Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2016-11-22
ECLI:NL:GHAMS:2016:5410
Strafrecht
Hoger beroep
1,872 tokens
Inleiding
parketnummer: 23-003616-15
datum uitspraak: 22 november 2016
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 26 augustus 2015 in de strafzaak onder de parketnummers 15-121404-15 en 05-128662-14 (TUL; de strafzaken onder de parketnummers 05-128662-14 en 05-141649-14 zijn ter terechtzitting van 22 oktober 2014 door de politierechter in de rechtbank Gelderland gevoegd) tegen
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 november 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1:hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Zaandam, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine (ongeveer 12 gram brutogewicht), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2:hij op of omstreeks 12 juni 2015 te Zaandam, in elk geval in Nederland, een busje traangas (KO Spray 007), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Bewijsoverweging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de bevoegdheden van artikel 55b van het Wetboek van Strafrecht. Het vorderen van het identiteitsbewijs van de verdachte was onrechtmatig. De politieambtenaren hebben onvoldoende duidelijk gemaakt waarom het noodzakelijk was verder te speuren naar een identiteitsbewijs van de verdachte. Het optreden van de politie levert een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering op, dat tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden, aldus de raadsman.
Het hof verwerpt het verweer en overweegt als volgt.
Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina 4-6) blijkt het volgende. De verbalisanten zien op het parkeerterrein achter de BP-winkel bij het tankstation langs de Rijksweg A8 het door de verdachte bestuurde voertuig vreemd geparkeerd staan; de auto gebruikte namelijk feitelijk drie parkeerplekken. De verbalisanten hebben geconstateerd dat de auto die de verdachte bestuurde een zogenoemde WAM-signalering had, hetgeen betekent dat deze niet was verzekerd. Naar aanleiding van deze constatering hebben zij het rij- en kentekenbewijs van de verdachte ter inzage gevorderd. De verdachte zei daarop dat hij dit niet bij zich had en dat hij helemaal geen identiteitsbewijs bij zich droeg. Vervolgens heeft de verdachte zijn persoonsgegevens opgegeven. De verbalisanten twijfelden aan de juistheid hiervan omdat de verdachte zijn naam met horten en stoten opgaf en verbalisant [verbalisant 1] op basis van de verstrekte gegevens geen foto horende bij de opgegeven naam [verdachte] kon vinden in het politiesysteem ‘Integraal Bevragen’. Naar het oordeel van het hof was op dat moment sprake van voldoende omstandigheden op basis waarvan de politieambtenaren het identiteitsbewijs van de verdachte mochten vorderen. De verdachte heeft geen identiteitsbewijs overgelegd en bij de identiteitsfouillering is geen identiteitsbewijs aangetroffen. Daarmee is ook de noodzaak gegeven om overeenkomstig artikel 55b, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) over te gaan tot het instellen van een onderzoek aan de auto ter vaststelling van de identiteit. Onder de bevoegdheid als bedoeld in artikel 55b, tweede lid, Sv valt niet alleen het doen van onderzoek naar de voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert maar onder de gegeven omstandigheden ook het onderzoeken van het dashboardkastje van de auto waarin de verdachte reed (vgl. HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6043). Dat onderzoek was noodzakelijk voor de vaststelling van de identiteit van de verdachte en voldoet bovendien aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit nu van de bevoegdheid in artikel 55b, tweede lid, Sv pas gebruik is gemaakt nadat was gebleken dat de middelen als bedoeld in artikel 27a Sv niets hadden opgeleverd. Er is dan ook geen sprake van enig vormverzuim, zodat bewijsuitsluiting niet aan de orde is.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1:hij op 12 juni 2015 in Nederland opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid amfetamine, ongeveer 12 gram brutogewicht;
2:hij op 12 juni 2015 in Nederland een busje traangas, KO Spray 007, zijnde een voorwerp, bestemd voor het treffen van personen met een traanverwekkende stof, van de categorie II, onder 6°, voorhanden heeft gehad.
Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland van 22 oktober 2014, parketnummer 05-128662-14, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) week.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.L. Leenaers, mr. P.F.E. Geerlings en mr. N.R.A. Meerbeek, in tegenwoordigheid van mr. S. Ourahma, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 november 2016.