Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-05-10
ECLI:NL:GHARL:2023:3957
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,914 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.219/01
CJIB-nummer
: 240668951
Uitspraak d.d.
: 10 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen dat geen gronden van beroep zijn ingediend, ook niet nadat de gemachtigde bij brieven van de (naar het hof begrijpt: griffier van de) rechtbank van 21 januari 2022 en 15 juni 2022 in de gelegenheid is gesteld.
Dictum
3. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd
van € 100,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid met ander doel dan aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2021 om 16:30 uur op de Oostpoortweg in Delft met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging ontkent en dat deze niet op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld. De ambtenaar verklaart slechts dat hij niemand zag staan bij de stadsplattegrond. Het onderbord vereist niet dat de parkeerder de aldaar geplaatste stadsplattegrond raadpleegt. Op het onderbord staat “uitsluitend tbv raadplegen plattegrond” en dat heeft de betrokkene gedaan. Hij is naar het adres van een bekende gelopen om daar de plattegrond te bekijken via Google Maps en is vervolgens weer vertrokken. Aangezien de Wahv-sanctie een criminal charge is in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), rust de bewijslast van de vermeende gedraging op de ambtenaar. Deze heeft met zijn verklaring onvoldoende aangetoond dat de betrokkene geen plattegrond heeft geraadpleegd.
5. De onder 3. genoemde gedraging is een overtreding van artikel 24, aanhef en eerste lid, onder d sub 2°, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeergelegenheid op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven.
6. Artikel 67, eerste lid onder a van het RVV 1990 bepaalt dat onder verkeersborden aangebrachte onderborden een nadere uitleg van het verkeersbord kunnen inhouden.
7. De ambtenaar heeft verklaard dat zij de auto geparkeerd zag staan op een met bord E4 van bijlage I bij het RVV 1990 aangeduide parkeergelegenheid. Het bord E4 was voorzien van een onderbord met daarop de tekst “uitsluitend tbv raadplegen plattegrond.” Zij zag bij de stadsplattegrond geen persoon staan die deze raadpleegde en heeft een pardontijd van 10 minuten in acht genomen. De ambtenaar heeft ter plaatse ook foto’s gemaakt. Daarop staan de genoemde bebording, de auto en de ter plaatse aanwezige stadplattegrond, alle drie op een strook ter rechterzijde van de rijbaan.
8. Het hof is van oordeel dat door middel van de combinatie van het bord E4 met het daaronder geplaatste onderbord duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangeduid dat van de betreffende parkeergelegenheid uitsluitend gebruik gemaakt mag worden om de ter plaatse aanwezige (stads)plattegrond te raadplegen. Dat vergt dat de bestuurder ter plaatse aanwezig is.
9. Nu de bestuurder, zoals de ambtenaar verklaart, niet in de buurt van het voertuig was en waaruit volgt dat hij met een ander doel gebruik heeft gemaakt van de parkeergelegenheid dan waarvoor deze bedoeld was, stelt het hof op basis van de verklaring van de ambtenaar vast dat de gedraging is verricht.
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond wordt verklaard.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.219/01
CJIB-nummer
: 240668951
Uitspraak d.d.
: 10 mei 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard en daartoe overwogen dat geen gronden van beroep zijn ingediend, ook niet nadat de gemachtigde bij brieven van de (naar het hof begrijpt: griffier van de) rechtbank van 21 januari 2022 en 15 juni 2022 in de gelegenheid is gesteld.
Dictum
3. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd
van € 100,- voor: “parkeren op parkeergelegenheid met ander doel dan aangegeven wijze”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 maart 2021 om 16:30 uur op de Oostpoortweg in Delft met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
4. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging ontkent en dat deze niet op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld. De ambtenaar verklaart slechts dat hij niemand zag staan bij de stadsplattegrond. Het onderbord vereist niet dat de parkeerder de aldaar geplaatste stadsplattegrond raadpleegt. Op het onderbord staat “uitsluitend tbv raadplegen plattegrond” en dat heeft de betrokkene gedaan. Hij is naar het adres van een bekende gelopen om daar de plattegrond te bekijken via Google Maps en is vervolgens weer vertrokken. Aangezien de Wahv-sanctie een criminal charge is in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), rust de bewijslast van de vermeende gedraging op de ambtenaar. Deze heeft met zijn verklaring onvoldoende aangetoond dat de betrokkene geen plattegrond heeft geraadpleegd.
5. De onder 3. genoemde gedraging is een overtreding van artikel 24, aanhef en eerste lid, onder d sub 2°, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeergelegenheid op een andere wijze of met een ander doel dan op het bord of op het onderbord is aangegeven.
6. Artikel 67, eerste lid onder a van het RVV 1990 bepaalt dat onder verkeersborden aangebrachte onderborden een nadere uitleg van het verkeersbord kunnen inhouden.
7. De ambtenaar heeft verklaard dat zij de auto geparkeerd zag staan op een met bord E4 van bijlage I bij het RVV 1990 aangeduide parkeergelegenheid. Het bord E4 was voorzien van een onderbord met daarop de tekst “uitsluitend tbv raadplegen plattegrond.” Zij zag bij de stadsplattegrond geen persoon staan die deze raadpleegde en heeft een pardontijd van 10 minuten in acht genomen. De ambtenaar heeft ter plaatse ook foto’s gemaakt. Daarop staan de genoemde bebording, de auto en de ter plaatse aanwezige stadplattegrond, alle drie op een strook ter rechterzijde van de rijbaan.
8. Het hof is van oordeel dat door middel van de combinatie van het bord E4 met het daaronder geplaatste onderbord duidelijk en ondubbelzinnig wordt aangeduid dat van de betreffende parkeergelegenheid uitsluitend gebruik gemaakt mag worden om de ter plaatse aanwezige (stads)plattegrond te raadplegen. Dat vergt dat de bestuurder ter plaatse aanwezig is.
9. Nu de bestuurder, zoals de ambtenaar verklaart, niet in de buurt van het voertuig was en waaruit volgt dat hij met een ander doel gebruik heeft gemaakt van de parkeergelegenheid dan waarvoor deze bedoeld was, stelt het hof op basis van de verklaring van de ambtenaar vast dat de gedraging is verricht.
10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond wordt verklaard.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.