Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2019-05-09
ECLI:NL:RBNHO:2019:3990
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,988 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf
Locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15.158547.18 (P)
Uitspraakdatum: 9 mei 2019
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 25 april 2019 in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres
( [adres] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M.A. Oudendijk en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
1Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1:
hij op of omstreeks 20 oktober 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp (te weten een geldbedrag van 25090 euro) heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of van een voorwerp (te weten 25090 euro) gebruik heeft gemaakt
en/of
de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was en/of wie dit voorwerp voorhanden had, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit voorwerp - onmiddellijk of middellijk - (mede)afkomstig was uit enig misdrijf;
Feit 2:
hij op of omstreeks 20 oktober 2017 te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, ongeveer 800 XTC pillen, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
2Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Beoordeling
3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, in die zin dat bewezen is dat verdachte een geldbedrag van € 21.950,- heeft witgewassen en ongeveer 800 XTC-pillen bevattende MDMA heeft vervoerd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de staande houding van verdachte en de daaropvolgende doorzoeking van de auto onrechtmatig zijn geweest en dat dit dient te leiden tot bewijs-uitsluiting van het daardoor verkregen bewijsmateriaal, te weten het geld en de XTC-pillen. Om die reden dient volgens de raadsman vrijspraak te volgen.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Rechtmatigheidsverweer
Uit de processen-verbaal van onder meer verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] blijkt dat zij op 20 oktober 2017 waren belast met de controle van voertuigen op de rijksweg A4. Op een gegeven moment kregen zij een zogenaamde ANPR-hit betreffende een huurvoertuig met het kenteken [kenteken] . Dit voertuig stond op naam van ‘ [autoverhuur] autoverhuur’. Het was verbalisant [verbalisant] ambtshalve bekend dat de huurauto’s van dit bedrijf veelvuldig worden gebruikt door personen met veel politie-antecedenten en dat daarom deze auto’s in de ANPR staan. Na de ANPR-hit hebben de verbalisanten het kenteken [kenteken] in de politiesystemen bevraagd en uit deze bevraging bleek dat het voertuig eerder gezien is bij een verdachte situatie en eerder gezien en gecontroleerd is met in dit voertuig voor de politie bekende personen met antecedenten.
Nadat verbalisanten ook zelf het voertuig hadden gespot, werd door hen een volg- en stopteken gegeven en werd de bestuurder van dit voertuig (naar later bleek verdachte) ter controle staande gehouden. Verbalisanten legitimeerden zich als politieambtenaren en verbalisant [verbalisant] vroeg de bestuurder naar zijn rijbewijs en kentekenbewijs. De bestuurder antwoordde dat hij deze bewijzen niet bij zich had en helemaal geen legitimatie bij zich had. Vervolgens werd besloten tot een onderzoek in/van de auto, ter vaststelling van de identiteit van de bestuurder. Bij dit onderzoek werd onder de bestuurdersstoel een papieren zak met daarin een geldbedrag van € 21.950,- aangetroffen. Daarop werd de bestuurder aangehouden op verdenking van witwassen.
Vervolgens werd het voertuig doorzocht op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Daarbij werd in de kofferbak – in een witte stoffen zak – een plastic transparante zak met een grote hoeveelheid grijze pillen aangetroffen (naar later bleek ongeveer 800 XTC-pillen bevattende MDMA).
De rechtbank is van oordeel dat de staande houding van verdachte ter kennelijke controle op de naleving van de Wegenverkeerswet 1994 rechtmatig was.
Op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 waren de verbalisanten bevoegd om de bestuurder van het voertuig te doen stoppen. Het enkele feit dat de ANPR-hit de aanleiding is geweest voor de verkeerscontrole, doet niet af aan het feit dat de verbalisanten op grond van de Wegenverkeerswet 1994 ook zonder die “hit” bevoegd waren een verkeerscontrole uit te voeren en de verdachte staande te houden. Een dergelijke verkeerscontrole heeft ook daadwerkelijk plaats gevonden, nu is gebleken dat van de verdachte zijn rijbewijs en het kentekenbewijs van het voertuig is gevorderd.
Nadat de verdachte had geantwoord dat hij geen rijbewijs en kentekenbewijs, en helemaal geen legitimatie, bij zich had, is besloten tot een onderzoek in/van de auto.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt – anders dan verbalisant [verbalisant] kennelijk meent – de Wet op de identificatieplicht hiervoor geen grondslag.
