Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2019-10-07
ECLI:NL:GHARL:2019:8106
Strafrecht
Hoger beroep
3,955 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004604-18
Uitspraak d.d.: 7 oktober 2019
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 2 augustus 2018 met parketnummer 18-930103-17 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,
wonende te [woonplaats] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 september 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. M.C. van Linde, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 2 augustus 2018 veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde - mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg -tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten (een) schedelfractu(u)r(en) en/of (een) hersenkneuzing(en) en/of (een) bloeding(en) onder en/of tussen (een) hersenvlie(s)(zen) en/of (een) bloeding(en) tussen het/een hersenvlies en het schedelbot en/of blijvende schade aan de hersenen) heeft toegebracht door die [slachtoffer] opzettelijk (krachtig) (met gehandschoende hand en/of gebalde vuist) in het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] (achterover) op de grond viel en/of met zijn (achter)hoofd de stoep/grond en/of een muur raakte);
subsidiair
hij op of omstreeks 15 januari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk (krachtig) (met gehandschoende hand en/of gebalde vuist) in het gezicht, in elk geval op/tegen het hoofd, van die [slachtoffer] te slaan en/of te stompen (waardoor die [slachtoffer] (achterover) op de grond viel en/of met zijn (achter)hoofd de stoep/grond en/of een muur raakte), terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel (te weten (een) schedelfractu(u)r(en) en/of (een) hersenkneuzing(en) en/of (een) bloeding(en) onder en/of tussen (een) hersenvlie(s)(zen) en/of (een) bloeding(en) tussen het/een hersenvlies en het schedelbot en/of blijvende schade aan de hersenen) voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad, althans waardoor die [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Verdachte wordt primair verweten dat hij [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht.
Door de advocaat-generaal is aangevoerd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Uit de feiten en omstandigheden zoals die uit het dossier naar voren komen blijkt dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] .
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte van het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken omdat - kort gezegd - niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat verdachte in de nacht van 15 januari 2017 [slachtoffer] een vuistslag tegen het hoofd heeft gegeven. Verdachte droeg op dat moment zogenaamde motorhandschoenen. Ten gevolge van de klap is [slachtoffer] achterover gevallen en met zijn hoofd op de stoep/grond gevallen. Uit de letselrapportage blijkt dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, in de zin van blijvend hersenletsel, heeft opgelopen.
De verdachte heeft gedurende het onderzoek, ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep verklaard dat het nooit zijn bedoeling is geweest om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Onvoorwaardelijk opzet kan evenmin worden afgeleid uit andere bewijsmiddelen, zoals de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de slag werd toegebracht. Het hof dient derhalve de vraag te beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet elke klap in het gezicht roept zonder meer een naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven. Er kunnen bijkomende omstandigheden zijn die dit anders maken.
Het hof is gelet op de bovengenoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Een enkele stomp in het gezicht met een gehandschoende hand is daarvoor onvoldoende. In de door de advocaat-generaal aangehaalde jurisprudentie is veelal sprake van bijkomende omstandigheden op grond waarvan in die zaken tot het oordeel kon worden gekomen dat sprake was van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is het hof in de onderhavige zaak echter niet gebleken. Het hof zal verdachte daarom van het primair ten laste gelegde vrijspreken.
Overweging met betrekking het subsidiair ten laste gelegde
Het hof is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen - zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen - van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Verdachte heeft het slachtoffer met gehandschoende hand tegen het hoofd gestompt, ten gevolge waarvan het slachtoffer achterover is gevallen, met zijn hoofd op de grond.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. L.J. Hofstra, voorzitter,
mr. W. Foppen en mr. A.J. Rietveld, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 7 oktober 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
ECLI:NL:PHR:2019:695, met verwijzing naar de conclusie van Spronken (punten 3.7 en 3.8) vóór HR 27 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:453 en de conclusie van Vegter (punt 19) vóór HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:659, alsmede de daar genoemde rechtspraak. Tevens is van belang het arrest van HR 22 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT6368, NJ 2011/560, waarin de omstandigheid dat een kopstoot door de verdachte met kracht is gegeven en kennelijk zo hard was dat het slachtoffer daardoor een bloedende wond opliep en onderuit ging, onvoldoende grond vormde voor het bewijs van opzet op zwaar lichamelijk letsel.
