Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2022-06-15
ECLI:NL:CRVB:2022:1332
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,263 tokens
Inleiding
20 4407 WIA
Datum uitspraak: 15 juni 2022
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 november 2020, 19/6716 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. A.C. Mens, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2020. Namens appellant is verschenen mr. Mens en de echtgenote van appellant. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R.D. van den Heuvel.
Overwegingen
1.1.
Appellant, laatstelijk werkzaam als conciërge/toezichthouder voor 40 uur per week heeft zich vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld met rugklachten met uitstraling naar het linkerbeen. Aan hem is met ingang van 2 oktober 2017 ziekengeld toegekend. In het kader van een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellant het spreekuur van een arts van het Uwv bezocht. Deze arts heeft op 13 juni 2019 en aanvullend op 11 juli 2019 van zijn onderzoeksbevindingen – door een verzekeringsarts getoetst en akkoord bevonden – een rapport opgesteld. Daarin is vermeld dat bij appellant langdurig, in intensiteit en ernst wisselende, rugklachten bestaan op basis van een eerder gediagnosticeerde HNP. In een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 juni 2019, heeft deze arts de vastgestelde beperkingen en mogelijkheden voor arbeid neergelegd. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant geschikt is voor de maatgevende arbeid maar dat dat werk niet meer op de arbeidsmarkt voorkomt. Hij heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 0%. Bij besluit van 9 augustus 2019 heeft het Uwv geweigerd aan appellant met ingang van 31 juli 2019 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt.
1.2.
Bij besluit van 8 november 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 9 augustus 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van 12 oktober 2019 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 7 november 2019 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de door de primaire arts van het Uwv vastgestelde belastbaarheid onderschreven. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft twee eerder geduide functies laten vervallen en vervolgens vastgesteld dat er voldoende functies resteren om de schatting op te baseren en geconcludeerd dat appellant onveranderd minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij het vaststellen van de beperkingen het moet gaan om objectief vastgestelde beperkingen. De verzekeringsarts heeft met de in de brief van de afdeling neurochirurgie van 12 december 2019 vermelde rugklachten en hernia rekening gehouden. Dat de klachten zodanig zijn dat hij meer beperkt is dan neergelegd in de FML van 12 juni 2019 wordt niet ondersteund door een medisch rapport. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de medische beoordeling van de artsen van het Uwv. Daarom is er ook geen reden om een onafhankelijk deskundige te benoemen. De rechtbank heeft onderschreven dat het Uwv op juiste gronden is uitgegaan van opleidingsniveau 2 van appellant omdat niet alleen de schoolopleiding van belang is maar ook de werkervaring van appellant als conciërge en huiswerkbegeleider. Uitgaande van de juistheid van de bij appellant vastgestelde medische beperkingen, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de geduide functies voor appellant niet geschikt zijn. Dat appellant is afgewezen voor een sollicitatie voor een functie van assemblagemedewerker bewijst niet dat geen passend werk voorhanden is. Informatie van de sollicitatie is niet overgelegd zodat de belasting in de betreffende functie niet kan worden vastgesteld.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is verricht. Ter zitting is opgemerkt dat het onderzoek door de arts van het Uwv maar tien minuten heeft geduurd. Voorts zijn de rugklachten als gevolg van de hernia onderschat omdat appellant door de herniaklachten niet goed kan functioneren in het dagelijks leven. Hij kan soms dagen achter elkaar zich met de grootste moeite voortbewegen. Appellant moet eigenlijk geopereerd worden maar hij heeft dit, gezien de risico’s ervan, uitgesteld. Hoewel appellant vanwege zijn inkomsten niet in staat is een medisch rapport te overleggen, heeft hij met de ingebrachte medische gegevens voldoende bewijs geleverd dat zijn beperkingen door het Uwv zijn onderschat. De voor hem geselecteerde functies zijn gelet op zijn klachten niet geschikt. Hij kan vanwege zijn klachten niet werken. Daartoe heeft hij ook verwezen naar diverse afwijzingen op sollicitaties naar aanleiding van vacatures. Appellant heeft herhaald dat de functies op opleidingsniveau 2 niet passend zijn. Appellant heeft in Nederland het basisonderwijs niet afgemaakt omdat hij in groep 8 niet kon meekomen. Ook het eerste jaar van de LTS en het eerste jaar van de detailhandelsschool heeft appellant niet kunnen doorlopen omdat zijn achterstand te groot was. Hij kan niet goed de Nederlandse taal schrijven en lezen.
3.2.
Het Uwv heeft erop gewezen dat de verzekeringsartsen brieven van de verschillende behandelaren bij de beoordeling hebben betrokken. De functies passen bij de belastbaarheid van appellant. Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.
4.2.
In geschil is of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 31 juli 2019 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht heeft geweigerd aan hem een WIA-uitkering toe te kennen.
4.3.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, is in essentie een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze beroepsgronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.4.
Wat appellant ter zitting heeft aangevoerd over de duur van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek, slaagt niet. Allereerst wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 22 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4896, overwogen dat de duur en omvang van het medisch onderzoek niet doorslaggevend is voor de zorgvuldigheid daarvan. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant op 1 juni 2019 op het spreekuur van een arts van het Uwv is gezien waar anamnese is afgenomen en waar appellant psychisch en lichamelijk is onderzocht. Hoewel informatie van de behandelend sector voorhanden was, heeft deze arts nadere informatie bij de huisarts opgevraagd. De huisarts heeft nadere informatie van de neuroloog en neurochirurg ingezonden en de arts van het Uwv heeft in een aanvullend rapport van 11 juli 2019 deze informatie kenbaar betrokken bij de medische beoordeling. Er was sprake van een mild radiculair syndroom S1 links waarbij is vermeld dat de heftigheid van de periodes lijkt af te nemen en appellant meer activiteiten ontplooit, zodat de informatie de arts van het Uwv geen aanleiding gaf tot wijziging van de FML.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022.
(getekend) J.S. van der Kolk
(getekend) L. Winters