Wel geeft artikel 55b lid 1 Sv opsporingsambtenaren de bevoegdheid om een verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, alsmede voorwerpen die hij bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, een en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit. Voorwaarde daarvoor is echter dat sprake is van een staande gehouden of aangehouden verdachte. Niet blijkt uit de stukken dat de bestuurder van het voertuig op het moment dat tot het onderzoek in/van de auto werd besloten reeds als verdachte was staande gehouden of aangehouden. Voorts volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6043, weliswaar dat ook het onderzoeken van het dashboardkastje van een auto van de verdachte onder omstandigheden onder het onderzoek als bedoeld in artikel 55b Sv kan vallen, maar het onderzoek in/van de auto heeft zich in de onderhavige zaak niet tot het zoeken in het dashboardkastje beperkt. Naar het oordeel van de rechtbank valt het zoeken onder de bestuurdersstoel van de auto en in de aldaar aangetroffen papieren zak niet onder de bevoegdheid van artikel 55b lid 1 Sv. Niet viel redelijkerwijs te voorzien dat zich daar stukken zouden bevinden aan de hand waarvan de identiteit van de verdachte kon worden vastgesteld. Het vergaande onderzoek in/van de auto – waarvoor door de bestuurder geen toestemming was verleend – moet dan ook als onrechtmatig worden aangemerkt. Er is derhalve sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a, eerste lid, Sv.
Overeenkomstig het bepaalde in dit artikel kan de rechtbank een rechtsgevolg verbinden aan een vormverzuim. Bij de vraag of een rechtsgevolg dient te worden verbonden aan een vormverzuim en zo ja, welk rechtsgevolg, dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De rechtbank overweegt dat de verdediging weliswaar bewijsuitsluiting heeft bepleit, maar dat door de verdediging niet is aangevoerd in welk concreet persoonlijk belang verdachte is geschaad door het handelen van de verbalisanten, anders dan dat is gesteld dat is gehandeld in strijd met artikel 8 EVRM. De rechtbank merkt daarbij op dat het aantreffen van het geldbedrag niet als zodanig nadeel (‘een rechtens te respecteren belang’) kan worden aangemerkt. In de regel kan een schending van de privacy ex artikel 8 EVRM niet leiden tot bewijsuitsluiting. De rechtbank ziet daarvoor ook in deze zaak geen aanleiding. Of strafvermindering een toepasselijke sanctie is, hangt af van het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het concrete geschonden belang van de verdachte.
Motivering
6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden.
6.2
Standpunt van de verdediging
Gelet op het feit dat verdachte – afgezien van een paar kleine feiten – first offender is, hij een vaste baan heeft en hij ter terechtzitting openheid van zaken heeft gegeven, acht de raadsman een gevangenisstraf niet passend. De raadsman heeft verzocht om een taakstraf op te leggen, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 21.950,-. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Bovendien heeft het in omloop zijn van witgewassen geldbedragen een sterk corrumperende werking en faciliteert dit veelal ander strafbaar handelen. Het plegen van criminele activiteiten wordt daardoor in stand gehouden en indirect ook bevorderd. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Verdachte heeft daarnaast ongeveer 800 XTC-pillen vervoerd. Dit is een dusdanige hoeveelheid dat dit bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Verspreiding van en handel in verdovende middelen gaan gepaard met vele vormen van andere criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers van deze middelen gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.
Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf of straffen heeft de rechtbank als uitgangspunt genomen wat doorgaans wordt opgelegd voor het begaan van soortgelijke delicten, en aansluiting gezocht bij de hoogte van het bewezen verklaarde witwasbedrag en het aantal/het gewicht van de XTC-pillen. Gelet hierop en gezien de door de rechtbanken en gerechtshoven gehanteerde oriëntatiepunten voor fraude- en Opiumwetdelicten acht de rechtbank in beginsel alleen oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige tijd gerechtvaardigd. Dit gezien de ernst van de feiten. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak echter aanleiding om hiervan af te wijken.
Om te beginnen heeft de rechtbank de persoon van verdachte in strafmatigende zin bij de straftoemeting betrokken. De rechtbank heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier zijn gebleken en ter terechtzitting naar voren zijn gebracht. Uit het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 maart 2019, blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke delicten is veroordeeld. Verdachte is één keer voor een snelheidsovertreding veroordeeld tot een geldboete en heeft verder één keer een transactie ter zake van vernieling geaccepteerd. Voorts heeft de rechtbank de proceshouding van verdachte in strafmatigende zin meegewogen. Verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de feiten en de strafwaardigheid van zijn handelen ter terechtzitting erkend. Tot slot heeft de rechtbank rekening gehouden met het tijdsverloop in deze zaak.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid aan verdachte opleggen.
7Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
2 en 10 van de Opiumwet.
Dictum
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag hechtenis, in mindering worden gebracht.
Gelast de teruggave aan verdachte:
3.140 EUR.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.I. de Jong, voorzitter,
mr. S. Jongeling en mr. B.C. Swier, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Naeije,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 mei 2019.
Mr. B.C. Swier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.