Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2023-11-29
ECLI:NL:GHARL:2023:10180
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,483 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.321.998/01
CJIB-nummer
: 243756338
Uitspraak d.d.
: 29 november 2023
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 5 januari 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 15 november 2023. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 juli 2021 om 12:00 uur op de Haarlemmerweg in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De betrokkene heeft geen mobiel elektronisch apparaat vastgehouden tijdens het rijden. Pas nadat de betrokkene aan de ambtenaar verklaarde dat zij een foto van hem had gemaakt, heeft hij aangegeven dat daar ook een sanctie voor zou worden opgelegd. Dit zou betekenen dat de ambtenaar zijn verklaring achteraf heeft opgemaakt en het onderdeel ‘rijden’ uit de lucht heeft gegrepen. Voorts voert de gemachtigde aan dat de onderhavige sanctie ingevolgde artikel 5 van de Wahv aan de kentekenhouder opgelegd had moeten worden. De betrokkene is weliswaar staande gehouden door de ambtenaar, maar toen is haar medegedeeld dat ze op het politiebureau in Amsterdam moest verschijnen om te worden verhoord aangaande de waarnemingen van de ambtenaar. Dit betekent dat de identiteit van de bestuurder niet aanstonds is vastgesteld en de sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd. Verder stelt de gemachtigde zich op het standpunt dat in de onderhavige zaak de Aanwijzing feitgecodeerde misdrijven, overtredingen en muldergedragingen (hierna: Aanwijzing) die bedoeld is om ongewenste cumulatie van sancties te voorkomen niet in acht is genomen. De gemachtigde wijst hierbij op een recente conclusie van de advocaat-generaal, vindplaats ECLI:NL:PHR:2023:842.
3. De gemachtigde heeft voorts aangevoerd dat de officier van justitie zich tijdens de zitting bij de kantonrechter op het standpunt heeft gesteld dat diens beslissing en de inleidende beschikking moeten worden vernietigd en de kantonrechter kan - aldus de gemachtigde - gezien de eigenstandige bevoegdheid van de officier van justitie dan niet meer beslissen dat de sanctie in stand dient te blijven. Het hof volgt de gemachtigde hierin niet. Als namens het openbaar ministerie alleen het standpunt wordt ingenomen dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd, zoals in de onderhavige zaak het geval is, hoeft de kantonrechter dat standpunt niet in alle gevallen te volgen. In dit geval is het aan de kantonrechter om zelfstandig tot een beoordeling te komen inzake de vaststelling van de gedraging. De kantonrechter is in casu dan ook niet gebonden aan het ter zitting van de kantonrechter ingenomen standpunt van de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie. De aangevoerde grond treft derhalve geen doel.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurster een telefoon in haar hand had. Ik zag duidelijk dat de telefoon op mijn privé voertuig werd gericht. Ik vermoed dat de bestuurster mijn voertuig aan het filmen was. Ik zag dat ze haar telefoon in haar hand hield. Ik zag dat ze dichterbij kwam en ik zag dat de telefoon mijn richting op bleef draaien totdat ze mij voorbij reed. (…)Verklaring betrokkene: ik hield hem in eerste instantie niet vast, hij zat namelijk in de houder. Bij het stoplicht haalde ik hem eruit en filmde [naam2] . Ik heb hem niet echt gefilmd. Hij heeft mij ook niet gezien met mijn telefoon.”
6. In een aanvullend proces-verbaal van 18 april 2023 verklaart de ambtenaar, voor zover hier relevant, het volgende:“Ik zag dat de bestuurder van de Polo vreemde stuurbewegingen en overmatige stuurcorrecties maakte en onnodig links bleef rijden. (…) Ik zag dat de persoon in de Polo een apparaat vasthield wat voor mij sterk leek op een wimperkrultang. (…) Nadat wij stil stonden voor het verkeerslicht in Halfweg zag ik dat de bestuurster haar gezicht aan het deppen was. (…) Mijn vermoeden was dan ook dat de bestuurster zich aan het opmaken was tijdens het besturen van haar voertuig. (…) Ik zag op een gegeven moment dat de Polo half op de 1e rijstrook en 2e rijstrook ging rijden. Dit maakte de indruk dat de bestuurster van rijbaan ging verwisselen. Echter gebeurde dit niet en ging zij weer terug naar de 1e rijstrook. Ik heb op dat moment kortstondig op mijn claxon gedrukt om de bestuurster kenbaar te maken dat ze moest opschuiven. (…) Ik zag dat het voertuig scherp naar links en weer naar rechts ging. Kort daarop trapte de bestuurster hard op haar rem terwijl hier geen noodzaak voor was. (…) Dit heet een remmencheck. (…)
Nadat ik aangekomen was bij de kruising van de Haarlemmerweg met de Seineweg zag ik dat de Polo de rijstrook voor linksaf nam. Ik zag dat de bestuurster een telefoon in haar hand had. Ik zag duidelijk dat de telefoon op mijn privé voertuig werd gericht. Nadat ik dit zag ben ik tevens de rijstrook voor linksaf opgereden. (…)
De volgende gedragingen heb ik geconstateerd: Onvoldoende rechts houdenAfleiding (opmaken tijdens het besturen van een voertuig)Remmen checkenMobiele telefoon vasthouden tijdens het besturen van een voertuig
De volgende verbalen zijn opgemaakt:Remcheck (artikel 5 WVW 1994)Mobiele telefoon vasthoudenOnvoldoende rechts houden(…)”
7. Naar het oordeel van het hof kan gelet op de verklaringen van de ambtenaar worden vastgesteld dat de betrokkene een mobiel elektronisch apparaat heeft vastgehouden tijdens het rijden. Hieruit volgt immers dat de betrokkene een telefoon in haar hand hield en op het voertuig van de ambtenaar richtte en in diens richting bleef draaien totdat zij de ambtenaar voorbij reed. Het hof ziet geen aanleiding om te oordelen dat de verklaring van de ambtenaar achteraf moet zijn opgemaakt. Dat deze verklaring pas is opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 18 april 2023 doet naar het oordeel van het hof niet af aan de betrouwbaarheid daarvan. De grond faalt.
8. Ook de grond dat de sanctie had moeten worden opgelegd aan de kentekenhouder faalt. Zowel uit het zaakoverzicht als het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de betrokkene is staande gehouden en dat de ambtenaar hierbij het rijbewijs van de betrokkene heeft gevorderd welke vervolgens is overhandigd. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene opgelegd.
9. Artikel 1 van de vanaf 1 januari 2018 geldende Aanwijzing luidt als volgt:
Afdoening overeenkomstig de Richtlijn
Feitgecodeerde zaken worden door de opsporingsinstantie of het OM afgedaan overeenkomstig de Richtlijn voor strafvordering feitgecodeerde misdrijven en overtredingen.
Om ongewenste cumulatie te voorkomen wordt per gebeurtenis aan de betrokkene/verdachte voor ten hoogste drie overtredingen een administratieve sanctie opgelegd, een strafbeschikking uitgevaardigd of een proces-verbaal opgemaakt.
Indien, bijvoorbeeld bij het volgen van een voertuig, meerdere overtredingen kort na elkaar worden geconstateerd, wordt eveneens voor ten hoogste drie overtredingen een sanctie opgelegd of een strafbeschikking uitgevaardigd.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.