Inleiding
Hierdoor heeft het slachtoffer ernstig schedel-/hersenletsel opgelopen.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
subsidiair
hij op 15 januari 2017 te [plaats] , gemeente [gemeente] , opzettelijk [slachtoffer] heeft mishandeld door opzettelijk met gehandschoende hand tegen het hoofd, van die [slachtoffer] te stompen waardoor die [slachtoffer] achterover op de grond viel en met zijn hoofd de stoep/grond raakte, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel te weten een schedelfractuur en een hersenkneuzing en een bloeding onder en tussen de hersenvliezen en een bloeding tussen het hersenvlies en het schedelbot en blijvende schade aan de hersenen voor die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het subsidiair bewezen verklaarde levert op:
mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] onverhoeds een stomp tegen het hoofd gegeven, waardoor die [slachtoffer] steil achterover is gevallen en ernstig schedel-/hersenletsel heeft opgelopen. Het slachtoffer is lichamelijk en geestelijk gehandicapt geraakt. De dagelijkse dingen die voorheen zo vanzelfsprekend voor hem waren, zijn dat nu niet meer. Hij wordt dagelijks geconfronteerd met hetgeen hem is aangedaan en de gevolgen die dat voor hem, zijn gezin en zijn naasten heeft. Het handelen van verdachte betrof een ernstige geweldsuitoefening zonder enige begrijpelijke aanleiding daartoe. Er was totaal geen grimmige sfeer en het geweld kwam uit het niets, aldus getuigen. Hoewel verdachte geen opzet had om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, is het letsel van het slachtoffer wel het gevolg geweest van het agressieve handelen door verdachte.
Bij het bepalen van de straf heeft het hof ook acht geslagen op het feit dat verdachte ter terechtzitting van het hof op 23 september 2019 zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en ten volle erkent verantwoordelijk te zijn voor het letsel dat door hem is veroorzaakt. Ook voor hem en zijn naasten heeft de gebeurtenis in de nacht van 15 januari 2017 en de daarop volgende strafzaak zijn sporen nagelaten. Verdachte dient te leren leven met de wetenschap dat het slachtoffer door zijn toedoen voor het leven gehandicapt is geraakt. Verder blijkt uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie dat verdachte in het verleden niet voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld.
Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen de strafdoelen die worden beoogd met het opleggen van een straf. Op grond daarvan is het hof van oordeel dat het strafdoel ‘vergelding’ bij het bepalen van de strafmaat en de strafmodaliteit in deze zaak vooropstaat. De gevolgen van verdachtes handelen zijn enorm voor het slachtoffer en zijn naasten. Ook al spreekt het voor zich dat het aldus veroorzaakte leed niet door enige op te leggen straf kan worden gecompenseerd, dan nog pleegt een - min of meer - als adequaat ervaren strafoplegging slachtoffers te helpen bij de verwerking ervan. Ook dient acht te worden geslagen op het strafdoel van ‘algemene preventie’ in die zin dat het hof daarmee wil onderstrepen dat het voor een ieder duidelijk moet zijn welke (strafrechtelijke) gevolgen het heeft als iemand wordt mishandeld en ten gevolge daarvan ernstig blijvend letsel oploopt, ook indien het opzet daar niet op gericht was, en dat dergelijk strafwaardig gedrag simpelweg niet wordt getolereerd in deze samenleving. In bovenstaande vindt het hof de redenen die tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden. Het hof acht de door de rechtbank opgelegde taakstraf in de omstandigheden van dit geval onvoldoende recht doen aan de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer en de beoogde strafdoelen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.