Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-08-07
ECLI:NL:GHARL:2023:6674
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,934 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.205/01
CJIB-nummer
: 238558985
Uitspraak d.d.
: 7 augustus 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is E. Meijer, kantoorhoudende te Voorburg.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is tot een bedrag van € 397,50 toegewezen.
Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De advocaat-generaal, die in hoger beroep in de plaats treedt van de officier van justitie, heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Het hoger beroep van de officier van justitie richt zich uitsluitend tegen de proceskostenveroordeling die de kantonrechter heeft uitgesproken. In het hoger beroepschrift is gewezen op vaste jurisprudentie van het hof, inhoudende dat er voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, terwijl dat in de onderhavige zaak niet het geval is.
2. Namens de betrokkene is erkend dat in de regel alleen een proceskostenvergoeding wordt toegekend als de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. De gemachtigde wijst er echter op dat ook andere omstandigheden aanleiding kunnen geven voor het toekennen van een kostenvergoeding. In dit geval heeft de betrokkene zich grote moeite moeten getroosten om de beschikking te krijgen over een foto van de gedraging. Herhaaldelijk aan de officier van justitie gedane verzoeken om toezending van de stukken ten spijt, heeft de gemachtigde pas op de zitting van de kantonrechter voor het eerst kennis kunnen nemen van de foto.
3. De kantonrechter heeft overwogen dat de specifieke omstandigheden van het geval aanleiding geven om af te wijken van de jurisprudentie van het hof. Daar is aan ten grondslag gelegd dat het niet voldoen aan het verzoek om toezending van stukken, waardoor de betrokkene zich genoodzaakt zag beroep bij de kantonrechter in te stellen, niet past bij een behoorlijk handelend bestuursorgaan. De kantonrechter heeft daarom aanleiding gezien de officier van justitie te veroordelen in proceskosten van de betrokkene, ook al is zij niet in het gelijk gesteld.
4. Het hof overweegt het volgende.
5. In zijn arresten van 28 april 2020 en 1 april 2021 (vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786), heeft het hof geoordeeld dat – kort gezegd – in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten, wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Daarvan is sprake wanneer de inleidende beschikking wordt vernietigd of wanneer deze wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag, de omschrijving van de gedraging en/of de feitcode. Wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld, dan is er in de regel geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
6. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking ongewijzigd in stand gelaten. Gelet daarop is de betrokkene niet in het gelijk gesteld in de hiervoor bedoelde zin. Ook overigens is er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen grond voor een proceskostenveroordeling. Een schending van de informatieplicht door de officier van justitie is weliswaar onrechtmatig en daarmee grond voor vernietiging van diens beslissing, maar is niet van dien aard dat een veroordeling in de proceskosten gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat namens de betrokkene in administratief beroep herhaaldelijk om toezending van documenten was verzocht, maakt dat niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter alsnog beschikbaar zijn gekomen en dat de gemachtigde adequaat de gelegenheid heeft gehad om daarop namens de betrokkene te reageren. Gelet daarop kan niet worden gesproken van een situatie waarin de betrokkene zodanig in haar belangen is geschaad dat het niet billijk zou zijn om de proceskosten voor haar rekening te laten blijven.
7. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep gericht tegen de proceskostenveroordeling doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dat punt vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover de officier van justitie daarbij is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.314.205/01
CJIB-nummer
: 238558985
Uitspraak d.d.
: 7 augustus 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 juni 2022, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is E. Meijer, kantoorhoudende te Voorburg.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is tot een bedrag van € 397,50 toegewezen.
Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De gemachtigde van de betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Daarbij is verzocht om vergoeding van de proceskosten.
De advocaat-generaal, die in hoger beroep in de plaats treedt van de officier van justitie, heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Het hoger beroep van de officier van justitie richt zich uitsluitend tegen de proceskostenveroordeling die de kantonrechter heeft uitgesproken. In het hoger beroepschrift is gewezen op vaste jurisprudentie van het hof, inhoudende dat er voor een vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte kosten aanleiding is wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld, terwijl dat in de onderhavige zaak niet het geval is.
2. Namens de betrokkene is erkend dat in de regel alleen een proceskostenvergoeding wordt toegekend als de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. De gemachtigde wijst er echter op dat ook andere omstandigheden aanleiding kunnen geven voor het toekennen van een kostenvergoeding. In dit geval heeft de betrokkene zich grote moeite moeten getroosten om de beschikking te krijgen over een foto van de gedraging. Herhaaldelijk aan de officier van justitie gedane verzoeken om toezending van de stukken ten spijt, heeft de gemachtigde pas op de zitting van de kantonrechter voor het eerst kennis kunnen nemen van de foto.
3. De kantonrechter heeft overwogen dat de specifieke omstandigheden van het geval aanleiding geven om af te wijken van de jurisprudentie van het hof. Daar is aan ten grondslag gelegd dat het niet voldoen aan het verzoek om toezending van stukken, waardoor de betrokkene zich genoodzaakt zag beroep bij de kantonrechter in te stellen, niet past bij een behoorlijk handelend bestuursorgaan. De kantonrechter heeft daarom aanleiding gezien de officier van justitie te veroordelen in proceskosten van de betrokkene, ook al is zij niet in het gelijk gesteld.
4. Het hof overweegt het volgende.
5. In zijn arresten van 28 april 2020 en 1 april 2021 (vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786), heeft het hof geoordeeld dat – kort gezegd – in de regel een rechtens te respecteren belang bestaat bij vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte proceskosten, wanneer de betrokkene in het gelijk wordt gesteld. Daarvan is sprake wanneer de inleidende beschikking wordt vernietigd of wanneer deze wordt gewijzigd voor wat betreft het sanctiebedrag, de omschrijving van de gedraging en/of de feitcode. Wordt de betrokkene niet in het gelijk gesteld, dan is er in de regel geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
6. De kantonrechter heeft de inleidende beschikking ongewijzigd in stand gelaten. Gelet daarop is de betrokkene niet in het gelijk gesteld in de hiervoor bedoelde zin. Ook overigens is er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen grond voor een proceskostenveroordeling. Een schending van de informatieplicht door de officier van justitie is weliswaar onrechtmatig en daarmee grond voor vernietiging van diens beslissing, maar is niet van dien aard dat een veroordeling in de proceskosten gerechtvaardigd is. De omstandigheid dat namens de betrokkene in administratief beroep herhaaldelijk om toezending van documenten was verzocht, maakt dat niet anders. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de stukken in de fase van het beroep bij de kantonrechter alsnog beschikbaar zijn gekomen en dat de gemachtigde adequaat de gelegenheid heeft gehad om daarop namens de betrokkene te reageren. Gelet daarop kan niet worden gesproken van een situatie waarin de betrokkene zodanig in haar belangen is geschaad dat het niet billijk zou zijn om de proceskosten voor haar rekening te laten blijven.
7. Gelet op het voorgaande treft het hoger beroep gericht tegen de proceskostenveroordeling doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter op dat punt vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter voor zover de officier van justitie daarbij is veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.