Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2022-06-01
ECLI:NL:GHARL:2022:4486
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
4,486 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.288.754/01
CJIB-nummer
: 227829799
Uitspraak d.d.
: 1 juni 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 3 november 2020, betreffende
[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 juli 2019 om 16.41 uur op de Westwal in ʼs-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene heeft verklaard dat ter plaatse geen sprake was van een vergunningshouderlocatie. Er was sprake van betaald parkeren en de bestuurder heeft een ticket gekocht. Gesteld wordt dat er geen bord E9 zichtbaar was, maar ook dat er sprake was van een duaal parkeerregime waar zowel door betaling van a-belasting als b-belasting in de zin van artikel 225 van de Gemeentewet kan worden betaald. Ter onderbouwing zijn afbeeldingen van Google Maps Street View bijgevoegd, waarop onder andere een parkeerautomaat te zien is. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat het wettelijk voorschrift niet vermeld is in de inleidende beschikking en het zaakoverzicht. Daarom is de betrokkene in haar verdedigingsbelangen geschaad.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E9 RVV 1990 aangeduide parkeerplaats welke is voorbehouden aan vergunninghouders. Ik heb geen geldige parkeervergunning waargenomen in het voertuig. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer
10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen.(…)opmerkingen ambtenaar 1: ter hoogte van huisnummer 52.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar samengevat verklaart dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene weliswaar een geldig parkeerticket had aangeschaft, maar dat het ter plaatse een parkeerplek betreft voor vergunninghouders en niet betaald parkeren. De parkeerplaatsen zijn aangeduid door middel van een bord E9 aan het begin van de Westwal en herhalingsborden aan de zijde van de straat waar de vergunninghouders-parkeerplaatsen zijn.
6. Het hof stelt vast dat de gedraging waarvoor bij de inleidende beschikking een sanctie is opgelegd de feitcode R592a betreft. Uit de door de ambtenaar overgelegde informatie leidt het hof echter af dat hij een sanctie heeft willen opleggen voor de gedraging “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend” met feitcode R397i. De grond van de gemachtigde richt zich ook hiertegen. Het sanctiebedrag voor deze gedraging is hetzelfde als het bedrag voor de gedraging waarvoor bij de inleidende beschikking een sanctie is opgelegd. Gelet hierop bestaan in zoverre tegen wijziging van de inleidende beschikking geen bezwaren.
7. Het hof zal ter beantwoording van de vraag of de inleidende beschikking moet worden gewijzigd dan wel vernietigd, het verweer van de gemachtigde beoordelen in het licht van de gedraging met feitcode R397i.
8. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd ter hoogte van nummer 52 en dat ter plaatse bebording E09 aanwezig was. De afbeeldingen die de gemachtigde heeft meegestuurd zien niet op de pleeglocatie. Het hof wil wel aannemen dat in een gedeelte van de straat sprake is van parkeerplaatsen voor betaald parkeren, maar uit het dossier blijkt dat het voertuig van de betrokkene op een plaats (enkel) voor vergunningshouders stond. Er is in die zin dus ook geen sprake van een duaal parkeerregime. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
9. Vervolgens zal het hof beoordelen of er andere redenen zijn om de sanctie te matigen of achterwege te laten.
10. De gemachtigde voert aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, omdat daarin niet is vermeld welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden. Dit is in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wahv en artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie en de betrokkene is daardoor in haar belang geschaad. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 14 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1832.
11. Voor zover het overtreden voorschrift niet zou zijn vermeld in de sanctiebeschikking, is de vraag aan de orde of de betrokkene daardoor in rechtens te respecteren belangen is geschaad. Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en neemt hiertoe in aanmerking dat deze grond eerst in hoger beroep is aangevoerd, terwijl uit het reeds in administratief beroep gevoerde verweer blijkt dat de betrokkene van meet af aan wist waartegen zij zich had te verweren. Deze grond faalt.
12. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.409,- (= 1 x € 541,- x 0,5 + 3 x € 759,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in feitcode R397i “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend”;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.409,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.288.754/01
CJIB-nummer
: 227829799
Uitspraak d.d.
