Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2020-04-01
ECLI:NL:GHARL:2020:2665
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,750 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.224.857/01
CJIB-nummer
: 199949854
Uitspraak d.d.
: 1 april 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 7 september 2017, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 91,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 12 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 juli 2016 om 14.52 uur op de A12 links (trajectcontrole parallelrijbaan, hmp 63.5) te Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep met betrekking tot de gedraging exact dezelfde gronden (in exact dezelfde bewoordingen) aan als in de procedure bij de kantonrechter. Nu niet is gesteld dat, noch waarom, deze gronden door de kantonrechter niet juist zijn beoordeeld, kan niet van een grond tegen diens beslissing worden gesproken. Het hof gaat daarom voorbij aan dit deel van het hoger beroepschrift (vgl. het arrest van het hof van 29 maart 2017, te vinden op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:2706).
3. De gemachtigde voert in hoger beroep verder aan dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen.
4. Nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, kan, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden blijven of de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding al dan niet terecht of op juiste gronden heeft afgewezen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
5. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.224.857/01
CJIB-nummer
: 199949854
Uitspraak d.d.
: 1 april 2020
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 7 september 2017, betreffende
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R. de Nekker, kantoorhoudende te Heerenveen.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 91,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 12 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 21 juli 2016 om 14.52 uur op de A12 links (trajectcontrole parallelrijbaan, hmp 63.5) te Utrecht met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep met betrekking tot de gedraging exact dezelfde gronden (in exact dezelfde bewoordingen) aan als in de procedure bij de kantonrechter. Nu niet is gesteld dat, noch waarom, deze gronden door de kantonrechter niet juist zijn beoordeeld, kan niet van een grond tegen diens beslissing worden gesproken. Het hof gaat daarom voorbij aan dit deel van het hoger beroepschrift (vgl. het arrest van het hof van 29 maart 2017, te vinden op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2017:2706).
3. De gemachtigde voert in hoger beroep verder aan dat de kantonrechter ten onrechte het verzoek om een proceskostenvergoeding heeft afgewezen.
4. Nu de kantonrechter de inleidende beschikking in stand heeft gelaten, kan, gelet op het arrest van het hof van 1 mei 2019, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2019:3197, in het midden blijven of de kantonrechter het verzoek om een proceskostenvergoeding al dan niet terecht of op juiste gronden heeft afgewezen. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
5. Het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep wordt, gelet op het hierboven genoemde arrest, afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.