betekent dat hij in loondienst (elders) moet werken. Vooralsnog is het hof niet gebleken dat dit op dit moment voor de man tot de mogelijkheden behoort, hetgeen echter niet betekent dat de man zich niet moet inspannen om te bezien of hij meer inkomsten kan genereren. De grieven 3 en 4 van de vrouw falen.
draagkracht van de vrouw
5.11
Zoals hiervoor al is overwogen komt de vrouw niet op tegen de berekening van haar draagkracht als zodanig, maar stelt zij in haar vijfde grief enkel dat de rechtbank verzuimd heeft met de door haar verschuldigde premies polissen oudedagsvoorziening van [naam1] , [naam2] , [naam3] en [naam4] van samen € 456,56 per maand rekening te houden, terwijl de rechtbank die polissen in rechtsoverweging 3.19 van de beschikking van 16 februari 2024 wel noemt. De man betwist dat de vrouw die premies verschuldigd is, omdat de vrouw daar geen betalingsbewijzen van heeft overgelegd en al zou dit wel zo zijn dan nog dienen deze premies volgens de man niet in mindering op haar draagkracht te komen.
5.12
Het hof overweegt dat voor de berekening van de draagkracht ook (redelijke) lasten van de onderhoudsplichtige in de beschouwing dienen te worden betrokken. Naast de normale in de bijstandsnorm verdisconteerde uitgaven kan rekening worden gehouden met andere uitgaven. Het is dan wel aan de onderhoudsplichtige om die uitgaven, als deze door de wederpartij worden betwist, aan te tonen. Dat de rechtbank in de opsomming van de te verrekenen vermogens in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden een aantal polissen en daarbij behorende waardes noemt, betekent nog niet dat de vrouw daar maandelijks ook lasten voor verschuldigd is. Dat is door de vrouw niet aangetoond terwijl dat wel van haar verwacht mocht worden, omdat dit door de man wordt betwist. In haar beroepschrift noemt de vrouw wel de maandelijkse premies voor een viertal polissen, maar zij toont niet aan deze daadwerkelijk te betalen - bijvoorbeeld door middel van bankafschriften - terwijl dat wel op haar weg ligt. Overigens ziet het hof niet in waarom, zoals de man stelt, sowieso niet met deze premies rekening zou moeten worden gehouden. De vrouw is ondernemer en dient dus zelf voor haar oudedagsvoorziening zorg te dragen, wat gelet op het feit dat de vrouw aan de man partneralimentatie moet betalen ook in het belang van de man is.
limitering
5.13
In haar zesde grief stelt de vrouw dat de man in redelijkheid niet twaalf jaar lang – te rekenen vanaf 28 december 2020 – aanspraak heeft op een bijdrage in zijn levensonderhoud. Partijen wonen volgens haar namelijk al sinds 2018 niet meer samen en de man heeft zijn verdiencapaciteit niet inzichtelijk gemaakt en levert geen inspanningen die te verbeteren. Bovendien heeft de man nog steeds zijn woonlasten niet inzichtelijk gemaakt. De vrouw gaat ervan uit dat de man deze niet of nauwelijks heeft, omdat hij bij zijn moeder inwoont. Daarom dient volgens de vrouw de duur van de alimentatieverplichting te worden gelimiteerd tot vijf jaar, te rekenen vanaf het moment van feitelijk uiteengaan en dus tot augustus 2023, dan wel ingaande per 16 februari 2024 en dus eindigend op 16 februari 2029, dan wel ingaande per aanvang van de alimentatieverplichting en eindigend op 16 februari 2030.
5.14
Het hof overweegt dat gelet op de datum indiening van het inleidend verzoekschrift de duur van de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Dit betekent dat in het geval van partijen de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege eindigt op 28 december 2032. Door limitering (in tijd) van de alimentatieverplichting komt aan het einde van die termijn een definitief einde aan de alimentatieverplichting, maar daarvoor is slechts aanleiding als reeds nu met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat de man binnen de door de vrouw voorgestelde termijn in staat zal zijn om geheel in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Dat is niet het geval: het eerste tijdvak dat de vrouw noemt is al om, zonder dat de man geheel in zijn behoefte kon voorzien. De laatste periode die de vrouw noemt zou eindigen in 2030 en ten aanzien daarvan en gelet op de hoogte van de behoefte van de man is nu nog onvoldoende zeker dat de man binnen die door de vrouw gestelde termijn geheel in eigen levensonderhoud/behoefte zal kunnen voorzien. Het hof zal het verzoek van de vrouw om haar onderhoudsverplichting in tijd te limiteren daarom afwijzen.