: 1 juni 2022
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 3 november 2020, betreffende
[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “voertuig parkeren op parkeerplaats voor vergunninghouders in strijd met de aan de vergunning verbonden voorwaarden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 juli 2019 om 16.41 uur op de Westwal in ʼs-Hertogenbosch met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene heeft verklaard dat ter plaatse geen sprake was van een vergunningshouderlocatie. Er was sprake van betaald parkeren en de bestuurder heeft een ticket gekocht. Gesteld wordt dat er geen bord E9 zichtbaar was, maar ook dat er sprake was van een duaal parkeerregime waar zowel door betaling van a-belasting als b-belasting in de zin van artikel 225 van de Gemeentewet kan worden betaald. Ter onderbouwing zijn afbeeldingen van Google Maps Street View bijgevoegd, waarop onder andere een parkeerautomaat te zien is. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat het wettelijk voorschrift niet vermeld is in de inleidende beschikking en het zaakoverzicht. Daarom is de betrokkene in haar verdedigingsbelangen geschaad.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het voertuig stond geparkeerd op een door bord E9 RVV 1990 aangeduide parkeerplaats welke is voorbehouden aan vergunninghouders. Ik heb geen geldige parkeervergunning waargenomen in het voertuig. Bij het constateren van het feit werd vastgesteld dat er gedurende een tijd van ongeveer
10 minuten geen activiteit met betrekking tot het voertuig plaatsvond, zodat er geen sprake was van onmiddellijk laden of lossen van goederen, dan wel het in of uit laten stappen van personen.(…)opmerkingen ambtenaar 1: ter hoogte van huisnummer 52.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar samengevat verklaart dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene weliswaar een geldig parkeerticket had aangeschaft, maar dat het ter plaatse een parkeerplek betreft voor vergunninghouders en niet betaald parkeren. De parkeerplaatsen zijn aangeduid door middel van een bord E9 aan het begin van de Westwal en herhalingsborden aan de zijde van de straat waar de vergunninghouders-parkeerplaatsen zijn.
6. Het hof stelt vast dat de gedraging waarvoor bij de inleidende beschikking een sanctie is opgelegd de feitcode R592a betreft. Uit de door de ambtenaar overgelegde informatie leidt het hof echter af dat hij een sanctie heeft willen opleggen voor de gedraging “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend” met feitcode R397i. De grond van de gemachtigde richt zich ook hiertegen. Het sanctiebedrag voor deze gedraging is hetzelfde als het bedrag voor de gedraging waarvoor bij de inleidende beschikking een sanctie is opgelegd. Gelet hierop bestaan in zoverre tegen wijziging van de inleidende beschikking geen bezwaren.
7. Het hof zal ter beantwoording van de vraag of de inleidende beschikking moet worden gewijzigd dan wel vernietigd, het verweer van de gemachtigde beoordelen in het licht van de gedraging met feitcode R397i.
8. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt dat het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd ter hoogte van nummer 52 en dat ter plaatse bebording E09 aanwezig was. De afbeeldingen die de gemachtigde heeft meegestuurd zien niet op de pleeglocatie. Het hof wil wel aannemen dat in een gedeelte van de straat sprake is van parkeerplaatsen voor betaald parkeren, maar uit het dossier blijkt dat het voertuig van de betrokkene op een plaats (enkel) voor vergunningshouders stond. Er is in die zin dus ook geen sprake van een duaal parkeerregime. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
9. Vervolgens zal het hof beoordelen of er andere redenen zijn om de sanctie te matigen of achterwege te laten.
10. De gemachtigde voert aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven, omdat daarin niet is vermeld welk wettelijk voorschrift zou zijn overtreden. Dit is in strijd met artikel 4, eerste lid, van de Wahv en artikel 2, eerste lid, van de Regeling modellen en formulieren ten behoeve van de handhaving Justitie en de betrokkene is daardoor in haar belang geschaad. De gemachtigde verwijst daarbij naar het arrest van het hof van 14 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1832.
11. Voor zover het overtreden voorschrift niet zou zijn vermeld in de sanctiebeschikking, is de vraag aan de orde of de betrokkene daardoor in rechtens te respecteren belangen is geschaad. Het hof is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord en neemt hiertoe in aanmerking dat deze grond eerst in hoger beroep is aangevoerd, terwijl uit het reeds in administratief beroep gevoerde verweer blijkt dat de betrokkene van meet af aan wist waartegen zij zich had te verweren. Deze grond faalt.
12. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.
13. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen in totaal 4 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 541,- en voor het (hoger) beroep € 759,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.409,- (= 1 x € 541,- x 0,5 + 3 x € 759,- x 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie en de inleidende beschikking in zoverre dat de feitcode en de omschrijving van de gedraging worden gewijzigd in feitcode R397i “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend”;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.409,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.