Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-04-30
ECLI:NL:GHARL:2024:3019
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,872 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.337/01
CJIB-nummer
: 242465460
Uitspraak d.d.
: 30 april 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 25 september 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juli 2021 om 15.36 uur op de Verlengde Arnhemseweg in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechte, die heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, ten onrechte geen strafkorting van 25% heeft toegepast. Ook bij een geringe overschrijding dient dat plaats te vinden.
3. Uit het zaakoverzicht volgt dat op 14 juli 2021 de initiële beschikking is verstuurd. Op 27 september 2021 is vervolgens een eerste aanmaning verstuurd. Daarna heeft een beoordeling plaatsgevonden en is op 27 oktober 2021 de initiële beschikking opnieuw toegestuurd. Dat is de beschikking waartegen administratief beroep is ingesteld. Het hof beschouwt 27 oktober 2021 als het op basis van de stukken vast te stellen moment waarop de betrokkene kennelijk op de hoogte is geraakt van de boete en dus het moment waarop de redelijke termijn van berechting aanvangt.
Nu de kantonrechter op 25 september 2023 op het beroep heeft beslist, kan niet gezegd worden dat redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden.
4. De kantonrechter heeft dit miskend door de oordelen dat de redelijke termijn wel is overschreden. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.
5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.337/01
CJIB-nummer
: 242465460
Uitspraak d.d.
: 30 april 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 25 september 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 6 juli 2021 om 15.36 uur op de Verlengde Arnhemseweg in Ede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechte, die heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, ten onrechte geen strafkorting van 25% heeft toegepast. Ook bij een geringe overschrijding dient dat plaats te vinden.
3. Uit het zaakoverzicht volgt dat op 14 juli 2021 de initiële beschikking is verstuurd. Op 27 september 2021 is vervolgens een eerste aanmaning verstuurd. Daarna heeft een beoordeling plaatsgevonden en is op 27 oktober 2021 de initiële beschikking opnieuw toegestuurd. Dat is de beschikking waartegen administratief beroep is ingesteld. Het hof beschouwt 27 oktober 2021 als het op basis van de stukken vast te stellen moment waarop de betrokkene kennelijk op de hoogte is geraakt van de boete en dus het moment waarop de redelijke termijn van berechting aanvangt.
Nu de kantonrechter op 25 september 2023 op het beroep heeft beslist, kan niet gezegd worden dat redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden.
4. De kantonrechter heeft dit miskend door de oordelen dat de redelijke termijn wel is overschreden. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter bevestigen met verbetering van gronden.
5. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.