Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2024-07-18
ECLI:NL:GHAMS:2024:3567
Strafrecht
Hoger beroep
2,797 tokens
Inleiding
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000756-24
datum uitspraak: 18 juli 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-038166-24 tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2006,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 15 november 2023 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- ongeveer 7.24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en/of;
- ongeveer 15 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA;
zijnde MDMA en cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof met betrekking tot de bewijsvraag tot een andere beslissing komt dan de kinderrechter.
Overweging van het hof
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de inbeslagname van de tas van de verdachte en het daarin aantreffen van de drugs rechtmatig heeft plaatsgevonden.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de kinderrechter de verdachte op juiste gronden heeft vrijgesproken, omdat het in de tas van de verdachte kijken door de verbalisanten onrechtmatig was.
Het hof oordeelt als volgt.
Voor zover de raadsman heeft bedoeld aan te voeren dat een en ander zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) overweegt het hof als volgt. Van de verdediging mag worden verlangd, als zij een beroep doet op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in het tweede lid van die bepaling vermelde factoren wordt aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden. De eerste factor is “het belang dat het geschonden voorschrift dient”. De tweede factor is “de ernst van het verzuim”. De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Alleen op een zodanig verweer is de rechter gehouden een met redenen omklede beslissing te geven (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533). De raadsman heeft weliswaar bepleit dat de verbalisanten onrechtmatig gehandeld zouden hebben, maar heeft dit betoog niet gemotiveerd aan de hand van voormelde factoren. Het betoog van de raadsman kan daarom verder onbesproken blijven.
Het hof ziet echter, gelet op het requisitoir van de advocaat-generaal en het tot vrijspraak strekkende vonnis van de kinderrechter, ambtshalve aanleiding in te gaan op de vraag of er sprake is van een vormverzuim.
Op grond van artikel 9, derde lid, van de Opiumwet zijn opsporingsambtenaren te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe overgaan als sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet.
Uit het betreffende proces-verbaal van bevindingen volgt onder meer dat de verbalisant bij een controle van het kenteken van de snorfiets van de verdachte zag dat de verdachte veel registraties had in de politiesystemen. Zo waren er meerdere mutaties dat de verdachte was gecontroleerd met personen die in verband werden gebracht met de handel in verdovende middelen, stonden er diverse bekeuringen op het kenteken van de snorfiets en waren meerdere keren technische gebreken aan de snorfiets geconstateerd. De verbalisant heeft de verdachte vervolgens staande gehouden in het kader van een controle van de Wegenverkeerswet. Toen de verbalisant de snorfiets op technische eisen ging controleren, confronteerde hij de verdachte met de registraties in de politiesystemen inhoudende dat de verdachte meerdere keren was gecontroleerd met personen die in verband werden gebracht met de handel in verdovende middelen. Hiermee geconfronteerd schrok de verdachte en het viel de verbalisanten onder meer op dat de verdachte zenuwachtig gedrag begon te vertonen: zijn gedrag veranderde van rustig naar onrustig en beweeglijk, waarbij hij zijn schoudertas constant van zich afwendde en van zich wegdraaide. Deze feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof voldoende aanleiding voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit, te weten overtreding van de Opiumwet. De inbeslagname van de tas was daarmee rechtmatig, zodat er geen sprake is van een vormverzuim. Het betreffende proces-verbaal van bevindingen is daarmee ook bruikbaar voor het bewijs.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 november 2023 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- ongeveer 7.24 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, en
- ongeveer 15 tabletten, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De kinderrechter heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende jeugddetentie, waarvan 60 uur, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
De raadsman heeft het hof verzocht om geen bijzondere voorwaarden te bepalen bij een eventueel op te leggen straf, omdat de verdachte deze niet nodig heeft: het gaat goed met de verdachte, hij is zelfstandig met school bezig en heeft werk.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen jeugddetentie.
Bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde naar school en/of stage zal gaan volgens zijn rooster.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan IPA of soortgelijke hulpverlening.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zal meewerken aan eventuele andere hulpverlening die door de Jeugdbescherming nodig wordt geacht.
Geeft opdracht aan Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.J. van der Wilt, mr. A.E. Kleene-Krom en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. D. Damman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juli 2024.
mr. N.R.A. Meerbeek is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.