inkomensvergelijking (jusvergelijking)
5.15
Hiervoor is al ter sprake gekomen dat de vrouw heeft verzocht om alsnog een inkomensvergelijking toe te passen. Hoewel de vrouw zeer laat in de procedure met dit verzoek is gekomen, zal het hof dit desalniettemin inwilligen. Nu sprake is van eigen inkomen van de man en een relatief hoge behoefte en hoge draagkracht bij de vrouw is het naar het oordeel van het hof redelijk om de financiële situatie van partijen op basis van ieders inkomen en lasten te vergelijken. Het is niet redelijk als de onderhoudsgerechtigde jarenlang in een betere financiële situatie wordt gebracht dat de onderhoudsplichtige.
5.16
Het hof zal daarom, mede gelet op het late moment van het verzoek en de bezwaren van de man, partijen in de gelegenheid stellen het hof van die gegevens te voorzien die nodig zijn om alsnog een inkomensvergelijking te kunnen maken, waarbij de berekening van de rechtbank als uitgangspunt dient. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen staan de inkomens van partijen daarbij vast en zal met premies polissen oudedagsvoorziening geen rekening wordt gehouden, omdat de vrouw niet heeft aangetoond die verschuldigd te zijn of te betalen. Het hof zal partijen tot uiterlijk drie weken na de datum van deze beschikking de tijd geven om die gegevens aan het hof en de wederpartij te doen toekomen, waarbij partijen zich dienen te beperken tot het enkel verstrekking van die gegevens met - indien nodig - een korte toelichting. Vervolgens krijgen partijen ieder nog een termijn van twee weken nadien om schriftelijk kort en bondig op elkaar te reageren en daarbij de gegevens te verwerken in een draagkrachtvergelijking. Daarna zal het hof een eindbeschikking geven. De beslissing ten aanzien van de partneralimentatie zal worden aangehouden vijf weken na de datum van deze beschikking.
Motivering
declaraties van de accountant
5.17
De overige grieven van partijen hebben betrekking op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en een vergoeding door de man van de helft van de door de vrouw betaalde kosten van de accountant van de man. In haar zevende grief wijst de vrouw op de overweging van de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen van 18 september 2020 waarin wordt overwogen dat partijen op zitting hebben afgesproken dat de vrouw de declaraties van de accountant van de man (welke declaraties op naam van de man zullen worden gesteld) zal betalen die nodig zijn om de jaarstukken van zijn onderneming op te stellen met een maximum van € 5.000, omdat de man daarvoor geen geld had. De vrouw stelt dat die afspraak erop neerkomt dat zij die declaraties zou voorschieten en de man die dus weer terug moet betalen. Dat heeft hij niet gedaan en dat moet dus alsnog, aldus de vrouw.
5.18
Zoals de man ook in zijn verweer heeft vermeld, heeft de rechtbank hier enkel een afspraak van partijen in de beschikking vastgelegd en niet zelf een beslissing genomen. Het hof kan dus ook geen beslissing van de rechtbank herbeoordelen en dus faalt de grief. Wel merkt het hof op dat afspraken moeten worden nagekomen.
negatief vermogen van de man verrekenen?
5.19
In hun huwelijkse voorwaarden hebben partijen, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
Artikel 1
De echtgenoten zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen.
(…)
Artikel 6
De kosten van de huishouding komen ten laste van beide echtgenoten in evenredigheid van hun netto-inkomens. Voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van beide echtgenoten in evenredigheid van hun netto-vermogens.
Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen over het betreffende kalenderjaar, na aftrek van daarover verschuldigde belastingen, (premie)heffingen en overige wettelijke inhoudingen. Winst uit aanmerkelijk belang en de daarover verschuldigde belasting blijft hierbij buiten aanmerking.
