Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-01-14
ECLI:NL:CRVB:2026:51
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,038 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:CRVB:2026:51 text/xml public 2026-01-29T14:58:32 2026-01-16 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-01-14 25/1218 WIA Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:51 text/html public 2026-01-27T13:54:32 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:51 Centrale Raad van Beroep , 14-01-2026 / 25/1218 WIA Weigering WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing. De geselecteerde functies zijn passend voor appellant. Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 april 2025, 24/1935 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 14 januari 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht appellant per 21 februari 2022 geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Volgens appellant heeft hij meer (medische) beperkingen en een lager opleidingsniveau dan het Uwv heeft aangenomen. Daarom kan hij niet de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies vervullen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S.A. Adjiembaks, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellant heeft voor het laatst gewerkt als catering medewerker voor 37,52 uur per week. Op 24 februari 2020 heeft hij zich ziekgemeld met knieklachten. Nadat appellant een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) had ingediend, heeft onderzoek plaatsgevonden door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uwv. De verzekeringsarts heeft vastgesteld dat appellant bij het verrichten van werkzaamheden beperkingen heeft en heeft die beperkingen neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 29 juni 2023. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 14 juli 2023 geweigerd appellant met ingang van 21 februari 2022 een WIAuitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. 1.2. Bij besluit van 15 februari 2024 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar haar oordeel is sprake van een zorgvuldig medisch onderzoek, waartoe zij het volgende heeft overwogen. In een rapport van 29 juni 2023 van de verzekeringsarts staat gedetailleerd beschreven dat appellant lichamelijk en psychisch is onderzocht door de verzekeringsarts in de primaire fase. Daarnaast heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de aanwezige dossiergegevens bestudeerd en een uitvoerige beschouwing gegeven over de medische toestand van appellant. In verband met de knieën zijn beperkingen vastgesteld ten aanzien van staan en lopen, veel tillen en dragen en ook voor trillingen en zitten. Deze beperkingen begrenzen tevens overmatige rugbelasting. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv het opleidingsniveau van appellant terecht heeft vastgesteld op 2. Zij heeft daartoe overwogen dat opleidingsniveau 2 betekent dat men moet kunnen lezen, schrijven en rekenen op eindbasisschoolniveau. Men moet eenvoudige gebruiksaanwijzingen of instructies kunnen lezen en kunnen delen en vermenigvuldigen. Het volledig hebben doorlopen van het basisonderwijs en eventueel enkele jaren vervolgonderwijs zonder diploma is een indicatie voor indeling in opleidingsniveau 2 . Dit niveau kan niet alleen worden behaald door een afgeronde basisschoolopleiding, maar ook door de combinatie van opleiding en werkervaring. Overeenkomstig de eigen verklaring van appellant is het Uwv ervan uitgegaan dat hij lager onderwijs en meerdere jaren een vervolgopleiding heeft genoten. Appellant heeft dit ook niet betwist, aldus de rechtbank. Het standpunt van appellant 3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant betwist de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van het vastgestelde opleidingsniveau. Het standpunt van het Uwv 4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Het oordeel van de Raad 5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering van de WIA-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 5.1. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het loon dat een betrokkene in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken. Medische beoordeling 5.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het onderzoek van de verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Anders dan appellant meent zijn de medische anamnese en de inhoudelijke beoordeling in dit verband inzichtelijk weergegeven en zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het lichamelijk onderzoek ontoereikend is geweest. Arbeidskundige beoordeling 5.3. De rechtbank heeft daarnaast terecht geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat het opleidingsniveau van appellant 2 is. Appellant heeft in zijn geboorteland basisonderwijs afgerond en meerdere jaren vervolgonderwijs genoten. Daarnaast verblijft appellant sinds 2004 in Nederland en heeft hij in Nederland meer dan tien jaar betaalde werkzaamheden voor uitzendbureaus verricht. De geselecteerde functies behelzen eenvoudig productiematig werk en stellen blijkens de functieomschrijvingen geen specifieke eisen aan de mondelinge en/of schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 13 juli 2012 kan iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat worden geacht eenvoudige productiematige functies te vervullen. Gelet hierop moet appellant in staat worden geacht die functies te verrichten. Conclusie en gevolgen 5.4. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering appellant een WIA-uitkering toe te kennen in stand blijft. 6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers in tegenwoordigheid van D.M.A. van de Geijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026. (getekend) E.J.J.M. Weyers (getekend) D.M.A. van de Geijn De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 30 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI3524.