(…)
Artikel 8
1. Hetgeen aan het einde van elk kalenderjaar van het netto inkomen van een echtgenoot na aftrek van de kosten van de huishouding overblijft, zal aan ieder van de echtgenoten voor de helft toekomen, terzake waarvan de echtgenoten te allen tijde verrekening kunnen vorderen. (…)
5.20
Vast staat dat partijen gedurende hun huwelijk geen uitvoering hebben gegeven aan voormeld periodiek verrekenbeding. De rechtbank heeft overwogen dat artikel 1:141 lid 1 BW bepaalt dat de verplichting tot verrekening niettemin in stand blijft en zich uitstrekt over het saldo, ontstaan door belegging en herbelegging van hetgeen niet verrekend is. Vervolgens heeft de rechtbank gewezen op lid 3 van dit wetsartikel waaruit volgt dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. Ter uitvoering van de verrekening dienden daarom de vermogens van partijen te worden vastgesteld, waarbij de rechtbank het vermogen van de vrouw heeft berekend op een waarde van € 817.174 en dat van de man op -/- € 60.482. Partijen verschillen van mening of het negatief vermogen van de man moet worden verrekend. De rechtbank heeft ten aanzien daarvan overwogen dat partijen hun standpunten hieromtrent nauwelijks hebben toegelicht en dat in de huwelijkse voorwaarden ook geen aanknopingspunt zijn te vinden. Uit het systeem van de wet volgt volgens de rechtbank dat op een partij geen verrekenplicht rust als het vermogen van de betreffende echtgenoot op de peildatum negatief was. Daarom laat de rechtbank het negatieve vermogen van de man buiten beschouwing en beslist dat de vrouw aan de man (€ 408.587,35 minus een tweetal niet in geschil zijnde verrekenposten =) € 402.812 moet voldoen.
5.21
In zijn tweede grief komt de man op tegen die beslissing. Uit een uitspraak van de Hoge Raad van 8 maart 2024 (ECLI:NL:HR:2024:338) blijkt volgens de man dat negatief vermogen wél dient te worden verrekend en dus dient de vrouw hem nog (€ 60.482: 2 =)
€ 30.241 extra te voldoen. De vrouw betwist de stelling van de man en voert aan dat de door de man genoemde uitspraak op partijen niet van toepassing is. Verder wijst zij op de akte van de man van 30 juli 2020 waarin de man zelf schrijft dat een negatief vof-aandeel – waarvan in het geval van de man sprake is – niet behoeft te worden verrekend.
5.22
Het hof overweegt dat de Hoge Raad in het door de man genoemde arrest niet expliciet heeft overwogen of beslist dat een negatief vermogen van een van de echtgenoten (dus na saldering van diens bezittingen en schulden) dient te worden verrekend op grond van artikel 1:141 lid 3 BW. Die vraag lag in die casus ook niet voor. In dat arrest is enkel overwogen: ‘Voor zover het onderdeel in 2.3.8 tot uitgangspunt neemt dat bij de afwikkeling van een periodiek verrekenbeding op de voet van art. 1:141 lid 1 BW schulden nooit in aanmerking kunnen worden genomen als deel van het te verrekenen vermogen, berust het op een onjuiste rechtsopvatting.’ En: ‘Anders dan het onderdeel in 2.3.8 betoogt, ziet het bewijsvermoeden van artikel 1:141 lid 3 BW ook op schulden.’ De vraag waar het in die zaak om ging was of een schuld van de vrouw aan de man wegens door hem te veel betaalde kosten huishouding tot het te verrekenen vermogen van de vrouw behoorde; dat is een ander vraagstuk dan hetgeen thans voorligt. In de zaak nu bij het hof is door de man niet gesteld dat hij teveel aan de kosten van de huishouding heeft betaald en hij daardoor een vordering op de vrouw heeft, maar wordt gesteld dat het negatief saldo van zijn bezittingen en schulden in de verrekening moet worden betrokken. De zaak uit het door de man aangehaalde arrest is dus niet vergelijkbaar met die van partijen.
5.23
Daarmee is de vraag of het negatief vermogen van de man moet worden verrekend nog niet beantwoord. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is in de huwelijkse voorwaarden niet beschreven wat te doen in het geval dat een van de vermogens van partijen negatief is. Het hof overweegt dat het verrekenbeding uit de huwelijkse voorwaarden ziet op verrekening van overgespaarde inkomsten, dus hetgeen van de inkomsten na betaling van de belasting daarover en voldoening van de kosten van de huishouding nog over is. Het negatief vermogen van de man van € 60.482 wordt grotendeels gevormd door zijn negatief aandeel in de Vof van € 79.987. Daartegenover staat enkel een actief van € 19.505 zijnde de waarde van een polis van de [naam2] . Het ligt naar het oordeel van het hof niet voor de hand dat een negatief vof-aandeel (feitelijk een schuld aan de vof) is aan te merken als te zijn gevormd uit niet verrekend inkomen. Dat heeft de man ook niet gesteld. Het hof ziet kortom geen aanknopingspunten om het negatief vermogen van de man te verrekenen, noch in de feitelijke gang van zaken noch op grond van jurisprudentie. Grief 2 van de man faalt.
de wettelijke rente
5.24
De rechtbank heeft berekend dat de vrouw € 402.812 aan de man moet voldoen ten gevolge van het door partijen in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen verrekenbeding.